Partij- of massabeweging?

Naschrift bij een ICT-artikel over Islamitische Staat

Arbeidersstemmen heeft in 4 delen een artikel van FD geplaatst, De klassensamenstelling van IS. Zoals wel vaker het geval is met vertaalde artikels, zijn we het niet met alles in het artikel eens. Het artikel maakt een interessante analyse van IS, maar het bevat ook een aantal merkwaardige formuleringen. Soms zijn deze  misschien het resultaat van vertaling uit het Italiaans (een wat meer prozaïsche of omslachtige taal dan het Nederlands) en vervolgens uit Engels. Soms spelen ook politieke meningsverschillen tussen de vertaler en de International Communist Tendency een rol. Ik ga ik hier nu dieper op in.

deel 2 DE BUITENLANDSE STRIJDERS VAN ISLAMITISCHE STAAT

  1. In  het volgende fragment wekt het artikel van ICT de indruk dat alle (proletarische) jongeren in de Franse ‘banlieus’ in de ban van het jihadisme zijn.“… werden de “banlieusards” uitgeput in een doodlopende straatje gejaagd. Daarna gingen ze over tot het radicale jihadisme”. Dat lijkt me overdreven. Arbeidersstemmen stelde: Ook jongere moslims in Europa zijn voor een klein gedeelte te rekruteren voor het terrorisme. Deels door hun ellendige bestaan in verkrotte wijken van de binnensteden [7] of in moderne betonnen flats in de buitenwijken en geïsoleerd in satellietsteden. Deels ook omdat zij als zondenbok worden aangewezen in campagnes tegen de Islam, waarmee de burgerlijke politiek vooral een poppenkast opvoert tussen populistische haatzaaiers zoals Wilders en de ‘demokratische beschermengelen’ van links. De situatie op de arbeidsmarkt van dit deel van de arbeidersklasse dat bestaat uit de vaak goed opgeleide tweede of derde generatie arbeidsmigranten, is uiterst slecht. Een microscopisch kleine minderheid van deze jongeren wordt terrorist en richt met eenvoudige middelen grote slachtingen onder burgers aan, naar Europese begrippen dan.”  Uiteraard gaat het hier niet om een verschillende inschatting van de aantallen die daadwerkelijk voor jihadisme zijn gerekruteerd, maar om de wijdere groep daaromheen die sympathiserend en een nog grotere groep die neutraal staat tegenover het jihadisme. Is het waar dat in Frankrijk een meerderheid of grote minderheid van de “banlieusards” tot de laatste twee groepen kan worden gerekend? Uit een recent onderzoek (waarvan FD geen kennis kon hebben) blijkt dat dit zelfs niet geldt voor jongeren in het Midden-Oosten en in Noord-Afrika (Arab Youth Review 2016).
  2. Na de zin “… de Europese context (België, Nederland en Groot-Brittannië, en in het bijzonder Frankrijk, waar we hier naar kijken), gekenmerkt door een aantal eigenaardigheden wat betreft degenen die hun eigen land hebben verlaten om zich naar “Siraq” te haasten en daar te gaan strijden onder de vlag van de islamitische Staat” wordt 1) gegeneraliseerd naar heel Europa, misschien uitgezonderd U.K. (“… ook in andere landen van het oude continent kan worden herhaald …”), terwijl niet in alle landen sprake is van “ghetto’s die het toneel zijn van botsingen tussen jongeren en speciale politie-eenheden” zoals in Frankrijk en misschien België. In Nederland zijn wel enkele wijken te noemen die kenmerken hebben van ghetto’s van Marrokkanen, maar daar is vooralsnog geen sprake van regelmatige botsingen met de politie.
  3. FD is ook niet erg helder over de kwestie van atheïsme en communisme, waar hij stelt “Daarnaast moet worden benadrukt dat in de politieke programma’s, in de dagelijkse praktijk van de IS-militanten, net als elke andere jihadistische organisatie, strijd zou worden gevoerd tegen het atheïstische en dus satanische communisme, de vijand nummer één, als deze aanwezig zou zijn op het binnenlandse politieke toneel.” Maar hij brengt ook naar voren “(…) religieuze stromingen, die op dit moment nog steeds werken als een sociaal verdovend middel en als tegengif voor klassenstrijd.”

Daarentegen heeft Arbeidersstemmen heeft naar voren gebracht:

a) “De kapitalistische klasse” probeert de arbeidersklasse “te verdelen in elkaar beconcurrerende groepen: (…) naar cultuur of godsdienst. Kortom allemaal zaken die er niet toe doen wanneer het er om gaat als eenheid voor arbeidersbelangen op te komen.” Bomaanslagen door zelfmoord terroristen in Ankara en Istanboel.

b) “… MC/KPK (…) vervallen ze in de leuzen op het einde van het pamflet helaas in een soort atheïstische strijd tegen de goden (‘Geen goden, geen meesters, geen staten, geen bazen’, Bakoenin had het niet beter kunnen zeggen!), in navolging van de Leninisten. De Westerse marxisten hebben daarentegen in navolging van Marx gesteld dat de godsdienst het opium van het volk is, en niet voor het volk, een verdoving dus die in de strijd en in het socialisme vanzelf zal verdwijnen. Daarom hebben we in ons pamflet benadrukt “(…) cultuur of godsdienst (zijn) zaken die er niet toe doen wanneer het er om gaat als eenheid voor arbeidersbelangen op te komen”. Zie ook Zie ook Anton Pannekoek 1936 Communisme en Godsdienst, Kommunismus und Religion, Communism and Religion part 1/2 and 2/2.” (noot 7 bij Terroristische aanslagen in Brussel).

Bij punt 1) en zeker 2) is sprake van een overdreven beschrijving van de impact van het jihadisme in Europa. Bij punt 3) geeft FD enigszins de indruk een concessie te doen aan het actief propagandistisch (en repressief!) atheïsme van de bolsjewistische partij aan de macht.

Het waarom van deze verwarrende formuleringen komt naar voren  in het volgende fragment “… communisme, de vijand nummer één, als deze aanwezig zou zijn op het binnenlandse politieke toneel”. Hier zien we een tendens die in het hele artikel herhaaldelijk naar voren komt: MC wil de afwezigheid van De Partij onder onze aandacht brengen.

Altijd maar De Partij

Inzake de Islam in het Midden Oosten wil FD wijzen op de afwezigheid van het communisme (de Partij) en de valse aanwezigheid van  de “… ‘mythe’ van het socialisme, dat wil zeggen van het staatskapitalisme die zich voordeed als het communisme. Dit kwam naar voren in de agressie van het Rode Leger in Afghanistan tijdens de laatste stuiptrekkingen van de Sovjet-imperialisme en de onderdrukking van de afscheidingstendens van het islamitische Tsjetsjenië in de post-Sovjet-fase.”

In het geval van de “banlieus” worden op een merkwaardige wijze een ‘zelfbenoemd’ Links opgevoerd, een naar Nederlandse begrippen merkwaardige term. ‘Zogenaamd’ links is beter te begrijpen. Het zelfde geldt voor ‘zelfbenoemd’ Ultralinks in de eerste alinea’s van het artikel (deel 1). Maar niet slechts de term is vreemd, de redenering die eromheen wordt opgevoerd is zo krom dat deze sterk lijkt op die van sommige trotskisten*). Waarom niet duidelijk Links en Ultralinks van begin af aan veroordelen als deel van de burgerlijke klasse, wat ze volgens FD ook zijn? Zie de volgende twee zinnen:

  • Anderzijds is een dergelijke stap gewoon onmogelijk, aangezien dit ‘links’ gezien zijn aard onmogelijk een dergelijke perspectief kan bieden en het in feite aan de andere kant staat.” en is het:
  • “… steeds meer gericht op het in stand houden van het systeem, is het in feite uitgegroeid tot de beste ‘bolwerk’ tegen elke aanval door de producerende klasse, compleet met een toegenomen racisme.

Maar in vele andere zinnen wordt aan Links de taak toegeschoven om op te komen voor de belangen van de arbeiders, in dit geval met name de immigranten in de ‘banlieus’, of zelfs de eenheid van de arbeiders:

  • Links was ongevoelig om ook maar iets toe te geven in de richting, zelfs in een reformistische zin, van welke economische eisen dan ook die in het voordeel waren van het proletariaat in het algemeen, of immigranten in het bijzonder“.
  • “Dit is nog een verraad door links dat vele tientallen jaren geen alternatief meer heeft geboden voor de kapitalistische samenleving.”

  • “De werkelijke oorzaak lag in de scheiding tussen het proletariaat van Franse en dat van allochtone afkomst aan de ene kant, en aan de andere kant het zogenaamde links.”

  • “… dit zogenaamde links het absolute vacuüm heeft gecreëerd in politieke zin door de jonge arbeidsimmigranten elk revolutionair perspectief te onthouden.”
  • “het heeft eenheid van de arbeiders en de mogelijkheid van de heropleving van de klassenstrijd tegen het kapitalisme, tegen de oorlogen en tegen het barbarendom voorkomen”.

Hier komt de verborgen boodschap van al deze kronkelredeneringen naar voren. FD brengt herhaaldelijk een ‘vals’ communisme en een ‘zogenaamd’ Links en een ‘zelfbenoemd’ Ultralinks naar voren die allemaal niet doen wat de schrijver van hen verwacht en wat… hij uiteindelijk niet van hen blijkt te verwachten. Dat is namelijk de Partij te zijn, die hij ziet als de voorwaarde is voor het revolutionair worden van de arbeidersstrijd.

Met weemoed lijkt FD terug te blikken op de oude arbeidersbeweging, de Sociaal-Democratie van vóór de Eerste Wereldoorlog. Zeker vindt de ICT dat de socialistische partijen in 1914 naar het burgerlijke kamp zijn overgegaan door hun steun aan de oorlog, net zoals na hen de communistische partijen sinds de stalinisering en de trotskisten met hun kritische verdediging van de gedegenereerde ‘arbeidersstaat’ in de Tweede Wereldoorlog. Het voormalige proletarische bestaan  van deze  partijen was inderdaad gunstig voor de ontwikkeling van het bewustzijn in de arbeidersstrijd zelf, een belangrijk punt dat de ICT tegenover de super-leninistische ‘bordigisten’ van Programma Comunista heeft verdedigd.

Het bestaan van de Partij als meest bewust minderheid van de arbeidersklasse is niet uitsluitend als voorwaarde voor de revolutie te zien, de Partij is tegelijkertijd het resultaat van de bewustzijnsontwikkeling binnen de gehele arbeidersklasse. De ICT lijkt in sommige teksten inderdaad een dialectische ontwikkeling binnen de klasse, parallel aan een dialectiek tussen de klasse en haar meest bewuste minderheden te zien. Daarom mag de Partij, als een organisatie die weliswaar grote aantallen klassenbewuste arbeiders omvat, maar die nog steeds een minderheid is ten opzichte van de massa van het proletariaat, niet voortijdig worden opgericht, zoals in Italië op het einde van de Tweede Wereldoorlog gebeurde. De ICT houdt tegenwoordig meer rekening met de actuele situatie, in tegenstelling tot de ‘bordigisten’ van Programma Comunista.  De ICT wil wel zo goed en zo helder mogelijk als deel van onze klasse het ‘bewuste zijn’ van de klasse onder woorden brengen en in de klasse verspreiden. Tegelijketijd wordt de oprichting van de partij in een later stadium voorbereid.

Toch zien we ook restanten van ‘het nieuwe Blanquisme‘ in de ICT, met name in haar brochure Class Consciousness and Revolutionary  Organisation, waar ze opmerkt dat alleen arbeiders die hebben gekozen voor een georganiseerd bewust alternatief voor het kapitalisme in staat zijn om de revolte naar een nieuwe maatschappij te leiden (p. 52). Daarbij wordt herhaaldelijk benadrukt dat de massa van de arbeiders pas na de revolutie tot een revolutionair bewustzijn komt en dat arbeidersstrijd op zich (wat dat ook moge zijn) beperkt blijft tot vakbondsstrijd en ‘reformisme’. De Partij als revolutionaire minderheid van de arbeidersklasse wordt opgevoerd als wondermiddel om deze patstelling te doorbreken. Dat is inderdaad het door Anton Pannekoek in 1920 bekritiseerde nieuwe Blanquisme. 

Het is waar dat het tegenwoordig in tegenstelling tot staatssocialistische periode ontbreekt aan grote aantallen revolutionair gezinde arbeiders. Het miniscule karakter van de organisaties van revolutionairen is echter niet op te lossen met nostalgie, noch met  de ‘onvermoeibare propagandistische arbeid’ die Pannekoek voorstelde. De situatie van voor 1914 zal nooit meer terugkomen. Daarentegen zal de arbeidersklasse op hoogtepunten van de strijd zelf de vormen van organisatie scheppen voor massale discussies en ontwikkeling van het revolutionaire bewustzijn op massale schaal. De ICT doet dit idee van Rosa Luxemburg op blz. 27 af als een mythe en zelfs als ‘religieus’ omdat deze massa-organisaties tijdelijk van aard zijn en de partij permanent. Het probleem met de ICT is dat zij niet begrijpt dat wanneer massale discussies leiden tot een kritische reflectie op de eigen strijdervaringen, de resultaten daarvan in het bewustzijn verankerd worden en tijdens een volgende strijdbeweging weer tevoorschijn komen in een verdere ontwikkeling van de strijd en van het bewustzijn. Binnen die beweging speelt een partij inderdaad een wezenlijke rol, maar nooit ter vervanging van die beweging.

De vertaler, Fredo Corvo

_____

*) Bijvoorbeeld “… dat een rechtse partij, beleid voert dat ten goeden komt aan het bedrijfsleven, met name de klasse der kapitalisten. Dat de PvdA hun steunt kunnen veel arbeiders nog steeds niet geloven. Hoe komt dat? Na 30 jaar moet toch duidelijk worden dat de Partij van de Arbeid, de werkende klasse verraden heeft? Probleem is dat er geen socialistisch alternatief bestaat op de sociaal democratie.” 70 jaar PvdA verraad 10 FEBRUARI 2016 / Jorein Versteege.

Advertenties
Partij- of massabeweging?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s