De fatale mythe van de burgerlijke revolutie in Rusland (2/3)

Een kritiek op Wagners ‘Stellingen over het bolsjewisme

Het proletarisch internationalisme van de bolsjewiki, ook al vond Wagner dat niet belangrijk

zasulich-vera
Vera Sassulitsch (1849–1919)

In verband met de internationale aspecten van een revolutie in Rusland, is het interessant om te zien hoe Marx en Engels in hun voorwoord bij de Russische uitgave van 1882 van het Communistisch Manifest bovenstaande vraag van Sassulitsch beantwoordden:

“Het enige antwoord hierop, dat vandaag de dag mogelijk is, is het volgende: Wordt de Russische revolutie het signaal voor een proletarische revolutie in het Westen, zodanig dat beide elkaar aanvullen, dan kan de huidige gemeenschappelijke grondeigendom als uitgangspunt van een communistische ontwikkeling dienen.” [11]

Marx en Engels lijken hier de mogelijkheid naar voren te brengen dat Rusland het stadium van de burgerlijke revolutie zou kunnen overslaan, om redenen die we al hebben gezien. Ze koppelen deze mogelijkheid van een overgang naar het socialisme (of communisme, deze termen hadden dezelfde betekenis) aan de voorwaarde van de overwinning van een socialistische revolutie in Europa. In 1850 had Marx voor het achterlijke Duitsland een soortgelijke internationale strategie voorgesteld [12]:

“Hoewel de Duitse arbeiders niet zonder een zeer langdurige revolutionaire ontwikkeling aan de macht zullen kunnen komen en haar klassenbelangen zal realiseren, kunnen ze er deze keer wel zeker van zijn dat de eerste acte van het aanstaande revolutionaire drama samen zal vallen met de directe overwinning van haar eigen klasse in Frankrijk en daardoor versneld zal worden.
Maar zelf zullen zij het meeste moeten bijdragen aan hun uiteindelijke overwinning, door zichzelf bewust te maken van hun eigen klassenbelang, door zo snel mogelijk een politiek onafhankelijke positie in te nemen, door zich niet bij de neus te laten nemen door de huichelachtige frasen van de democratische kleinburgerij dat een onafhankelijke arbeiderspartij overbodig is. Haar strijdkreet moet zijn: “De permanente revolutie!” [13]

Deze dubbele strategie mislukte omdat de burgerlijke revolutie in Duitsland faalde en omdat het proletariaat in Frankrijk er niet in slaagde in de revolutie de overhand te krijgen op de Franse bourgeoisie en een socialistische revolutie zelfs maar op gang te brengen. Omdat de bolsjewiki bijna 70 jaar later de strategie van Marx en Engels als model voor hun dubbele of permanente revolutie namen, en met name de Stalinisten hun partijpolitiek legitimeerden met een verwijzing naar de periode van het Communistisch Manifest, is het interessant deze parallel nader te onderzoeken aan de hand van een artikel uit 1948 van de radencommunistische theoreticus Willy Huhn.

Voor Duitsland voorzag de Bond van Communisten, de revolutionaire minderheid die opdracht had gegeven tot het schrijven van het Manifest, dat de Duitse bourgeoisie uit zwakte ten opzichte van de adel en uit angst voor de al opkomende arbeidersklasse, haar eigen burgerlijke revolutie niet kon voltrekken. Daarom moest de Bond actief zijn in de arbeidersklasse in Duitsland om haar als zelfstandige partij te organiseren die de burgerlijke revolutie vooruit zou drijven, zo nodig tegen de wil van de Duitse bourgeoisie. Let wel, het begrip ‘partij van het proletariaat’ had voor Marx en Engels in deze tijd de betekenis van de massale organisatie van de arbeidersklasse voor haar zelfstandige klassedoelen, en niet die van een revolutionaire minderheid die de bolsjewistische partij later was. [14] Het was de Bond van Communisten die in 1848 de rol van communistische minderheid probeerde te vervullen. Huhn heeft ook aangetoond dat volgens Marx de Bond weliswaar noodgedwongen in de clandestiniteit moest werken, maar niet in de geest van de strikte gecentraliseerde geheime genootschappen van die tijd, en later van de bolsjewistische partij. En – ook hier in contrast tot de bolsjewistische opvatting – dat de communisten niet als regeringspartij zouden functioneren, maar werkten aan de vorming van het proletariaat tot klasse (‘partij’) van oppositie [15] Verder gingen Marx’ vooruitzichten niet. De breuk met zijn utopische voorgangers betekende dat hij zijn opvattingen slechts baseerde op de reëele beweging van het communisme, de beweging van de arbeiders binnen de telkens veranderende omstandigheden van de klassenmaatschappij.

Het kan niet genoeg benadrukt worden, Marx heeft nooit gesteld dat de communistische minderheid, de Bond, in naam van of als vertegenwoordiger van de arbeidersklasse de macht moest grijpen. Dat was voorbehouden aan de klasse, voor eigen klassedoelen georganiseerd als partij, dat wil zeggen actief in de revolutie deelnemende massa. Op dit punt kan het contrast met de strategie van de bolsjewiki (stelling 25) niet groter zijn. Het feit dat in Rusland geen sprake was van dictatuur van het proletariaat, maar over het proletariaat (stelling 37) is een van de redenen van het falen van de revolutie in Rusland, en wel een reden die Wagner niet noemt. Niet alleen bracht de revolutie in Rusland niet het socialisme, zelfs niet in de beperkte betekenis van beginstadium van de omvorming richting het volledige communisme die Lenin in zijn “Staat en Revolutie” gaf aan die term. Het uitschakelen van de macht van de arbeidersraden en hun onderschikking aan de staat (stelling 49) bracht ook met zich mee dat de arbeiders in Rusland niet ‘als partij’ (als massa georganiseerd, in de zin van Marx) in staat waren de burgerlijke revolutie vooruit te stuwen. Verondersteld natuurlijk dat er nog een historische ‘noodzaak’ bestond aan burgerlijke revoluties. Maar dat is nu juist wat Wagner met de bolsjewiki geloofde.

Marx heeft zich na het mislukken van de Europese revoluties van 1848 niet meer bezig gehouden met de burgerlijke revolutie, maar zich geconcentreerd op de reëele beweging van de verdergaande ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze, ook in Duitsland onder heerschappij van de reactionaire Juncker, en wat deze betekende voor de arbeidersklasse, haar strijd, haar organisatie en haar bewustzijn.

De bolsjewiki, waarbij zich inmiddels ook Trotsky had aangesloten, zagen in 1917 naar het voorbeeld van het Communistisch Manifest van 1848 in de mogelijkheid van een overwinnende proletarische revolutie in West- en Midden-Europa de kans dat de strijd van de arbeidersklasse in Rusland daar niet alleen de burgerlijke revolutie tegen de wil van de bourgeoisie zou voltrekken, maar deze met behulp van de zegevierende Europese proletarische revoluties zou omvormen in een proletarische revolutie. Dit is – beknopt geformuleerd met voorbijgaan van allerlei bijzonderheden en onderlinge verschillen – het idee van de dubbele revolutie (burgerlijk en proletarisch) of permanente revolutie dat in de periode 1917-1923 niet alleen bestond bij de bolsjewiki, maar ook bij de revolutionair gezinde sociaaldemocraten in Europa die zich later communisten noemden (Luxemburg, Radek, Gorter, Pannekoek).

Ook bij de Groep van Internationale Communisten (G.I.C.), zelfs nadat zij zich radencommunisten gingen noemen, bleef dit idee bestaan, ondanks de invloed van Otto Rühle, die al vroeg in de jaren 1920 sprak van een alleen-maar burgerlijke revolutie in Rusland, een idee dat Wagner mogelijk van hem overnam, of – gezien Wagners oorsprongen in de sociaaldemocratie van de periode tussen beide wereldoorlogen – misschien van … Kautsky. [16]

Het was aan de Rühle-aanhanger Cajo Brendel om het idee van de werkelijkheid van alleen maar burgerlijke revoluties tot in de uiterste consequenties voort te zetten in uiterst schematische exercities waarin de gebeurtenissen in Spanje van 1936 [17], de machtsovername door de C.C.P. in China van 1951 [18] en diverse nationale bevrijdingsbewegingen in het keurslijf van de burgerlijke revolutie werden geperst. Niet verbazingwekkend dat daarin deze gebeurtenissen niet werden geplaatst in de historische context van imperialistische oorlog, die de geschiedenis van het wereldkapitalisme sinds 1900 overheerst.

Daarentegen bleven delen van de G.I.C. en zelfs binnen de Spartacusbond in de jaren 1970 de opvatting van een dubbele revolutie in Rusland voortbestaan. In de analyse van Spanje 1936 kwam bij de G.I.C. – waarschijnlijk tegen Brendel – als perspectief voor de arbeidersklasse weer het voorbeeld op van de strijd van de Russische arbeiders tegen de Voorlopige Regering van Kerensky, zelfs terwijl Duitse troepen het ‘democratisch’ wordende Rusland belegerden. [19] De stellingen van Wagner waren ook interessant voor hen die bleven vasthouden aan het idee van een dubbele revolutie omdat ze daarin herkenden hoe Rusland zich verder ontwikkelde in burgerlijke richting nadat de weg naar een socialistische richting was afgesloten door het onderwerpen van de arbeidersraden en/of het mislukken van de wereldrevolutie.

Ter gelegenheid van de herdenking van de Oktoberrevolutie in 1967 schreef Bordiga nog een lofrede op de strategie van de permanente revolutie, uitgaande van het idee dat een minderheidspartij in Rusland (uiteraard geleid door het juiste onveranderlijke programma) de dictatuur van het proletariaat zou kunnen uitoefenen in afwachting van het slagen van de wereldrevolutie. [20]

In de huidige periode van het imperialisme zien we op het internationale vlak geen burgerlijke revoluties meer, die zich eerder per definitie beperkten tot het omvormen en zelfs het vormen van nationale staten. Voor wie het geloofsartikel van de permanente revolutie aanhangen, de wereld geeft de permanente oorlog tussen imperialistische grootmachten te zien, direct met elkaar in wereldoorlogen, of via kleinere machten en nationale ‘bevrijdings’-bewegingen, zoals in de Koude Oorlog en in de proxy-oorlogen daarna. Wie vasthouden aan het achterhaalde idee van burgerlijke revolutie, of nationale bevrijding, raken al snel verstrikt in de imperialistische tegenstellingen om uiteindelijk er aan deel te nemen. Dat was in Rusland het geval met (een deel van) de mensjewieken en sociaal-revolutionairen die ook na de Februarirevolutie voortzetting van de Russische oorlogsdeelname wilden.

Daarentegen was de praktische houding van de bolsjewiki in de Eerste Wereldoorlog een geheel andere. Na interne strijd verenigden ze zich rond Lenin’s proletarisch internationalistische leuze “De omzetting van de huidige imperialistische oorlog in een burgeroorlog”. Zoals Wagner in stelling 50 naar voren brengt, was hun “consequent internationalistisch standpunt” evenzeer bepaald door hun tactiek in de strijd voor de Russische revolutie. Dat laatste maakt dat hun internationalisme in de ogen van Wagner slechts schijnbaar consequent marxistisch gedrag was. Wagner beantwoordt niet de vraag wat dan wel consequent marxistisch gedrag was en wie dat vertoonde. De bolsjewiki wilden de burgerlijke revolutie in Rusland te voltrekken tegen de wil van de bourgeoisie, tegen die van de voorlopige burgerlijke regering, tegen die van het burgerlijke deel van de mensjewieken (waren dat soms ‘consequente Marxisten’?) en van de sociaal-revolutionairen in, die allen … de Russische deelname aan de Eerste Wereldoorlog voortzetten. De kwestie van de oorlog van 1914, maakte het internationale aspect van de revolutie in Rusland tot een urgente en doorslaggevende kwestie. Het was Lenin die dit vraagstuk uitdrukkelijk aan de orde stelde bij zijn aankomst in Petersburg door de revolutie in Rusland in het perspectief van de wereldrevolutie te plaatsen:

”Beste kameraden, soldaten, zeelieden en arbeiders! Ik ben blij u te mogen begroeten met de zegevierende Russische revolutie, en u te mogen begroeten als de voorhoede van het internationale proletarische leger… De imperialistische roofoorlog is het begin van een burgeroorlog in heel Europa… Het uur is niet ver weg dat in antwoord op de oproep van onze kameraad Karl Liebknecht de volkeren hun wapens zullen keren tegen hun eigen kapitalistische uitbuiters… De internationale socialistische revolutie is al begonnen… In Duitsland rommelt het. Elk moment kan het hele Europese kapitalisme ineenstorten. De Russische revolutie die u heeft volbracht, heeft de weg bereid en een nieuw tijdperk geopend. Lang leve de wereldwijde socialistische revolutie” [21]

In Wagners stellingen komt de strijd van de bolsjewiki tegen de oorlog en hun visie dat de revolutie in Rusland het begin was van de wereldrevolutie, slechts ter sprake als een tactisch handigheidje, een machiavellistische zet van een burgerlijke partij. Wagner plaatst het proletarisch internationalisme van de bolsjewiki niet binnen de context van de oorlog waartegen het zich richtte, maar binnen die van een groot opgezette politiek van internationale steun aan de Russische revolutie. De andere kant was het beleid en de propaganda van de “nationale zelfbeschikking” van de volkeren, waarbij het klasseperspectief nog meer in de steek werd gelaten dan in het concept van de “volksrevolutie” ten gunste van een algemeen beroep op alle klassen van bepaalde volkeren. (stelling 50) Wagner sluit hierbij, net als andere radencommunisten, aan bij de kritiek van Rosa Luxemburg op Lenin’s verdediging van de het recht van de volkeren op nationale zelfbeschikking. Tegelijkertijd gaat Wagner er aan voorbij dat terwijl dit ‘recht’ in de activiteiten Lenin en de bolsjewiki tot Oktober 1917 nauwelijks van praktische betekenis was, het vanaf het moment dat zij regerende partij waren tot een belangrijk middel werd in hun binnenlandse politiek (Stalin was volkscommissaris van Nationaliteiten) en hun buitenlandse politiek. Voortaan werden ‘volkeren’ en ‘naties’ naargelang de politiek van de Russische staat dat vereiste bestempeld als ‘onderdrukt door het imperialisme’ en dus kandidaat voor ‘nationale bevrijding’, of als juist als imperialistisch, of handlangers van het imperialisme. Sinds rond 1920 de Russische communistische partij de hoop op steun van een proletarische revolutie in het Westen was verloren, probeerde ze het Oostelijke front te beschermen via een Boereninternationale. De Communistische Internationale werd voortaan gebruikt om de aangesloten partijen tot instrument van de Russische buitenlandse politiek te maken. Door historisch achterhaalde tactieken van vakbeweging, parlementarisme en vorming van fronten met delen van de bourgeoisie, moesten de westerse communistische partijen uitgroeien tot massa-organisaties die druk uitoefenden op hun regeringen (en niet slechts door het ‘ontregelen’ van de kapitalistische staten, zoals Wagner o.a. in stelling 62 meent) in het belang van de Sowjet-Unie. Wagner vermeldt deze breuk in de politiek van de bolsjewiki niet, en ziet slechts continuïteit van een partij die altijd al burgerlijk was.

Staat en staatskapitalisme: vergissingen of juistheden die de arbeiders fataal werden

Wanneer we Lenin’s ‘Staat en Revolutie’ beschouwen als een plan voor na de revolutie, dan kunnen we daarin ontdekken in welke opzichten daarin al in kiemvorm de uitschakeling van de radenmacht is te vinden. Pannekoek heeft zijn aankondiging in 1919 van een bespreking van ‘Staat en Revolutie’ [22] helaas niet waargemaakt. Misschien houdt dit in verband met zijn terugtrekking uit elke politieke activiteit. In 1927, bij het ontstaan van de G.I.C. rond Jan Appel, neemt Pannekoek zijn politieke activiteiten weer op, voornamelijk via zijn contacten met Henk Canne Meijer in de bladen van de G.I.C. Het is opvallend dat in hetzelfde jaar Jan Appel onder zijn pseudoniem Hempel een kritiek op ‘Staat en Revolutie’ in het Duitse Proletarier doet verschijnen: Marxisme en staatscommunisme. Het afsterven van de staat, later door de G.I.C. in vertaling en met aanvullingen als Nederlandse brochure gepubliceerd.

In ‘Staat en revolutie’, vlak voor zijn terugkeer naar Rusland neemt Lenin de lessen weer op die Marx trok uit de Commune van Parijs, die de sociaal-democratie in haar hervormingsijver totaal vergeten was. Marx en Engels formuleerden deze les uiterst beknopt in diverse voorwoorden bij het Communistisch Manifest:

”Gezien de ontzaglijke ontwikkeling van de grootindustrie in de laatste vijfentwintig jaren en de daarmee voortschrijdende partijorganisatie der arbeidersklasse, gezien de praktische ervaringen, eerst van de Februarirevolutie en in nog veel sterkere mate van de Parijse Commune, waarin het proletariaat voor het eerste maal gedurende twee maanden de politieke macht bezat, is tegenwoordig dit program op bepaalde punten verouderd. Inzonderheid heeft de Commune het bewijs geleverd, dat ‘de arbeidersklasse de bestaande staatsmachine niet eenvoudig in bezit kan nemen en ze voor haar eigen doeleinde in beweging zetten’.” [23]

Het schijnt dat het Bucharin is geweest die Lenin opmerkzaam maakte op veranderde houding van Marx en Engels ten opzichte van de (burgerlijke) staat. Maar ondanks zijn deels geslaagde poging de lessen van de Commune te verwerken, komt Lenin in ‘Staat en Revolutie’ in problemen wanneer hij na het stukslaan van de burgerlijke staat belangrijke economische taken toewijst aan de ‘halve’ staat, aan wat hij ziet als ‘dictatuur van het proletariaat’, die volgens Marx en Lenin met het verdwijnen van de klassen zal ‘afsterven’. Jan Appel legt de vinger op de zere plek:

  • hoe kan deze staat afsterven wanneer hem belangrijke, onmisbare taken worden toebedeeld?
  • waar is de ‘dictatuur van het proletariaat’ als niet de arbeidersraden de productie beheren, maar de ’Sovjet’-staat?

Wagner verwijst in stelling 49 naar de theoretische wortels van het Russische staatskapitalisme, die Jan Appel voor het eerst in 1927 aangaf, en wat verder is uitgewerkt in de ‘Grondbeginselen van de communistische productie en distributie’: Lenin’s overname van het reformistische idee van Hilferding dat het bedrijfsleven in het socialisme door de staat kan worden georganiseerd als een ‘Generalkartel’. De G.I.C. wijst er in de ‘Grondbeginselen’ op dat Lenin op deze wijze de kapitalistische organisatievorm van de vermaatschappelijking van de productiemiddelen, het kartel, verward heeft met socialisme. [24] Lenin heeft weliswaar bij de invoering van de N.E.P. onomwonden gesproken van staatskapitalisme, maar deze opmerking maakte geen einde aan een staat, die gemodelleerd naar Hilferdings kartel, een feitelijke dictatuur over de arbeidersklasse uitoefende. Dit was temeer het geval omdat Lenin het staatskapitalisme rechtvaardigde als vooruitgang ten opzichte van de privé-kapitalistische productie en als stap richting socialisme. In het licht van de stellingen van Wagner is het misschien juister om te stellen dat Lenin geen ‘vergissing’ maakte toen hij het staatskapitalisme verkoos boven de ‘associatie van vrije en gelijke producenten’. Was het beheer van de productie door de staat immers niet geknipt voor wat Lenin, in afwachting van het doorzetten de wereldrevolutie, zag als het burgerlijke deel van de revolutie in Rusland? In de burgerlijke revoluties werd tenslotte de feodale staat niet vernietigd, maar veroverd en vervolgens omgevormd tot een burgerlijke staat. Overigens zagen we al dat Marx en Engels in 1848 tegen regeringsdeelname waren.

Op het einde van zijn leven maakte Lenin een opmerking die laat zien hoe twijfelachtig de mythe is dat de Russische revolutie de Tsaristische staat heeft ‘stukgeslagen’:

“We hebben het oude staatsapparaat overgenomen, maar dat was ons ongeluk. Het staatsapparaat werkt vaak tegen ons. De zaak was deze, dat in 1917, nadat we de macht aan ons getrokken hadden, het staatsapparaat ons saboteerde. Wij waren toentertijd erg geschrokken en zeiden: keer alstublieft tot ons terug en ze kwamen terug. Dat was ons ongeluk.” [25]

De G.I.C. merkte daarbij op:

”De Bolsjewiki moesten tenslotte zwichten voor de achterlijkheid van de sociale structuur in het Russische boerenland en waren gedwongen, de proletarische elementen, die in de Russische revolutie aanwezig waren ‘stuk te slaan’, en het oude beambtenapparaat over te nemen.” [26]

Wanneer we het idee loslaten van een geheel of gedeeltelijke burgerlijke revolutie in Rusland, dat zowel bij Lenin, als bij de G.I.C., als bij Wagner naar voren komt, dan dringt zich het beeld op van een poging van de bolsjewiki om een burgerlijke revolutie te voltrekken, terwijl daartoe in het geheel geen ‘historische noodzaak’ bestond. Aldus kwamen ze aan het hoofd te staan van een staat die ze overgenomen hadden van het Tsarisme, die ze dachten te besturen, maar die in feite hen bestuurde:

“De machine glijdt uit onze handen; het is alsof iemand aan het stuur zit, maar de machine gaat niet daarheen, waar hij naar toe stuurt, maar daarheen, waar de een of ander ze stuurt, iets illegaals, onwettelijks, dat god weet waar vandaan komt, de een of andere speculant, privaatkapitalist of wie ook. De machine gaat absoluut niet daarheen, waar degene, die aan het stuur zit, haar hebben wil (…) Wie leidt, wie? Ik betwijfel zeer, dat men zeggen kan, dat de communisten deze machine leiden. Als men de waarheid zeggen wil, dan leiden wij haar niet, maar zij leidt ons.” [27]

Terecht of onterecht, dat laten we hier in het midden, worden de stellingen van Wagner gelezen als een verhaal over hoe een machtsbeluste burgerlijke partij de arbeiders van Rusland en de wereld bewust heeft misleid om haar snode staatkapitalistische plannen uit te voeren. In het bovenstaande hebben we gezien dat de bolsjewiki na de Oktoberrevolutie bedrogen uitkwamen met hun ideeën van de ’Sovjet’-staat. Dat geldt ook voor Lenin’s oorspronkelijke idee van een beperkte socialisatie. Wagner geeft in stelling 48 aan dat de bolsjewiki aanvankelijk niet de gehele economie in staatshanden willen brengen, maar daartoe werd gedwongen. Overigens niet zozeer door “de opmars van de arbeidersmassa’s enerzijds en de sabotage door de afgezette ondernemers anderzijds”, maar vooral ook door de economische chaos die de bolsjewiki zelf hadden veroorzaakt met de superinflatie van de Roebel. [28]

(Wordt vervolgd)

Noten

[11] Idem, blz. 14/15.

[12] Men zou terecht kunnen opmerken dat de keuze van het volgende citaat niet marxologisch verantwoord is. Inderdaad is de keuze geheel bepaald door hetgeen we hier onderzoeken, de parallel die de bolsjewiki en Trotsky zagen tussen hun strategie en die van Marx en Engels.

[13] Verslag van het Centrale Bestuur aan de Communistische Bond van maart 1850. Van het Centrale Bestuur aan de Bond, Londen, maart 1850.

[14] Willy Huhn, Zur Lehre von der revolutionären Partei, 1948.

[15] Idem, deel III.

[16] Kautsky, Het bolsjewisme in het slop, Amsterdam 1931.

[17] Cajo Brendel, Revolutie en contrarevolutie in Spanje, 1977.

[18] Cajo Brendel, Stellingen over de Chinese revolutie, 1974.

[19] Ph. Bourrinet, Radencommunisme en Spanje 1936-1937.

[20] Bilan d’une Révolution, Programme Communiste, nummer 40-41-42, oktober 1967-juni 1968.

[21] The Russian Revolution 1917: A Personal Record by N.N. Sukhanov. Vertaald citaat uit The Penguin Book of Historical Speeches.

[22] Zie een inlegvel bij De Nieuwe Tijd: L.S.

[23] Het Communistisch Manifest, idem, blz. 11.

[24] G.I.C. Grondbeginselen van de communistische productie en distributie, 1935/2020, hfdst. 2a.

[25] Lenin, Protocol 4e Wereldcongres van de IIIe Internationale, 1922, blz. 228, aangehaald door de G.I.C., Grondbeginselen van de communistische productie en distributie, 1935/2020, hfdst. 14d.

[26] Idem.

[27] Lenin, Werke, Band XVIII-2, blz. 35 en 43, aangehaald door de G.I.C., Grondbeginselen van de communistische productie en distributie, 1935/2020, hfdst. 2e.

[28] G.I.C., Grondbeginselen van de communistische productie en distributie, 1935/2020, hfdst. 2d en 12a.


basisteksten marxisme – radencommunisme

voor individuele zelfstudie, voor studie- en discussiegroepen

De fatale mythe van de burgerlijke revolutie in Rusland (2/3)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s