De arbeidersraden in Duitsland 1918-23 (deel 1)

1 Novemberrevolution Berlin

‘Aan emancipatie denken’, een eeuw na de wereldwijde revolutionaire golf die in 1917 begon, is het in twijfel trekken van het begrip emancipatie zelf. Wie is het subject van deze emancipatie en wie emancipeert wie, in een strijd die allesbehalve een ideologisch spel tussen vier muren is. Deze emancipatie vindt haar oorsprong in de arbeidersklasse (van hoofd en hand). Ze kan niet worden gelijkgesteld met een “strijd van het volk”, waarvan het “Doel” nationaal en patriottisch zou zijn. Aan emancipatie denken in [2018] is terugblikken op de grote proletarische revolutionaire opstanden in Rusland en Duitsland en er aan het begin van het derde millennium lering uit trekken. Daarbij is de revolutie in Duitsland van 1918 tot 1921 een essentiële mijlpaal, omdat ze de vraag opwierp naar de organisatievormen van een revolutionaire klassenstrijd: arbeidersraden, Arbeiterunionen, revolutionaire fabrieksorganisaties, fabriekscomités of actiecomités. Net als de Russische Revolutie stelde zij – weliswaar in mindere mate, bij gebrek aan een echte machtsovername – de kwestie van de socialisatie van de productiemiddelen aan de orde, en dus van de afschaffing van het kapitalistische systeem gebaseerd op winst.

De massale opstand van november 1918

Net als in Rusland in 1905 na de nederlaag tegen Japan, en opnieuw in februari 1917, waren de raden die in Duitsland ontstonden het product van oorlog, meer bepaald militaire nederlagen die een machtsvacuüm creëerden. Een artikel van Liebknecht, gepubliceerd na 9 november 1918, geeft een perfecte samenvatting van deze situatie van interne ineenstorting, waar de massa’s arbeiders en proletariërs in uniform zich in een stroomversnelling zullen storten:

“De overwinning van de massa’s arbeiders en soldaten was niet zozeer te danken aan hun slagvaardigheid, maar aan de interne ineenstorting van het vorige systeem; de politieke vorm van de revolutie was niet alleen een proletarische actie, maar ook de vlucht van de heersende klassen voor hun verantwoordelijkheid voor de gang van zaken; de vlucht van de heersende klassen die, met een zucht van verlichting, de liquidatie van hun faillissement aan het proletariaat overlieten, in de hoop op deze manier te ontsnappen aan de sociale revolutie, waarvan de eerste blikseminslag hen het koude zweet op het hoofd brengt”. (1)

Deze raden zijn vergaderingen van arbeiders, maar ook van soldaten die – net als in Rusland – een einde willen maken aan de oorlog. Ze zijn de uitdrukking van een veralgemeende opstand van arbeiders die honger lijden en uitgeput raken door de militarisering van het dagelijks leven, wat tot uiting komt in herhaalde stakingen in de belangrijkste sectoren van de industrie, meer en meer in een revolutionaire geest: stakingen in april 1917 (300.000 arbeiders in Berlijn) en januari 1918 (1 miljoen stakers in het Reich). Tijdens deze strijd waren de keizerlijke macht en de sociale democratie eensgezind: “Wie gaat staken terwijl onze legers tegenover de vijand staan, is een hond” (Generaal Groener). (2) Op 31 januari 1918 vertelde Ebert, leider van de SPD, aan de stakers van een Berlijnse fabriek dat ze “de plicht hadden om hun broers en vaders aan het front te steunen en hen van de beste wapens te voorzien”. (3) Hij werd onderbroken door kreten van “stakingsbreker” en moest zich snel terugtrekken. De SPD moest wachten tot 4 oktober 1918 vooraleer zij betrokken werd bij de oorlogsinspanningen [door deelname aan de regering]. Prins Max von Baden, benoemd tot Rijkskanselier, vormde een coalitieregering bestaande uit de bourgeois-democraten en de sociaal-democraten Friedrich Ebert, Gustav Bauer en Philipp Scheidemann.

Het was echter de opstand van de zeelieden van Kiel (4 november 1918) aan de Oostzee die de val van het keizerlijke regime veroorzaakte. Bijna zonder schot namen de zeelieden de macht in handen en kregen ze de steun van de arbeiders van Kiel, die samen arbeiders- en soldatenraden vormden. Gustav Noske, die zichzelf later “bloedhond” (“Bluthund”) van de contrarevolutie noemde, werd door Max von Baden, de nieuwe kanselier, gestuurd om de leiding van de beweging op zich te nemen en deze snel te smoren, voordat het leger Kiel in de as legde.

Het is al te laat, want binnen enkele dagen ziet het land de opkomst van arbeiders- en soldatenraden. Er zullen er 10.000 zijn. Duitse steden zijn bedekt met rode vlaggen en mensen stromen in massa’s door de straten en zingen de Internationale. Het was een soort geest van [19]48 (4), waar “iedereen zwom in wederzijds vertrouwen”, “festivals van vriendschap”, kortom “een universele verbroedering van de klassen”. (5)

Soms was het zelfverheerlijking, waarbij verbaal radicalisme het gebrek aan een echt revolutionair initiatief nauwelijks verborgen hield. In een stad als Hamburg verkondigde Die Rote Fahne, de krant van de door Paul Frölich opgerichte raden: “Dit is het begin van de Duitse revolutie, de wereldrevolutie! ….. Lang leve de wereld van het bolsjewisme!” (6) Maar in Hamburg wordt de macht van de aristocratische senaat nooit in twijfel getrokken. De meest “radicale” elementen, zoals Laufenberg en Wolffheim – in 1919-1920 de theoretici van het “nationaal bolsjewisme” – drongen aan op gematigdheid, vermeden elke oproep tot gewapende strijd, keurden het idee van een Nationale Vergadering goed en verklaarden zich dan plotseling “anti-parlementariërs”. (7)

Vanaf het allereerste begin domineerde een grote politieke verwarring de raden van arbeiders en soldaten, zelfs onder hun meest radicale elementen. In zijn memoires geeft een radicale zeeman op het schip Helgoland een idee van het bewustzijnsniveau van de arbeiders en proletariërs in uniform: “Teken onmiddellijk de vrede. Stuur soldaten en zeelieden naar huis. Benoem Scheidemann tot kanselier en Liebknecht tot minister van Oorlog”. (8)

Dubbele macht – Een steeds ongelijker machtsverhouding

Op het eerste gezicht was er een dubbele macht: de raden van arbeiders en soldaten aan de ene kant, de nieuwe regering aan de andere kant: Kanselier Ebert, die een coalitie leidde die gedomineerd werd door socialistische partijen, de SPD en de “Onafhankelijke Partij”, de USPD die zich onlangs van de eerstgenoemde had afgesplitst (1917). Het programma is duidelijk contrarevolutionair. Ebert verklaarde in een geheim gesprek met Prins Max von Baden dat de “sociale revolutie” voor hem de hel van de verdoemden oproept: “….Ik wil haar niet, ja, ik haat haar als zonde”. (9)

Om het voortouw te nemen in de raden, weten de meerderheidssocialisten van de SPD hoe ze de touwtjes in handen moeten nemen, vooral in de werkende massa’s, die de ijdele hoop op een “universele verbroedering van de klassen” koesteren. Karl Liebknecht – die op 9 november weigerde als gijzelaar deel te nemen aan de socialistische regering – waarschuwde de 1.500 afgevaardigden van de raden van arbeiders en soldaten die de dag erna bijeen waren gekomen in het Circus Busch in Berlijn: “De contrarevolutie is al aan de gang, ze is al in actie, ze is in ons midden!” (10) Sommige soldatenafgevaardigden, die bijna allemaal door de sociaal-democratie werden benoemd, bedreigden Liebknecht met hun wapens…..

De soldatenraden, gemanipuleerd door de SPD, bezetten de begane grond met hun wapens, terwijl de arbeidersraden bescheiden met de tribune genoegen namen. Al snel viel de meerderheid van de raden in handen van de sociaal-democratie, die haar functionarissen (SPD en vakbonden) meestal zonder verkiezingen installeerde. In Keulen bijvoorbeeld vormden de lokale leiders van de SPD en de USPD op 8 november in een vergadering door simpele toewijzing. Hetzelfde geldt voor Kassel, waar de raad en zijn uitvoerende macht (het actiecomité) worden gevormd na discussies achter de schermen tussen de twee sociaal-democratische partijen en de vakbonden. Soms worden er raden opgericht met burgerlijke partijen – zoals het katholieke Zentrumspartei in het Ruhrgebied. Wanneer raden worden gekozen, gebeurt dit op basis van kieskringen, waarin notabelen de boventoon voeren. Dat is het geval in Dresden, waar de SPD bijna de hele koek voor haar rekening neemt. Dit leidde tot de snelle terugtrekking (op 16 november) van de IKD (internationalistische communisten) onder leiding van Otto Rühle, die van mening was dat de hele echte beweging zich nu in de straten en in de fabrieken bevond.

De piramide van de raden wordt omgekeerd: de door de staat erkende vakbonden, dankzij de SPD aan de macht, zien hun invloed van onderop toenemen, waardoor de lokale raden, gedomineerd door de meest radicale [elementen], worden verdronken in regionale raden.

In de grote regionale centra is deze overname echter niet eenvoudig. De Raad van Bremen verbiedt elke vergadering of demonstratie ten gunste van het herstel van de Senaat. De raden richten hun eigen strijdkrachten op, zoals in Frankfurt, Düsseldorf, Hamburg. In Braunschweig (Brunswijk) wordt de Socialistische Republiek op 9 november uitgeroepen en bewapent zich met een rode garde van 1.000 leden. Hetzelfde geldt voor Bremen, waar de Radenrepubliek enkele dagen later, op 15 november, werd opgericht. In industriële centra worden embryo’s van rode gardes gevormd van Halle tot Berlijn. In deze laatste stad mislukte de poging van de Spartakisten om een Rode Garde te creëren, genaamd de Unie van Rode Soldaten (Roter Soldatenbund): ze demonstreerde slechts in november en december. Liebknecht, die zich bezighoudt met de ‘militaire kwestie’, vertrouwt op de politiepresident Eichhorn, een linkse USPD-er die over troepen beschikt, en op de Volksmarinedivisie (Volksmarinedivision). Deze laatste is zeer radicaal, maar ze ontvangt een salaris. Tijdens de gevechten van januari 1919, na in december zware verliezen te hebben geleden tegen de troepen van generaal Lequis, verklaarden de matrozen zich “neutraal” om hun loon te blijven ontvangen.

Het Koninkrijk Beieren is een bijzonder geval. De zeelieden van de Oostenrijks-Hongaarse haven van Pula (Istrië), die ook in opstand waren, kwamen zeer snel in München aan, waar hun vastberaden aanwezigheid het verzet van het Beierse leger neutraliseerde. Op 8 november roept de pacifistische Onafhankelijke Kurt Eisner, benoemd tot premier, met de steun van de raden de Republiek uit en de oprichting van de Vrije Volksstaat Beieren (Freier Volksstaat). Het privé-eigendom blijft behouden. Zij streeft naar een (zeer ‘socialistische’) ‘synthese’: Parlement en raden, als organen van een verenigde macht. Maar de Spartakisten (nu communisten genaamd) zijn voorstander van het boycotten van de verkiezingen, net als de revolutionaire arbeidersraad, met Erich Mühsam als een van zijn leiders. Op 10 januari 1919 laat Eisner twaalf leden van de Communistische Partij en de revolutionaire arbeidersraad arresteren, waaronder Max Levien (KPD) en Mühsam (anarchist). Een spontane demonstratie leidt tot hun vrijlating. De SPD krijgt de meerderheid in de Landtag en op 23 februari 1919 wordt Eisner tijdens zijn aftreden vermoord door een rechtsextremist. Een andere pagina wordt in april 1919 opengeslagen, zeer verward, namelijk die van de Radenrepubliek Beieren, die enkele weken later, op 1 mei, ook snel werd verpletterd.

Zoals een boek over ‘de communistische linkerzijde in Duitsland’ opmerkt, is de studie van een revolutionaire periode niet het verzinnen van een nieuwe ‘mythologie’, waar partijen en raden altijd ‘revolutionair’ zouden zijn: “….. De ‘radenvorm’ is niet minder een mislukking dan de ‘partijvorm’. Toch spreken radenisten ook vandaag nog, in navolging van de Leninisten, over de raad alsof deze altijd een revolutionaire raad zou zijn, terwijl dit laatste een uitzondering vormde binnen de Duitse Revolutie”. (11)

Het is juist deze zwakte van de revolutie, waar radicalisme van meet af aan de uitzondering is, die de nieuwe sociaal-democratische macht in staat stelt om een populistische taal te handhaven. Alle macht moet naar het “hele volk” gaan, kortom naar de natie, en wordt niet overgedragen aan de arbeidersraden. Op 13 november heeft de hoofdredacteur van de Vorwärts, het centrale orgaan van de SPD, een duidelijke uitspraak gedaan. De ‘overwinning’ van november zal niet die van de ‘dictatuur van het proletariaat’ zijn; de macht zal de vorm aannemen van een ‘volksdemocratie’: “Hun overwinning zal stralen naarmate duidelijker tot uitdrukking komt dat het niet om een overwinning van geweld gaat, maar om een overwinning van het universele democratische volkrecht, dat de arbeiders en soldaten het voor het hele volk hebben gewonnen”. (12)

De grondwetgevende vergadering begraaft de raden. De nederlaag van januari 1919 en de moord op Luxemburg en Liebknecht

De “macht van de Arbeiterräte” (gelijk aan sovjets) zou dus snel plaats maken voor een grondwetgevende Nationale Vergadering, die als “democratisch” wordt omschreven. Alle rechtse en centrale partijen – waarvan het motto voorheen “Voor God, voor de koning en het vaderland” was – verkondigen zichzelf van de ene op de andere dag “populair”, zelfs “republikeins” en “democratisch” (Nationale Duitse Volkspartij, Duitse Volkspartij, Christendemocratische Partij, Duitse Democratische Partij) en eisen verkiezingen via algemeen kiesrecht. (13) Sinds 10 november heeft Ebert de situatie verduidelijkt: zo snel mogelijk zou er een grondwetgevende vergadering worden gekozen die een einde zou maken aan de “regering van volkscommissarissen”. En in een onderonsjes met generaal Groener verklaart Ebert op dezelfde dag dat dit het einde van het bolsjewisme zal zijn. (14)

Tegen de verkiezing van een grondwetgevende vergadering, die zal worden goedgekeurd door een Uitvoerend orgaan van de raden (de “Vollzugsrat”) die Rosa Luxemburg kwalificeert als een “sarcofaag van de revolutie”, (15) zijn alle revolutionaire tendensen het eens. Als er een Parlement komt, dan is het dat van de raden alleen, de echte proletarische democratie tegen de illusoire burgerlijke democratie:

“De vraag die de geschiedenis op de agenda heeft gezet is: burgerlijke democratie of socialistische democratie. Omdat de dictatuur van het proletariaat democratie is in de socialistische zin van het woord…. Zonder de bewuste wil en bewuste actie van de meerderheid van het proletariaat kan er geen sprake zijn van socialisme! Om dit bewustzijn aan te scherpen, om deze wil te verharden, om deze actie te organiseren, hebben we een klassenorgaan nodig: het soevereine parlement van het stedelijke en landelijke proletariaat. De bijeenroeping van zo’n vergadering van arbeidersvertegenwoordigers, in plaats van de Nationale Vergadering van de burgerlijke revoluties, is op zich al een daad van klassenstrijd, een breuk met het historische verleden van de burgerlijke samenleving, een krachtig instrument van agitatie van de proletarische volksmassa’s, een eerste open en onverbiddelijke verklaring van oorlog tegen het kapitalisme. Geen excuses, geen dubbelzinnigheden – de teerling moet worden geworpen. Het parlementair kretenisme was gisteren een zwakheid, vandaag is het een dubbelzinnigheid, morgen zal het een verraad zijn aan het socialisme”. (16)

De linkse Onafhankelijken die een typisch “centristisch” spel spelen, gevangen tussen hun proletarische basis, gevoelig voor Spartakistisch radicalisme, en hun leiderschap dat naar de regering wordt gedreven, (17) kunnen de zelfmoord van de raden niet garanderen. Een van de leiders van de revolutionaire afgevaardigden (“Revolutionäre Obleute”), Richard Müller, voorzitter van de Berlijnse Arbeiders- en Soldatenraden, die een belangrijke rol had gespeeld in de illegale stakingen in de Berlijnse metaalnijverheid van 1916 tot 1918, verklaarde dat hij bereid was zijn leven te riskeren om de raden te verdedigen. In zijn activiteitenverslag dat hij op 19 november in Circus Busch presenteerde, verklaarde hij: “We moeten onze macht behouden, zo nodig met geweld. Wie de Nationale Vergadering wil, dwingt ons te strijden. Ik verklaar openlijk: Ik heb mijn leven op het spel gezet voor de revolutie en ik zal het opnieuw doen. Een nationale vergadering is een weg naar de burgerlijke heerschappij, een weg naar de strijd; de weg naar een nationale vergadering zal over mijn dode lichaam gaan! (18)

De grondwetgevende vergadering, alvorens zich op 6 februari 1919 in het grote theater van Weimar te installeren, ging niet over het lijk van Richard Müller – ironisch door zijn politieke vijanden bijgenaamd “lijken-Müller” (“Leichen-Müller”) – maar over dat van duizenden arbeiders, en in het bijzonder van de Spartakistische leiders, zoals Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht in januari 1919, en Leo Jogiches twee maanden later.

De “zelfmoord” van de Raden, geprogrammeerd sinds 10 november, zal in twee fasen worden uitgevoerd door middel van geweld en manipulatie.

In de eerste plaats moest de regering milities hebben, vooral omdat de linkse Onafhankelijke Emil Eichhorn, die dicht bij Karl Liebknecht stond, in het hoofdkwartier van de Berlijnse politie (“Kommandantur”) een arbeidersveiligheidsdienst had gevormd, waarvan twee derde bestond uit vrijwilligers, het andere derde uit politieagenten die verbonden waren aan de Raden. (19)

Op 17 november vormden de sociaal-democraat Otto Wells, commandant van de stad Berlijn, en de militaire gouverneur Fischer, een korps van republikeinse soldaten, gefinancierd door de “donaties” van grote industriëlen. Ze botsten al snel militair met de revolutionaire linkerzijde. Maar niet betrouwbaar genoeg (vanwege hun arbeidersherkomst) richtte Ebert in december met de hulp van Noske, zijn “verbindingsofficier” bij de generale staf, het Freikorps (vrije korps) op. Dit korps van soldaten werd gerekruteerd uit de aanvalstroepen en monarchistische officieren, werd royaal betaald en werd al snel de “Noske Garde” genoemd. De Vorwärts publiceerde, zoals alle burgerlijke pers, betaalde advertenties om “vrijwilligers” aan te werven, vaak van stoottroepen, echte huurlingen betaald door het regime.

Om de contrarevolutionaire krachten legitimiteit te geven, moesten de afgevaardigden in de raden al hun bevoegdheden overdragen aan de regering en de grondwetgevende vergadering. Het All-Duitse Congres van Raden (gedomineerd door SPD en vakbondskaders), dat van 16 tot 21 december in Berlijn bijeenkwam, gaf de ‘Raad van Volksafgevaardigden’ de volledige macht. Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht kunnen hun stem niet laten horen. De linkervleugel van de USPD eist alleen dat de Raden ‘hun plaats’ krijgen in de grondwet die in 1919 moet worden aangenomen.

Daarna werd de weg vrijgemaakt voor de wettelijke liquidatie van de revolutie, en in de eerste plaats in Berlijn. Ebert gebruikt zowel provocatie als geweld. Op 23 december blokkeerde de regering de beloning van de matrozen van de Volksmarinedivisie. In antwoord daarop gijzelen zij de SPD-directeur Otto Wells en [vervolgens] worden zij door de troepen van generaal Lequis met kanonnen aangevallen. De radicalen omringen de troepen van Lequis, die zich moeten overgeven. De arbeiders bezetten het redactiebureau van de Vorwärts, dat enkele dagen lang de zetel van de Rote Vorwärts zal zijn. Onder druk van de straat en van de revolutionaire, linkse afgevaardigden van de USPD treden de ‘volksafgevaardigden’ van de USPD op 29 december terug. Zij worden onmiddellijk vervangen door drie afgevaardigden van de SPD, waaronder Noske. Op dezelfde dag, aan de vooravond van het oprichtingscongres van de KPD, verzamelt Noske de Freikorpse voor de laatste aanval. (20) De burgerlijke pers, die nooit verboden werd, en de Vorwärts hetzen tegen de Spartakistische “terroristen”; overal worden affiches geplakt: “Dood Liebknecht! ” (“Tötet Liebknecht!”).

De provocatie van de SPD vindt plaats op 4 januari 1919. De onafhankelijke politiecommissaris Eichhorn wordt ontslagen, terwijl Ebert en Noske zes extreemrechtse vrijwilligerskorpsen inspecteren. De volgende dag reageert een menigte van 700.000 mensen op de oproep van de Onafhankelijken, de revolutionaire afgevaardigden en de KPD om te demonstreren. In hun enthousiasme, nadat de Vorwärts bezet was door gewapende arbeiders, roept een 53 leden tellend tripartiet gezamenlijk revolutionair comité op tot een algemene staking op 7 januari, voor “de macht van het revolutionaire proletariaat” en vervolgens voor de “afzetting van de regering Ebert – Scheidemann”. De Spartakistische leiding, die niet was geraadpleegd over dit initiatief van Karl Liebknecht (maar ook Wilhelm Pieck) en het USPD-lid Georg Ledebour, was tegen een opstand. De linkse Onafhankelijken, uit de regering verdreven, gingen zonder overgang van zuiver pacifisme tijdens de oorlog over tot putschisme…..

Terwijl de USPD opnieuw probeerde te onderhandelen met de regering, toonde het tripartiete comité de ergste incompetentie, zonder echt plan voor een machtsovername en zonder echte machtsmiddelen. De Volksmarinedivisie blijft neutraal; op 9 januari roept een gezamenlijke vergadering van grote Berlijnse fabrieken op tot de vorming van een SPD-USPD-KPD coalitieregering.

Het resultaat van deze besluiteloosheid is bekend. Met de hulp van twee extra sociaal-democratische regimenten hebben de Freikorpse gemakkelijk gezegevierd en op alles geschoten. De Vorwärts, overgenomen door de Freikorps, riepen op tot de moord op Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht. Na hun arrestatie, uitlevering aan de Gardenschützendivision in het hotel Eden en vermoord in de nacht van 15 januari, beweerde de Vorwärts op 17 januari dat Luxemburg “gelyncht werd door een menigte” en dat Liebknecht door zijn “bewakers” was doodgeschoten bij een “vluchtpoging” op weg naar de gevangenis. Er bestaat echter geen twijfel over dat de moord telefonisch werd bevolen door Gustav Noske. Op de vraag van generale stafmedewerker Pabst “Wat te doen met Spartakistische leiders” antwoordde Noske dat het “aan hem [Pabst] is om de verantwoordelijkheid te nemen voor wat er gedaan moet worden”. (21)

In februari 1919 was het totale aantal arbeiders dat door de contrarevolutie om het leven kwam al ver boven het dodental van de Russische Revolutie in 1917.

(Einde van deel 1)

Philippe Bourrinet, 12 september 2017
Bron: Les conseils ouvriers en Allemagne 1918-23 (Controverses no. 5, Frans, mei 2018)

Vertaling van het frans in het engels en proeflezing door Jac. J. en F.C., 6 november 2018.
Vertaling van het engels in het nederlands F.C., 12 november 2018

Deze vertaling bevat enkele correcties op het Franse origineel, als gevolg van het terugvinden van citaten uit Duitse taalbronnen.

Toevoegingen tussen vierkante haakjes door de vertalers.

Noten

1 Liebknecht, “Das, was ist”, Die Rote Fahne Nr.6, 21 november 1918.

2 Geciteerd door P. Broué, Révolution en Allemagne 1917-23, Éd. de minuit, Parijs, 1971, p.103. The trades unions tuned in. The Vorwärts of 27 April 1917 launched an appeal to put an end to the strikes: “(…) At the present hour work stops are to be avoided; preservation and security of the Reich come first. After all demonstrations by the opponents of Germany there is no doubt with politically mature people that not a diminishing but only an augmentation of Germany’s capacity of resistance can bring us a rapid peace.” [From the front page article “The Trade Unions to the Armament Workers. Work Stops are to be avoided! – A Warning Call by the Trades Unions”]

3 Broué, id.

4 Verwijzend naar de bourgeoisrevoluties van 1848 in Europa (noot van de vertaler).

5 Broué, id.

6 Paul Frölich, Rudolf Lindau, Albert Schreiner & Jakob Walcher: Illustrierte Geschichte der deutschen Revolution (1929), Verlag Neue Kritik, Frankfurt, 1970, p. 192.

7 Paul Frölich, Autobiografie 1890-1921, Science marxiste, Montreuil-sous-Bois, 2011, p. 180.

8 Geciteerd door Gilbert Badia, Histoire de l’Allemagne contemporaine, Messidor, Parijs, 1987, p. 80.

9 Prins Max von Baden, Erinnerungen und Dokumente, Deutsche Verlags-Anstalt Stuttgart, 1928, p. 600.

10 Jakov Drabkin, Die Novemberrevolutie 1918 in Deutschland, Dietz, Berlijn 1968, p. 166.

11 Gilles Dauvé en Denis Authier, De communistische linkerzijde in Duitsland 1918-1921. Herziene Engelse editie, 2006, Ch. 5: De “November Revolutie” van 1918, p. 69.

12 Friedrich Stampfer, “Die Reichsregierung und die Arbeiter- und Soldatenräte”, Vorwärts, Berlijn, 13 november 1918. (Nadruk in het origineel). Het artikel stelt “proletarische dictatuur” gelijk aan de heerschappij van “geweld”, verwijzend naar de “Russische chaos”. [noot van de vertaler].

13 Broué, ibid., p. 169-170.

14 “The officer’s corps expects the government to combat Bolshevism, and puts itself at the disposition of the government for this.” Ebert replied favorably to this wish of Hindenburg and demanded general Groener to “transmit the thanks of the government to the Marshall.” (Quoted by Harman, op. cit., p. 81, our translation).

15 In Vom Kaiserreich zur Republik, Band II: Die Novemberrevolution. Malik Verlag, Wien, 1925, Ch. XIII: Was der Vollzugsrat war, Richard Müller relates the following esteem of the councils’ Vollzugsrat by Rosa Luxemburg: “The executive of the united councils of Russia is – one may cry against it to one’s likening – certainly something different from the Berlin executive. The former is the head and brain of a tremendous revolutionary proletarian organization, the latter the fifth wheel on the wagon of a crypto-capitalist government clique; (…) the former is the living body of the revolution, the latter its sarcophague.” (p. 160)

16 Onze nadruk, in Rosa Luxemburg, “Nationalversammlung”, Die Rote Fahne nr. 5, Berlijn, 20 november 1918. Bron: Gesammelte Werke, Dietz Verlag Berlin, 1983, Band 4, p. 409/410. In het citaat van Broué, op. Cit., zijn de laatste zinnen over “parlementair kretinisme” weggelaten.

17 Hugo Haase, Wilhelm Dittmann Emil Barth zijn de drie volkscommissarissen van de “Zelfstandigen” (USPD), op gelijke voet met Friedrich Ebert, Philipp Scheidemann en Otto Landsberg (SPD).

18 Richard Müller, Vom Kaiserreich zur Republik, Band II: Die Novemberrevolution. Malik Verlag, Wien, 1925, Ch. IX: Demokratie oder Diktatur, p. 84; uit de stenografische notulen van de vergadering.

19 Chris Harman, The Lost Revolution: Germany 1918-23 (London, 1997; Chicago, Haymarket Books, 2017.)

20 In het zogenaamde “Dolchstoß-Prozeß” te München beschreef generaal Groener het akkoord van Ebert met de generale staf in oktober 1925 onder ede als volgt: “Op 29 december heeft Ebert Noske opgeroepen om de troepen te leiden tegen Spartakus. Op de 29e kwamen de vrijwillige eenheden bij elkaar en kon de strijd beginnen”. (Bron: Paul Frölich, Rosa Luxemburg. Gedanke und Tat, 4e Duitse editie, E.V.A., Frankfurt am Main, 1967, laatste hoofdstuk: “Der Weg zum Tode”, p.333.)

21 Klaus Gietinger, Der Konterrevolutionär. Waldemar Pabst – eine deutsche Karriere, editie Nautilus / Verlag Lutz Schulenburg, Hamburg 2009, Dokument 5, S. 396f. Ook: “Die Spur der Mörder führt in die Reichskanzlei. Rekonstruktion einer Bluttat vor 80 Jahren. Zum Gedenken an Karl und Rosa” (Gietinger, bron: Neues Deutschland, 9/10 januari 1999.)

Inhoud van deel 2:

  • Verdwijnen van de raden. Oprichting van Arbeiterunionen en organisaties van werklozen.
  • De laatste revolutionaire opstanden: het Ruhrgebied 1920. Rode leger- en arbeidersraden.
  • Maart 1921 – oktober 1923. Van staatsgreep naar staatsgreep. Van de verheerlijking van de wereldrevolutie tot het aanwakkeren van het nationale sentiment.
Advertenties
De arbeidersraden in Duitsland 1918-23 (deel 1)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s