Trotski’s Bonapartisme 1918 tot 1923

Deel 21 van de eerste Nederlandse vertaling van Willy Huhn: Trotski – de mislukte Stalin.
Hfdst. 3

I

TROTZKI deelt met LENIN en vele andere “orthodoxe” marxisten de grote waardering voor de Duitse industriële organisatie voor moderne machine- en materiaaloorlog. Het Duitse “oorlogssocialisme” maakte dus ook op hem een buitengewone indruk, zoals blijkt uit zijn vaak herhaalde lezingen in de VS eind 1916. Weliswaar verklaarde hij zich natuurlijk tegen de methode van de bourgeoisie om spanningen tussen staten op te lossen – oorlog – en betuigde hij zijn steun aan de methode van het proletariaat om die spanningen op te heffen – revolutie. Maar wat als het proletariaat zou falen en de revolutie zou uitblijven? Dan zou moeten worden gekozen voor de overwinning van het meest gevorderde land in de oorlog. En welk oorlogvoerend land zou dan de overwinning in de Eerste Wereldoorlog moeten krijgen? Trotski antwoordde: “Onder de oorlogvoerende staten is er slechts één land, dat dankzij zijn kapitalistische ontwikkeling over zulke enorme economische, intellectuele en culturele hulpbronnen beschikt, dat het in geval van overwinning – misschien zelfs met geweld – de zo noodzakelijke eenwording van de gehele culturele wereld tot stand kan brengen en daarmee een grote stap voorwaarts kan zetten. Dit land zou Duitsland zijn! (1)

Wie zal verbaasd zijn te vernemen dat, toen Trotski na het uitbreken van de Russische Revolutie in maart 1917 via Canada naar Rusland wilde terugkeren, hij door de Engelsen als “Duits agent” werd gearresteerd? De beroemde ironie van de geschiedenis is hier dat het de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken van de revolutionaire regering, PAVEL MILJOEKOV, was die in Groot-Brittannië tussenbeide kwam en Trotski’s vrijlating bewerkstelligde!

En aangekomen in het revolutionaire Rusland schreef Trotski in het centrale orgaan van de bolsjewieken, de Proletarij, van 26 augustus 1917, dat de verdere ontwikkeling van de Russische revolutie ook gericht moest zijn tegen de bezitters in de kapitalistische industrie, waarbij hij opnieuw verwees naar de Duitse oorlogseconomie:

Voor de invoering van controle over productie en distributie had het proletariaat zeer waardevolle modellen in West-Europa, vooral in het zogenaamde ‘oorlogssocialisme’ van Duitsland.”

Trotski voegde er echter aan toe dat “dit organisatorische werk” in Rusland alleen kon plaatsvinden op basis van een agrarische revolutie en onder leiding van “een werkelijk revolutionaire macht”.(2) Dit was natuurlijk, zowel voor hem als voor de bolsjewieken, de Sovjetmacht, maar dan onder leiding van de partij van de bolsjewieken. Ook later, nadat hij van de macht was beroofd en als hoofd van de Leninistische oppositie optrad, eiste hij dat het eerste vijfjarenplan tot doel zou hebben om, “op basis van de onvergelijkbare voordelen van onze economische structuur”, “een latere blokkade of interventie het hoofd te bieden die onvergelijkbaar beter voorbereid en beter bewapend is”, waarbij hij opnieuw wees op het voorbeeld van de Duitse organisatie van de materiaaloorlog:

“Het belangrijkste in geval van een langdurige en ernstige oorlog is immers het bezit van een eigen, zo hoog mogelijk ontwikkelde industrie, die zowel in staat is tot massaproduktie als tot een snelle omschakeling van de ene soort produktie op de andere. Het recente verleden heeft aangetoond dat een hoogontwikkeld industrieland als Duitsland, dat met duizend draden aan de wereldmarkt was gebonden, een enorme vitaliteit en veerkracht kon ontwikkelen toen het door oorlog en blokkade in één klap van de hele wereld werd afgesneden”.

In die zin ziet Trotski de opbouw van het socialisme en die van de staatsindustrie in Rusland in de context van de kapitalistische wereldeconomie en de noodzaak van “oorlogsvoorbereiding”, omdat dit laatste een onvermijdelijk gevaar is als de banden met het wereldkapitalisme groeien (3): we kunnen er dus nauwelijks aan twijfelen dat de geest van het Duitse oorlogssocialisme van 1914-1918 ook in de bolsjewistische praktijk is binnengedrongen via en door het hoofd van Trotski. (4) Maar het Duitse “oorlogssocialisme” alleen had waarschijnlijk niet zo’n effect kunnen hebben op de theorie en de praktijk van het bolsjewisme, als het niet reeds tegemoet was gekomen door het militair-organisatorische denken van Lenin en Trotski. Voor Lenin is “de revolutie een oorlog“; hij ziet haar daarom in de eerste plaats als een strategisch en tactisch probleem van de burgeroorlog. Dit is waarom voor Lenin ook “het moderne leger… een van de goede modellen van organisatie” is. En wat betekent organisatie voor Lenin?

“Wanneer, in naam van een bepaald doel, bezield door een bepaalde wil, miljoenen mensen de vorm van hun omgang en actie veranderen, de plaats en methoden van hun activiteit veranderen, wapens en werktuigen veranderen – al naar gelang de veranderde omstandigheden en vereisten van de strijd.”

En Lenin voegt daar expliciet aan toe dat dit ook geldt voor de strijd van de arbeidersklasse tegen de bourgeoisie. (5) Wij zullen zo dadelijk zien dat Trotski het in principe ook eens is met deze militair-organisatorische opvatting van de proletarische bevrijdingsstrijd.

II

In een lezing die Trotski op 21 april 1918 in Moskou gaf, beschreef hij het als de voornaamste taak “orde te scheppen” in het land, “de economie om te vormen” en “een gewapende macht te creëren”. Het is geen toeval dat Trotski deze drie taken verbindt tot een gemeenschappelijke hoofdtaak.(6) Het zal spoedig duidelijk worden dat het ordenend beginsel dat zowel de krijgsmacht als de economie moet sturen, hetzelfde is, namelijk het militaire. Trotski is bejubeld als de stichter en schepper van het “Rode Leger” en vergeleken met CARNOT, de organisator van het Franse revolutionaire leger.(7)

Maar wij zijn hier in de eerste plaats geïnteresseerd in het feit dat Trotski niets minder probeerde dan de arbeiders in de produktie aan dezelfde regels te onderwerpen als de soldaten in het Rode Leger. In de lezing van 21 april 1918, waarnaar wij reeds verwezen, roept hij op tot de invoering van “een vaste, ijzeren, strenge discipline van de werkorde” en geeft hij tevens een voorbeeld dat geheel overeenstemt met de geest van Lenins eerder geciteerde opmerkingen: “Om … indien nodig, op elk moment een bepaald aantal metaalbewerkers van de ene plaats naar de andere te kunnen overbrengen.” (Zie voetnoot 6) Toen dus onder zijn voorzitterschap een opperste militaire raad was ingesteld, begon onmiddellijk daarna een strijd van het militaire bestuur tegen het vroegere “militaire federalisme en separatisme” (8), d.w.z. praktisch tegen de plaatselijke soldatenraden en partizanengroepen. In deze strijd werd het gezag van de bureaucratische top, het Volkscommissariaat voor het leger, versterkt. Trotski verklaarde in zijn verslag aan het Vijfde Congres van Sovjets op 10 juli 1918: “Als het centralisme afwezig is, is het leger afwezig.” (9) Hetzelfde Congres van Raden heeft nu ook de invoering van de algemene dienstplicht goedgekeurd en aanbevolen.

Onmiddellijk daarna begon men weer met de invoering van die discipline die, volgens de woorden van ROSA LUXEMBURG tegen Lenin, altijd aan de proletariër geleerd was op het terrein van de kazerne. Trotski meende dat hij zich zelfs niet kon onttrekken aan de controle over het schoonmaken van uniformknopen.(10) De invoering van de “verplichte opleiding in oorlogsambacht” en de herintreding van tsaristische officieren in het Rode Leger ging ook gepaard met de afschaffing van een ander revolutionair beginsel van de soldatenraden: de afschaffing van het recht van de troepen om de officieren te kiezen. Ook hier was het streven naar centralisatie van de militaire administratie onverenigbaar met het principe van de raden, waarvan de toepassing in het leger door Trotski werd omschreven als “ontoelaatbaar, monsterlijk, moorddadig,” ja zelfs als “chaotisch pseudo-democratisme”. De afschaffing van het kiesstelsel in het leger vond reeds plaats in april 1918 (11).

In dit verband zijn Trotski’s stellingen over de militaire kwestie, voorgelegd aan het VIIIe Congres van de partij van de bolsjewieken (april 1919), van bijzonder belang. Trotski gaat uit van de veronderstelling dat het juist de verovering van de politieke macht was die het proletariaat de gelegenheid had gegeven het staatsapparaat te gebruiken voor de systematische opbouw van een gecentraliseerd leger. Intussen was er echter door de arbeiders en de “Linkse Communisten” een agitatie ontketend tegen het Rode Leger als de basis van een toekomstig Bonapartisme, waarmee Trotski zich geconfronteerd zag. Zo zijn zijn stellingen over de kwestie van de verkiesbaarheid van de commandostaf “niet geheel categorisch”; hij laat de beslissing tussen de benoeming en de verkiesbaarheid van officieren afhangen van “praktische overwegingen”. Het karakter van het regime dat het leger opricht, en het doel van het leger bepaalt, en het zo tot zijn instrument maakt, zou echter doorslaggevend zijn voor het revolutionaire karakter van een leger. Aangezien het proletariaat nu aan de macht was in Rusland, kon het Rode Leger niets anders zijn dan een wapen van socialistische zelfverdediging van het proletariaat en de dorpsarmen. De oppositionele co-referent SMIRNOV maakte vooral bezwaar tegen de rekrutering van de tsaristische officieren en eiste de democratisering van de uiterlijke vorm van het Rode Leger om de boeren en arbeiders er niet van af te stoten. De stellingen van Trotski over de militaire kwestie werden niettemin unaniem aangenomen door het VIIIe Partijcongres. (12)

Hoe stond het nu met het gevaar van Bonapartisme?

III

Hoewel wij ons ten volle bewust zijn van de sociologische verschillen tussen het revolutionaire Frankrijk tussen 1790 en 1800 en het revolutionaire Rusland van 1917 tot 1927, willen wij toch herinneren aan Marx’ uiteenzetting over het Bonapartisme. Hij beschrijft hoe de revolutie de centralisatie moest ontwikkelen, maar ook de reikwijdte, de attributen en de stromannen van de regeringsmacht. Maar dit was het werk dat de absolute monarchie reeds begonnen was, de oprichting van een uitvoerende macht “met zijn immense bureaucratische en militaire organisatie, met zijn gelaagde en kunstmatige staatsmachinerie,” waar, naast een leger van ambtenaren, een militair leger van een half miljoen man ontstond. Marx noemt dit moderne bureaucratisch-militaire staatsapparaat een “vreselijk parasitair lichaam dat zich als een net om het lichaam van de Franse maatschappij wikkelt en al haar poriën verstopt”. Het beeld is uitstekend en drukt volledig het hoofdpunt uit: de gemilitariseerde staat omstrengelt en verstikt de maatschappij. “Napoleon voltooide dit staatsapparaat,” voegt Marx eraan toe. Hij karakteriseert ook het principe van deze zelf-vervreemding van de organisatie van de maatschappij:

“Elk gemeenschappelijk belang werd losgemaakt van de maatschappij, er tegenover geplaatst als een hoger, algemeen belang, onttrokken aan de zelfwerkzaamheid van de leden van de maatschappij, en tot voorwerp gemaakt van regeringsactiviteiten, van de brug, het schoolgebouw en het gemeentelijk eigendom van een dorpsgemeenschap, tot de spoorwegen, het nationaal bezit en de nationale universiteit van Frankrijk.”

Marx beschrijft het proces van het Bonapartisme als dat van een schijnbare onafhankelijkheid van deze staatsmacht. Niettemin vertegenwoordigde het Bonapartisme ook een klasse, en wel de meest talrijke klasse in de Franse samenleving, namelijk de kavelboeren.

“De politieke invloed van de kavelboeren vindt dus zijn ultieme uitdrukking in het feit dat de uitvoerende macht de maatschappij aan zichzelf onderwerpt.”

Het Bonapartisme vertegenwoordigt echter niet de revolutionaire boer, maar de conservatieve boer, verzadigd door de verdeling van het feodale grootgrondbezit. En juist daarom leent het kleine boerenbezit zich voor de stichting van een almachtige en onmetelijke bureaucratie.

“Het brengt uiteindelijk een nutteloze overbevolking voort, die noch op het platteland, noch in de steden een baan kan vinden, en daarom naar de staatsambten grijpt als een soort respectabele hongerloon, en de oprichting van staatsambten uitlokt.”

Onder Napoleon I. was dit talrijke overheidspersoneel nog

“direct productief, in de zin dat het in de vorm van staatsbouwwerken enzovoort, met de dwangmiddelen van de staat, voor de nieuw ontstane boerenstand tot stand bracht, wat de bourgeoisie nog niet kon verwezenlijken door middel van de privé-industrie.”

Maar bureaucratie, benadrukt Marx, is “slechts de lage en wrede vorm van een centralisatie” van de maatschappij.

Uiteindelijk culmineert het Bonapartisme in het “overwicht van het leger.” Wie wordt bij de volgende woorden van Marx niet gedeeltelijk herinnerd aan het Rode Leger, zoals wij dat sindsdien in Oost- en Midden-Europa hebben meegemaakt?

“Het leger was het paradepaardje van de kavelboeren, zij werden zelf meesters, verdedigden naar buiten toe het nieuwe bezit, verheerlijkten hun zojuist gewonnen nationaliteit, plunderden en revolutioneerden de wereld. Het uniform was hun eigen staatskostuum, de oorlog hun poëzie, het stukje grond werd in de verbeelding uitgebreid en afgebakend tot het vaderland, en het patriottisme de ideale vorm van het eigendomsgevoel”.

In Rusland echter dwongen de noodzakelijkheden van de moderne agrarische produktie tot de oprichting van coöperatieve samenwerking tussen de boeren in vormen van staatsorganisatie en onder bureaucratische leiding. Maar laten we niet vergeten dat, volgens Marx, die politieke centralisatie die de moderne maatschappij vereist, “slechts verrijst op de ruïnes van de militair-bureaucratische regeringsmachinerie”. Dan weten we nu dat Trotski, met de methoden om het Rode Leger op te bouwen, nolens volens [gewild of niet; vertaler], zelf de grondslagen heeft gelegd voor het bolsjewistische Bonapartisme, als we ons houden aan Marx’ uiteenzetting daarvan.(13)

Maar dan wordt de vergelijking onmogelijk die SADOUL maakte: Carnot – Trotski. Carnot deed in feite zijn uiterste best om zich te verzetten tegen Bonaparte’s opkomend Caesarisme; hij stemde niet alleen tegen de instelling van de monarchie in 1804, maar ook al tegen Napoleon’s levenslange consulaat (1803). Hij was een overtuigd republikein en was van mening “dat vrijheid mogelijk is en dat de regering ervan gemakkelijker en duurzamer is dan om het even welke willekeurige heerschappij”.(14) Trotski daarentegen verzette zich pas tegen het Bonapartisme toen duidelijk werd dat hij niet degene was die de rol van Bonaparte in de Russische Revolutie zou spelen.

Wordt vervolgd

Bron: Willy Huhn, Trotzki – der gescheiterte Stalin, 1952.

Vertaling: F.C.

[Toevoegingen van de redactie]

Noten

1 Elias Hurwicz, Staatsmänner und Abenteurer. Russische Porträts von Witte bis Trotzki 1891–1925. Leipzig 1925, p. 328–330.

2 Leo Trotzki, Der Charakter der russischen Revolution. Ergebnisse und Aussichten. (August-September 1917) Wien 1921, p. 13.

3 Leon Trotsky, Die wirkliche Lage in Rußland, vertaald door Wilhelm Cremer, geautoriseerde uitgave. Avalun-Verlag, Hellerau bij Dresden, z.j., pp. 73-74. (Volgens het bericht in de Neue Bücherschau, VII/6, juni 1929, is het “samengesteld uit willekeurige krantenartikelen en wordt het door Trotski niet erkend als een boekuitgave.” p. 299. (Gezien de moeilijkheid om aan Trotski’s geschriften te komen, zullen we waarschijnlijk Trotski’s meningsverschillen met de uitgeverij Avalun over het hoofd moeten zien, al waren de in dat boek samengevatte krantenartikelen maar “toevallig” door Trotski zelf geschreven!)

4 Zie ook mijn essay: Lenins Staatskapitalismus 1917 bis 1922; in: Funken, 2. jrg., Nr. 7 december 1951, p. 3 ff.

5 Engels-Lenin, Militärpolitische Schriften, Bd. II: W. I. Lenin, Die Revolution von 1905 und der imperialistische Krieg. Berlin 1930, p. 29 en 143.

6 Leo Trotzki, Die Sowjet-Macht und der internationale Imperialismus, Promachos-Verlag Belp-Bern 1918, p. 31, 34 en 37.

7 Jacques Sadoul, Briefe aus der Sowjetrepublik. Moskau 1918. (25./28. Juli 1918) Berlin-Wilmersdorf 1919, p. 23.

8 Leo Trotzki, Die Rote Armee, in: Jahrbuch für Wirtschaft, Politik und Arbeiterbewegung, 1922/1923, II. Teil: Die Sowjetrepubliken, 2. Abschnitt: Der Kampf der Sowjetrepublik.

9 Leo Trotzki, Die Geburt der Roten Armee, Wien 1924, S. 86 ff.

10 Leo Trotzki, Rede auf dem II. Allrussischen Kongreß der Abteilung für politische Aufklärung im Oktober 1921 in Moskau, in: Russische Korrespondenz, 1921, Nr. 12, p. 990 ff.

11 Leo Trotzki, Die Geburt der Roten Armee, a. a. O., p. 7 ff. en het in voetnoot 8 genoemde artikel.

12 W. Antonow-Owsejenko, Der Aufbau der Roten Armee in der Revolution, Hamburg 1923, p. 81–88.

13 Karl Marx, Der Achtzehnte Brumaire des Louis Bonaparte, Ausgabe und Einleitung von D. Rjazanow. Wien-Berlin 1927, p. 114–123.

14 Wilhelm Blos, Die Französische Revolution, Stuttgart 1921, p. 598.

Trotski’s Bonapartisme 1918 tot 1923

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s