Het klassekarakter van de Sowjet-Unie

Deel 19 van de eerste Nederlandse vertaling van Willy Huhn: Trotski – de mislukte Stalin

IX

Het eigenlijke onderwerp van Trotski’s discussie met de oppositie van Burnham-Shachtman is dus niet de kwestie van de “arbeidersstaat” als zodanig, maar de vraag: “Of de Sovjet-Unie nog steeds een arbeidersstaat is, zij het dan een ontaarde, of dat zij al veranderd is in een nieuw soort uitbuitingsstaat“. Het is duidelijk dat Trotski en zijn volgelingen wanhopig proberen om het tweede alternatief zo lang mogelijk tegen te houden met antropologische en medische termen (“gedegenereerd”, “gezond”). De erkenning ervan zou immers het hele bolsjewistische etatisme teniet doen. Maar Trotski zelf moet toegeven:

“1. De kenmerken die in 1920 een ‘bureaucratische vervorming’ van het Sovjetsysteem vormden, zijn vandaag uitgegroeid tot een onafhankelijk bureaucratisch regime. dat de Sovjets heeft overspoeld;
2. de dictatuur van de bureaucratie, onverenigbaar met de interne en internationale taken van het socialisme, heeft het economisch leven van het land diepgaand verstoord en blijft dat doen;
3. maar in wezen is het systeem van de planeconomie, gebaseerd op genationaliseerde eigendom van (de) productiemiddelen, behouden gebleven en blijft het een kolossale prestatie van de mensheid.”

Wij geloven echter dat de vicieuze cirkel daarmee alleen maar opnieuw zou beginnen. Maar Trotski, zoals blijkt uit zijn “Open brief aan kameraad Burnham”, verwijst in overeenstemming met dit perspectief kameraad Shachtman in een brief van 20 januari 1939 “naar de absolute noodzaak om de interne ontwikkeling van de Stalinistische partij aandachtig te volgen”. En in zijn polemiek tegen hem citeert hij de volgende passage uit deze brief:

“Ik begrijp niet waarom ‘Socialistist Appeal’ de Stalinistische Partij blijft verwaarlozen. Deze partij vertoont nu een massa tegenstrijdigheden. Splitsingen zijn onvermijdelijk. De volgende belangrijke aanwinst (ik veronderstel een uitbreiding van de IV-de Internationale, Huhn) zal zeker komen van de Stalinistische Partij. Onze politieke aandacht moet daarop worden geconcentreerd.”

Aangezien in een eventuele oorlog van de imperialistische staten tegen Rusland deze na hun overwinning niet alleen de bureaucratische dictatuur maar ook de planeconomie zouden liquideren en het land in invloedssferen zouden verdelen, zou een stabilisatie van het imperialisme door deze hernieuwde kolonisatie van Rusland en dus opnieuw een verzwakking van het wereldproletariaat (en waarschijnlijk vooral van de koloniale volkeren) onvermijdelijk zijn. (1) Maar zolang deze oorlog geen werkelijkheid is, is de voornaamste taak van de IV-de Internationaal als volgt:

“Het is noodzakelijk om de bureaucratie omver te werpen. Deze taak kan alleen worden volbracht door de oprichting van een illegale bolsjewistische partij in de USSR.”

Moet men vanuit een dergelijk gezichtspunt niet de indruk krijgen dat het leidende beginsel van de hele Trotskistische politiek de loutere herovering van de macht in Rusland door Trotski en zijn volgelingen is?

Wij hebben Trotski horen zeggen dat het systeem van de planeconomie op basis van staatseigendom van de produktiemiddelen “nog steeds” een kolossale prestatie van de mensheid is. Hij is daar zo van overtuigd dat hij op verontwaardigde toon een polemische vraag stelt aan Shachtman in verband met de Russische expansie, zonder te beseffen welk interessant probleem hij daarmee opwerpt:

“Bedoelt Shachtman in verband met de USSR te zeggen dat staatseigendom van de productiemiddelen een rem op de ontwikkeling is geworden en dat de verspreiding van deze vorm van eigendom naar andere landen een economische reactie is?”

Waarom niet eigenlijk? Zou zo’n transformatie in strijd zijn met de dialectiek van de geschiedenis? Ook het privé-eigendom was ooit vooruitstrevend en is daarna een rem op ontwikkeling geworden. Waarom zou uitgerekend het staatseigendom van de produktiemiddelen niet onderworpen zijn aan een dergelijke dialectiek, terwijl ENGELS reeds in 1880 verklaarde:

“Alleen in het geval dat de produktie- of transportmiddelen het beheer door naamloze vennootschappen werkelijk ontgroeid zijn, d.w.z. dat nationalisatie economisch onvermijdelijk is geworden, alleen in dit geval betekent het, zelfs als de huidige Staat het uitvoert, een economische vooruitgang, het bereiken van een nieuwe voorfase naar de inbezitneming van het eigendom van alle produktiekrachten door de maatschappij zelf.” (2)

Moet het dan niet zo zijn dat in de loop van de zeventig jaar die nu verstreken zijn, de inbeslagneming van de productiemiddelen door de maatschappij zelf economisch onvermijdelijk is geworden – en alleen dit is tenslotte socialisme! -, het bestaande staatseigendom van de productiemiddelen een obstakel is geworden voor verdere ontwikkeling? En zou de uitbreiding van het Russische staatskapitalisme naar de meer ontwikkelde Europese landen niet een economische reactie kunnen teweegbrengen? Het staatseigendom van de produktiemiddelen (etatisme) is dus op zijn best een voorstadium van het sociale eigendom ervan (socialisme). Maar de term “eigendom” verbergt nog steeds de beslissende omstandigheid dat de “associaties van vrije en gelijke producenten” de directe beschikkingsmacht over de produktiemiddelen moeten hebben. Alleen dit zou de betekenis kunnen zijn van Engels’ uitspraak dat de maatschappij “openlijk en zonder omwegen”, omwegen in de zin van via de staat, bezit moet nemen van de productiekrachten, voorbij het “formele” stadium van staatseigendom van de productiekrachten. Het is de positie van de maatschappelijke groepen in het productieproces die hen tot klassen vormt; pas achteraf worden deze posities juridisch vastgelegd, d.w.z. omschreven als eigendomsverhoudingen. Trotski daarentegen onderscheidt klasse- en eigendomsverhoudingen door te schrijven: “klasse- (eigendoms)verhoudingen” (1940) en “economische of ‘eigendoms’-verhoudingen”. Daarom kan zelfs het enkele staatseigendom van de produktiemiddelen slechts een socialistische basis scheppen in de zin van een “jurististensocialisme” (Engels, 1887); dit ontstaat in feite namelijk pas met de primaire beschikkingsmacht van de producenten over de produktiekrachten, zij het misschien een slechts gedeeltelijke beschikkingsmacht.

Wordt vervolgd

Bron: Willy Huhn, Trotzki – der gescheiterte Stalin, 1952.

Vertaling: F.C.

[Toevoegingen van de redactie]

Noten

1 Hier geciteerd volgens „pro und contra“, nr. 9, 1951, p. 132.

2 Friedrich Engels, „Die Entwicklung des Sozialismus von der Utopie zur Wissenschaft“, Berlin 1945, p. 54-56.

Het klassekarakter van de Sowjet-Unie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s