Max Hempel /Jan Appel: Het Russische heropbouwprogramma (1926)

Aansluitend bij de serie vertalingen van Huhn’s Trotski, de mislukte Stalin, volgt hier een tot nu toe onbekend artikel van de radencommunist Jan Appel.


Centraal in alle debatten in de CPR [Communistische Partij van Rusland] staan de vraagstukken van de economische wederopbouw. Wie hierover duidelijkheid wil krijgen, moet zich verdiepen in het standpunt van de bolsjewieken ten aanzien van economische problemen, want deze partij is immers identiek aan de regeringsmacht in Rusland. De basis van het Russische wederopbouwbeleid wordt gekenmerkt door het feit dat het grootste deel van de industrie en het vervoer onder staatscontrole staan. Hier hebben alle overheidsmaatregelen een direct effect. Daartegenover staat de particuliere eigendom van de boeren, de ambachtslieden en het resterende deel van de industrie. Bovendien is Rusland, als gevolg van zijn economische achterstand, sterk afhankelijk van het kapitalis­tische milieu. Als de Russische economische politiek uit deze feitelijke productievoor­waarden voortkomt, moet de inbedding van de staatsproductie in boeren- of andere particuliere ondernemingen worden onderzocht, om het economisch programma van de bolsjewieken, de geforceerde NEP-politiek, in zijn juiste perspectief te plaatsen.

Van het Oorlogscommunisme naar de Vrije Markt

Toen het Kerenski-regime werd geliquideerd, namen de miljoenen boeren de grond in bezit als basis voor hun levensonderhoud. Anderzijds kwamen de werkplaatsen en bedrijven in handen van het industrieproletariaat, dat zich verenigde in sovjets en fabriekscomités. De markt, de bemiddelende schakel binnen de industrie en tussen stad en platteland, en uiteindelijk tussen productie en consumptie, werd uiteengerukt met de val van de kapitalisten. Om de omvergeworpen gegoede klassen elke mogelijkheid van een nieuwe machtsaccumulatie te ontnemen, moest zelfs de ongecontroleerde uitwisseling van goederen, zoals die op de vrije markt plaatsvindt, met geweld wor­den verhinderd.

De centrale sturing van de industrie door de staat kwam in de plaats van de markt, en waar tot nu toe de concurrentie zorgde voor de uitwisseling van producten, moest nu de bureaucratische administratie deze taak overnemen. De leidraad van dit bestuurswerk lag in de noodzaak dat er jarenlang een burgeroorlog gevoerd zou moeten worden tegen de contrarevolutie, en omdat de noodzakelijke oorlogsmiddelen alleen door deze industrie geproduceerd konden worden, hadden de industriële arbeiders geen andere keus dan zich te onderwerpen aan de dwingende noodzaak van een dergelijke “socialisatie”. Dit te meer waar, bij gebrek aan kapitaal en een vrije markt, de uitwisseling van producten en daarmee de vervanging van de verbruikte productiemiddelen onmogelijk wordt voor het individuele bedrijf. Zonder hier nader in te gaan op de interne gebreken en de beperkte handelingsmogelijkheden van een dergelijk bureaucratisch bestuursapparaat – die in Rusland zelf zo drastisch aan het licht zijn gekomen – zullen wij ons eerst beperken tot het vraagstuk van de voed­selvoorziening voor de werkende massa’s aan de werkbank en in uniform. In het begin werd alles wat bij de boer te halen viel gevorderd en werd het voedsel in de stad gerantsoeneerd. Deze oorlogsmaatregel kon het probleem zelf niet oplossen, en werd onmogelijk in dezelfde mate als de boeren overschakelden op passief verzet, waarbij zij niet meer verbouwden dan zij zelf konden consumeren en verbergen. Het was noodzakelijk de boeren het eigendomsrecht op de grond en zijn producten toe te ken­nen en hen in staat te stellen hun overschotten te gelde te maken, d.w.z. de vrije markt te herstellen. Hetzelfde moest worden gedaan met kleine ondernemingen en met dat deel van de industrie dat niet langer onder de overheidsadministratie kon vallen.

Rationalisatie als “socialistische opbouw”

Aldus werd de cyclus van de winst-economie in al haar consequenties heropend, en zelfs het door de staat geleide deel van de economie kon op den duur niet aan de kapitalistische concurrentie ontkomen. Verbruikte arbeidskracht wordt opnieuw de maatstaf van de waarden, maar zij verschijnt in de gemystificeerde vorm van geld met een stabiele waarde, de tsjervonez. De arbeidskracht zelf wordt weer handelswaar en is onderworpen aan de wet die de waarde ervan meet naar gelang van de arbeidstijd die nodig is om de levensmiddelen te produceren die noodzakelijk zijn voor haar con­sumptie. Verhoogde productiviteit en langere arbeidstijd betekenen nu weer meer winst. Beide dingen wilde de Russische ondernemer ook meteen afdwingen, en de staat moest dit streven van de kapitalisten steunen. De staatseconomie is afhankelijk van de markt voor de productiemiddelen en voor de verkoop van haar producten; zij moet concurreren en kan zich dus niet onttrekken aan de maatregelen van de on­dernemers om de arbeider, die toevallig in het staatsbedrijf werkt, een voorrecht te verlenen ten opzichte van de massa van het proletariaat. Lenin zelf verwoordde deze stand van zaken, zij het in bedekte termen: “Vrijhandel en kapitalisme zijn nu toegestaan en ontwikkelen zich, onderworpen aan staatsregulering, en aan de andere kant worden de socialistische staatsbedrijven overgebracht naar economische calculatie, die, gezien de algemene culturele achterstand en uitputting van het land, onver­mijdelijk min of meer zal leiden tot een situatie waarin, in het bewustzijn van de massa’s, het bestuur van de betreffende bedrijven in oppositie zal komen met de ar­beiders die er in dienst zijn.” Wanneer Lenin staatsbedrijven socialistisch noemt, dan ontbreekt daarvoor elke rechtvaardiging, als hij anders niet bedoelt dan de staat zelf so­cialisme te noemen. Maar de “economische berekening” in staatsbedrijven betekent slechts het zich instellen op concurrentie met de particuliere industrie, en hoe zouden de arbeiders niet opmerken dat zij worden uitgebuit.

De propaganda voor het nieuwe economische programma, die sinds het 14e Partij­congres door de bolsjewieken in alle hevigheid wordt gevoerd, is bedoeld om de aan­dacht van de arbeiders van dit feit af te leiden, om de wil van de massa’s om zich voor dit staatskapitalisme in te zetten, te bevorderen en te vergroten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat, men terwijl alle oppositie wordt gebroken, aan iedere partijkameraad de plicht werd opgelegd de staatsondernemingen met de woorden “van het consequent socialistische type” aan te duiden. Het moet de arbeiders worden ingepeperd dat zij, ondanks alle uitbuiting die zij aan den lijve ondervinden, uiteindelijk werken voor het socialisme, of zelfs het communisme. In werkelijkheid bevat het programma – afgezien van het feit dat het de werkelijke situatie van de uitbuiting verhult – niets an­ders dan overheidsmaatregelen om de economie te rationaliseren. Het is onder dit teken dat de Russische wederopbouw plaatsvindt.

Het welvarende dorp – de “socialistische accumulatie”

Het eerste wat het programma uitspreekt is de “koers naar industrialisatie.” In alle toespraken van de leidende bolsjewieken komt als rechtvaardiging hiervoor de zin­snede terug dat in de behoefte van het land aan industriegoederen niet in Rusland zelf kan worden voorzien. Rykov spreekt hierover: “De belangrijkste oorzaak van de honger naar goederen is de geforceerde groei van de koopkrachtige vraag. In het boerenbudget was een grote verandering aan de gang in vergelijking met de periode voor de oorlog. De nationalisatie van de grond, de bevrijding van de boeren van de lasten van de aankoop van grond en de betaling van pacht aan de landeigenaar, hand in hand met de opleving van de landbouw, vergroten de koopkracht van de boer. Dankzij de aanzienlijke verlaging van de normale landbouwbelasting en de stijging van de graanprijzen, dankzij de royale kredietverlening aan onze graanverzamelende orga­nen, is de koopkracht van het dorp dit jaar aanzienlijk toegenomen.” 1) Als we nu buiten beschouwing laten – waar Rykov ook op wijst – dat de uitbreiding en nieuwe vestiging van de industrie weliswaar eindproducten verbruikt, maar voorlopig nog geen goederen op de markt brengt, waardoor de honger naar goederen nog groter wordt, blijft het privé-eigendom over als koper van een grotere hoeveelheid goederen. Voor ons communisten is het essentiële echter dat het recht om een grotere hoeveelheid goederen te kopen wordt verkregen door de exploitatie van de ar­beidskracht. Deze uitbuiting beperkt zich niet tot de werknemers in particuliere on­dernemingen. Ook de staatsarbeiders worden door de gestegen graanprijzen geplun­derd. Rykov vermeldt ook dat de lonen van de arbeiders zijn gestegen; maar of de reële lonen ook zijn gestegen of zelfs gedaald, vermeldt hij niet.

Omdat de koopkracht van het privé-bezit is toegenomen, moet de industrie – om aan de vraag te voldoen – dus worden uitgebreid. Zo komt het tweede punt van het pro­gramma, dat voorzichtig “socialistische accumulatie” werd genoemd, op de voorgrond. De Russische staat kan de middelen hiervoor – als men de belasting op de grond buiten beschouwing laat – alleen verkrijgen door de uitbuiting van de arbeiders in de staatsbedrijven. Daarom voorziet het programma niet in de laatste plaats in een cam­pagne om de productiviteit van de arbeid te verhogen. Stalin formuleert dit als volgt: “Tenslotte moeten wij een campagne voeren tegen tijdverspilling in de fabrieken en bedrijven, voor de verhoging van de productiviteit van de arbeid, voor de versterking van de arbeidsdiscipline in onze ondernemingen. Aan de arbeiders moet worden uitgelegd dat zij, door toe te staan dat werkuren worden verzuimd en door de werkinspanningen niet te bevorderen, de algemene zaak schaden”. – De over­tuiging dus dat werken voor het socialisme betekent dat de arbeiders hun ar­beidsinspanning moeten opvoeren. Laten we nu, op basis van wat de vooraanstaande personen hebben gezegd, nagaan wat er gebeurt met het meerproduct dat de arbei­ders produceren.

Tantième Communisme

Zo verklaart Stalin: “Het is noodzakelijk ons staats- en coöperatie-apparaat, ons volkscommissariaat en de economische vereffeningsinstellingen te beperken, goed­koper te maken en te saneren. Niet voor niets heeft Lenin tientallen en honderden malen verklaard dat de arbeiders en boeren de overbelasting en kostbaarheid van ons staatsapparaat niet kunnen verdragen, dat het koste wat kost moet worden ingeperkt en afgezwakt.” Hij geeft als voorbeeld het feit dat in de graanoogst van de staat, in plaats van de berekende 5 kopeken per poed, er 13 werden verbruikt, en verklaart dit door het feit dat “iedere min of meer zelfstandige employee, voordat hij aan het werk ging, zich voorzag van een leger van stenografen en typistes, en absoluut over een auto moest beschikken”. “Daar ziet u” – voegt hij eraan toe – “waar de middelen die wij hebben vergaard naartoe gaan en zullen gaan tenzij wij de strengste maatregelen ne­men tegen de vraatzucht van ons staatsapparaat. Ik heb hier slechts één voorbeeld gegeven, maar wie weet er nu niet dat er honderden en duizenden van dergelijke voorbeelden in ons land zijn.”

Hij spreekt vrij drastisch over de willekeur van de communisten als staatsambtenaren die bijvoorbeeld aan een aantal werknemers vergoedingen geven die tantièmes wor­den genoemd. Letterlijk: “Voor sommige communisten is het ook geen grote moeite om als varkens de tuin van de staat binnen te dringen en daar rond te wroeten of hun vrijgevigheid te tonen op kosten van de staat. “ 2) Ook diefstal van staatseigendom­men is wijdverbreid en Stalin zelf benadrukt dat de omgeving van de dief eerder geneigd is hem aan te moedigen dan hem te ontmoedigen.

Als de bolsjewieken verklaren dat zij deze “varkenseconomie” met alle middelen zullen aanvallen, zullen zij daar slechts in beperkte mate in slagen, omdat zij de voedingsbodem ervan niet kunnen aanvallen. De staat en zijn economie zijn, zolang zij gebaseerd zijn op uitbuiting, een vreemd lichaam voor de onderdrukte leden van de samenleving. Ieder individu zal dan zijn eigen voordeel nastreven, en men zal moeten berusten in het feit dat een groot deel van het door de arbeiders geproduceerde meerproduct in de vangnetten van het noodzakelijkerwijs kolossale bureaucratische apparaat terecht zal komen.

Ondanks dit alles zal een deel van het overschot overblijven dat kan worden gebruikt voor accumulatie, voor de uitbreiding van de industrie. Maar wat deze nieuwe opbouw van fabrieken en werkplaatsen, waarin de loonarbeid opnieuw wordt uitge­buit, gemeen kan hebben met het socialisme blijft het geheim van de bolsjewieken, waarop wij in het volgende nummer nader zullen ingaan.

II.

De verwijzing naar de feitelijke omstandigheden in Rusland wordt door de aanhangers van de Internationale van Moskou – wanneer ze aan het einde van hun latijn zijn – afgedaan met de opmerking dat de terugkeer van het kapitalisme in Sovjet-Rusland nu eenmaal te danken is aan de kracht van de omstandigheden. Maatschappelijke ver­houdingen zijn geen bovennatuurlijke krachten, maar menselijke relaties. En als in de Russische Oktoberrevolutie de boerenklasse en de proletarische klasse tegelijkertijd hebben gestreden voor hun bevrijding, dan mag de KAPD voor zichzelf opeisen dat zij de moeilijkheden van de Russische situatie al had begrepen en opriep tot actieve, in­ternationale solidariteit toen de kostgangers van Zinovjev met veel poeha de arbei­dersmassa’s overal nog wezen op de hemel van de proletarische revolutie – om wat voor redenen dan ook. Het Marxisme ziet in de klassenstrijd de locomotief van de geschiedenis. Men mag de bolsjewieken dus niet alle verantwoordelijkheid voor hun politiek ontnemen door domweg te verwijzen naar de “omstandigheden”.

Lenisme is staatskapitalisme

Vanuit het standpunt van de klassenstrijd zou het onzinnig zijn de bolsjewieken op te roepen afstand te doen van de regeringsmacht, omdat men per slot van rekening naar het kapitalisme moet opklimmen. Het was slechts een pathetisch gebaar toen Trotski jaren geleden verklaarde dat de bolsjewieken, als zij van het historische toneel moesten verdwijnen, de deur achter zich in het slot zouden gooien, zodat de aardbol zou beven. Men moet wel blind zijn om niet te erkennen dat in de economische leer van het bolsjewisme, in zijn opvatting over de organisatie van de nationale economie en de daaruit voortvloeiende economische politiek, een rechte lijn ligt die uiteindelijk leidt tot dat nieuwe soort systeem van uitbuiting dat wij staatskapitalisme noemen.

Reeds in 1917 schetste Lenin de grondlijnen van deze nieuwe economische or­ganisatie in zijn geschrift “Staat en Revolutie”, en de politiek van de bolsjewieken is tot op de dag van vandaag een consequente voortzetting van de eenmaal ingeslagen weg, die in de stroom van het leven natuurlijk zijn specifiek praktische gezicht krijgt. Lenin eist als taak van de dictatuur van het proletariaat de organisatie van de gehele economie “naar het model van een staatskapitalistische trust”. Alle maatregelen van de Russische regering zijn duidelijk herkenbaar gericht op de tenuitvoerlegging van dit beginsel. In de door de staat beheerde industrie is dit reeds gebeurd. Centrale han­delsmaatschappijen op het gebied van de goederencirculatie en productiecoöperaties in de stad en op het platteland moeten het resterende deel van de economie onder staatscon­trole brengen. “Combineren tot trust” is dus het leidende standpunt van de economische politiek van de staat in Rusland. En het geschil over de vraag of de ondernemin­gen van de staat als socialistisch kunnen worden bestempeld, gaat alleen over de vraag of men een dergelijk staatstrust “socialisme” wil noemen.

In de praktijk blijkt echter dat de staat de economie slechts kan samenvatten en be­heren zoals zij is, d.w.z. een economie die voor een groot deel rechtstreeks privaat is, die – omdat de goederenruil niet met staatsbureaucratische middelen kan worden ver­wezenlijkt – een vrije markt vereist, en die, bij gebrek aan enige andere economische regulering, gebaseerd is op de exploitatie van “vrije” loonarbeid.

“Staatssocialisme” is loonslavernij

Voor zover in dit systeem privé-economie bestaat en zal blijven bestaan, gaat het meerproduct van de uitgebuite arbeidskracht over in de handen van de privé-ge­bruikers van de vreemde arbeidskracht. Het meerproduct van de arbeiders in de staatsondernemingen staat ter beschikking van de staat zelf, die ook hier geen hersen­schim is, maar het werkelijke gezicht krijgt van de bureaucratie die de macht bezit en uitoefent. Stalin heeft ons sprekende voorbeelden gegeven van hoe de bureaucratie hiermee omgaat.

De economische overwegingen van de staat kunnen niet anders zijn dan die van de privé-kapitalisten. Men dringt vooral aan op een grotere productiviteit van de arbeid, probeert de organisatie van de economie te verbeteren en het administratieve appa­raat goedkoper te maken. Dit is niet anders dan wat de concerns en trusts in kapi­talistische landen ook doen: rationalisatie van de economie. Als men ervan uitgaat dat de Russische staat zal slagen in de door de bolsjewieken in socialistische frasen ver­pakte rationalisering, blijft het mogelijke resultaat niet meer dan een versterking van de staatseconomie. De grotere schaal van de staatseconomie brengt een grotere massa meerproducten of meerwaarde met zich mee, die ter beschikking staan van de staat en die dienen – voor verdere socialistische accumulatie? Waar is het einde hier, of met andere woorden: Hoe wordt het belang van de producent, van de loonarbei­der, in deze ontwikkeling behartigd? De Moskou-aanhangers zijn nooit te beroerd om te antwoorden en verwijzen bij voorbeeld naar de verslagen van de arbeidersdele­gaties naar Rusland, die vooral wisten te vertellen over rusthuizen en andere sociale voorzieningen van de staat. Wat hier echter opzettelijk over het hoofd wordt gezien, is dat het vooral de staatsbureaucratie is die op deze manier in haar eigen behoeften en in die van haar dienaren voorziet, en dat ook op dit gebied noodzakelijkerwijs een sociale tweedeling optreedt. Een uniek “socialisme” trouwens, dat eerst de arbeiders uitbuit om hen later sociale staatsvoorzieningen te geven.

De Russische arbeiders wordt door de staat ook loonsverhogingen in het vooruitzicht gesteld als resultaat van een hogere productiviteit. Hoewel in de praktijk niets van dit alles te merken is – wanneer de lonen nominaal worden verhoogd, stijgen ook de prijzen, zoals in elk ander land. Ook zou er in feite sprake zijn van een verhoging van de levensstandaard van de arbeiders, dan is dit geenszins iets wat eigen is aan het socialisme. De Amerikaanse industrie heeft de productiviteit van de arbeid tot het maximum opgevoerd en geeft de arbeiders veel hogere lonen dan het kapitalisme in Europa. An­derzijds is het in Rusland de staat, d.w.z. de bureaucratie die hem belichaamt, die bepaalt of en in welke mate de lonen worden verhoogd en hoe de sociale voorzienin­gen in het algemeen worden betaald. De staat van de arbeiders en de boeren – de korte formule voor de economische leer van het Leninisme – is de garantie van het so­cialisme. Het hele economische beleid van de bolsjewieken is dan ook gericht op de nationalisatie van de economie en is volledig in overeenstemming met de feitelijke ontwikkeling in Rusland.

Het geloof in de staat en de macht van de leider

Volgens de opvatting van het Leninisme is alle leven geconcentreerd in de staat; alle energieën van de maatschappij vloeien naar de staat als het centrale culminatiepunt, en van daaruit straalt de verenigde energie op haar beurt terug naar alle leden van de maatschappij. Zo moet deze leer een ingewikkeld mechanisch systeem van het maatschappelijk leven worden, waarin men de veelvormige stroom der dingen tracht te persen. Noodgedwongen wordt de kwestie van de invoering van het communisme, d.w.z. van het beschikkingsrecht van de door het kapitaal onteigende producenten over de heroverde productiemiddelen, daardoor verlegd naar het terrein waarop de arbeiders moeten strijden voor een grotere of kleinere invloed op het mechanische, bureaucratische bestuursapparaat. Kansen daartoe worden geboden door de Sovjet-verkiezingen, de activiteit in de vakbonden en in de regeringspartij. Via deze kanalen moet de wil van de arbeiders en boeren worden doorgegeven aan de centrale regeringsmacht, die vervolgens van hieruit uitstraalt via de hoogste Economische Raad, de leidingen van de trusts en andere centrale bestuursorganen, om tenslotte weer bij de arbeiders terecht te komen in de persoon van de “rode directeur”. Men hoeft niet eens een schoolmeester in het ABC van het Marxisme te zijn om te be­grijpen welke gedaanteverandering de “wil van het volk” op deze manier ondergaat.

Het feit van overheersing en uitbuiting wordt niet veranderd door welk systeem dan ook, hoe fijntjes ook uitgedacht, dat probeert de arbeider en de boer de politiek van de staat te laten bepalen; het [feit van overheersing en uitbuiting] bestaat en wordt uitgeoefend door het bureaucratische staatsapparaat. De enige manier om binnen dit systeem vooruitgang te boeken is door de staat te “democratiseren”.

De ontluikende economische staatskolos in Rusland, die zich zelfs in zijn jeugd in al zijn afschuw presenteert, is niet alleen het resultaat van bijzondere Russische omstandigheden, maar tegelijkertijd het product van de actieve bemoeienis van de bolsjewieken, die in dit verband een zeer bepaalde school van denken in de oude arbeidersbeweging vertegenwoordigen. Door de sociaal-democratie van Lasalle tot Lenin loopt als een rode draad het geloof in de almacht van de staat. De visies verschillen in detail, maar zij komen samen op het brandpunt waar de staat, dat wil zeggen de gecentraliseerde politieke commandomacht door hulp aan de productie – zoals bij Lassalle – of door middel van de dictatuur – zoals bij Lenin – het sociale probleem oplost. Achter de cultus van de staat gaan in werkelijkheid het ongeloof in de krachten van het proletariaat en, in de praktijk, de harmonie tussen arbeid en kapitaal schuil.

De vakbonden, als economische organisaties, ademen dezelfde geest; zij belichamen het beginsel dat de massa’s aan de leider worden gebonden om door hem uit de ellende en de nood te worden geleid naar het bevrijdende socialisme. De opvatting van het socialisme die met deze geest overeenstemt, ziet dus in de persoon van de leider ook de garantie van de bevrijding van de arbeidersklasse. Als de arbeidersklasse in deze geest handelt, kan het in de praktijk tot niets anders leiden dan dat de arbeidersklasse alle macht aan de leiders overgeeft, hen tot meesters over zichzelf stelt en van hen de vervulling van haar hoop en verlangens verwacht. De bekwame, trouwe, niet-verraderlijke leider wordt zo het kernprobleem en -ideaal van de arbeidersbeweging. – Wat een contrast is er tussen deze ideologie en het revolutionair Marxisme!

Nergens is het duidelijker dan hier dat de Russische bolsjewieken vlees zijn van het vlees van de oude sociaal-democratie. Als leiders van weleer menen zij dat zij vanaf hun bevelshoogte het proletariaat en de maatschappij het communisme in kunnen manoeuvreren, en niettemin zijn zij slechts de gevangenen van hun eigen systeem. Ook al denken zij dat ze kleine Napoleons zijn, ze zullen de geschiedenis niet kunnen bedriegen, want de productiekrachten van de maatschappij zullen, eenmaal gebonden aan een bepaald systeem, de wetten gehoorzamen die door dat systeem worden opgelegd. De Staat der Leiders – zoals deze dictatuur genoemd moet worden – kan alleen maar streven naar vergroting van zijn macht en zo zijn eigen tegenstander, het uitgebuite proletariaat, kweken, totdat er uiteindelijk een revolutionaire ontlading plaatsvindt en een nieuwe orde wordt geboren.

Van onderop

Als M a r x de taak van de proletarische revolutie samenvat als het teruggeven van de productiemiddelen aan de producenten die door het kapitaal onteigend zijn, dan staat het staatssocialisme daar juist haaks op. De beschikking over de productiemiddelen wordt de arbeiders ontnomen en volledig in handen van de staat gelegd. Maar de staat, die zich op hoogdravende wijze opwerpt als staat van arbeiders en boeren, krijgt als gecentraliseerd staatseconomisch apparaat het karakter van heerschappij over de maatschappij, waarvan de omvang van macht zelfs de grote kapitalistische trusts overschaduwt.

Wil de proletarische revolutie tot het communisme leiden, dan moet zij de arbeiders de feitelijke beschikking over de productiemiddelen geven, want alleen dan is het proletariaat in staat zijn eigen lot te bepalen. In de KAPD en de Algemene Arbeidersbond is voor het eerst in de geschiedenis van de arbeidersbeweging praktisch de weg ingeslagen van het bereiken van de grootste zelfstandigheid en zelfbestuur van de groepen als de kern van de zaak, en zo tot eenheid te komen. Wat hier in de eerste beginfase leeft in het klassenbewuste proletariaat moet het basiskenmerk worden van de communistische economie. Voortbouwend op het zelfbestuur van de bedrijfsorganisaties, ontwikkelt zich dan door hun eenmaking de verbinding rond de sociale productie. De aard en de inhoud van het [bedrijfs-]bestuur is dan evenwel – in tegenstelling tot het staatscommunisme, waar dit de taak is van de staat en zijn leiders – een publieke aangelegenheid. In de vorm van wetten en richtlijnen volgens welke het bestuur van de bedrijfsorganisaties moet worden gevoerd, regels voor het verloop van de productie en de reproductie, wordt de hoogste eenheid van de economie bereikt door zelfbestuur. Het zal onze taak zijn op andere plaats in detail de voornaamste kenmerken van deze economische ordening uiteen te zetten. Maar zonder daarop vooruit te lopen, kunnen wij met alle zekerheid stellen dat het beheer van de economie door de staatstrust nooit zal leiden tot een klassenloze maatschappij, maar slechts de wederopbouw van de uitbuitingseconomie zal betekenen, zij het in een gewijzigde vorm.

Het is juist over deze kwestie dat de KAPD duidelijkheid moet brengen in de hoofden van de arbeiders, want hier ligt in werkelijkheid de wortel van het grandioze verraad aan het proletariaat dat we nu bij elke stap tegenkomen.

Bron: Max Hempel /Jan Appel Das russische Wiederaufbauprogramm in Proletarier Jg. 1926, Heft 8/9 und 10, S. 151ff und 175ff.

Vertaling en toelichtingen tussen vierkante haken: F.C.

Noten

1 Rykow: Die wichtigsten Charakterzüge der Wirtschaftslage in der Sowjetunion. Inprekorr. Nr. 61, 1926.

2 Stalin: Über die Wirtschaftslage der Sowjetunion, Bericht an die Parteiarbeiter in Leningrad, Inprekorr. Nr. 62, 1926.

Voor de verhandeling over een communistische economie die Jan Appel in bovenstaande artikel aankondigde, zie:

Eerste boekuitgave van ‘Grondbeginselen’ (GIC)

Max Hempel /Jan Appel: Het Russische heropbouwprogramma (1926)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s