Trotski effent de weg voor Stalin

Deel 24 van de eerste Nederlandse vertaling van Willy Huhn: Trotski – de mislukte Stalin.

Het is bekend dat het oorlogscommunisme, en daarmee de militarisering van de arbeid, mislukte en dat in het voorjaar van 1921 een “Nieuwe Economische Politiek” (NEP) werd ingevoerd, die echter de beslissende staatskapitalistische posities ijzersterk handhaafde. Wij moeten de invoering van de NEP hier alleen beschouwen vanuit ons eerdere bijzondere militair-politieke gezichtspunt.

Tijdens de periode van het militair georganiseerde “communisme” was het verbond tussen de boeren en de arbeiders uiteengevallen, de proletarische en de agrarische revolutie stonden lijnrecht tegenover elkaar. Later stelde SOKOLNIKOV in zijn twistgesprek met het “Trotskisme” terecht dat uit de erkenning van de rechten van de boeren op de grond “volgde dat de boeren niet langer afhankelijk waren van het bondgenootschap met de arbeiders” en dat de methoden om de boeren te “commanderen” moesten worden opgegeven na het einde van de directe oorlog in 1921. Dit betekende dat de militaire dwangmiddelen in de landbouw moesten worden ontmanteld, of althans afgezwakt.(1) De golf van boerenopstanden die Rusland vanaf 1920 overspoelde werd herhaaldelijk neergeslagen door het Rode Leger, en vaak genoeg door gewapende stedelijke arbeiders, maar men kon niet voorkomen dat de boeren alleen voor eigen gebruik werkten. De bolsjewieken beseften dat de landbouwproduktie niet kon worden opgevoerd met militaire organisatieprincipes, en dat de boeren behoefte hadden aan de prikkel tot het produceren van een landbouwoverschot en vooral aan de vrije verkoop daarvan op een vrije markt. In plaats van het verplicht afstaan, zelfs opeisen, van goederen in natura, zou een belasting worden ingevoerd die de boer een overschot zou opleveren.(2) En de Agrarische Code, die in 1922 van kracht werd, zag uitdrukkelijk af van de socialisatie van de 20 miljoen boerenbedrijven.

Uit de nederlaag van het Rode Leger in de oorlog tegen Polen moesten beslissende militair-politieke conclusies worden getrokken. Men begreep dat voor de strijd tegen moderne legers in het tijdperk van oorlogsmachines, technisch eersteklas opgeleide kaders nodig waren. In een geïndustrialiseerd leger moesten deze kaders bestaan uit een kern van geschoolde, hoogwaardige arbeiders. Na de veldtocht in Polen werd het tot dan toe technisch onvoldoende gekwalificeerde massaleger van het Rode Leger gedemobiliseerd – van vijf miljoen in 1920 tot twee miljoen in 1922 – en in 1923 had het nog maar een hoofdsterkte van 600.000. Maar om, na een dergelijke vermindering van kwantiteit ten gunste van kwaliteit, in geval van nood het kaderleger te kunnen aanvullen tot een massaleger, werd het militie- en territoriale systeem ingevoerd, dat reeds door Trotski werd bepleit op het Negende Partijcongres (maart-april 1920). En het is veelzeggend dat

“de invoering van de NEP had zijn reden niet in de laatste plaats in het scheppen van de voorwaarden voor een militieleger klaar voor actie, die in de bijzondere omstandigheden vooral te vinden waren of zijn in de ontwikkeling van de productiekrachten en het transportapparaat, alsmede in het tot stand brengen van een draaglijke verhouding tussen arbeiders en boeren”.

Deze interessante opmerking(3) is waarschijnlijk begrijpelijk in het licht van Trotski’s verklaring dat in 1919/20 zo’n 80 tot 85% boeren in de gelederen van het Rode Leger vochten.(4)

Wij hebben gezien hoeveel macht Trotski uiteindelijk in 1920 had vergaard: als organisator van het Rode Leger had hij de volledige controle gekregen over alle menselijke reserves, hij had de leiding gekregen over de spoorwegen, en hij was goed op weg om zelfs de Russische economie aan zich te onderwerpen door middel van de militarisering van de arbeid. Zijn militair centralisme stuitte echter niet alleen op verzet bij de boeren en arbeiders, maar er ontstond ook een “militaire oppositie” vanuit het partijapparaat zelf onder leiding van STALIN. Lenin probeerde deze tegenstellingen in evenwicht te brengen door te wijzen op Trotski’s militaire genie en zijn verdienste bij het redden van de revolutie, maar in dit conflict tussen de partijbureaucratie en het militaire apparaat moest Lenin ook vaak Stalin verdedigen tegen Trotski’s vijandigheid. Trotski, die twee en een half jaar lang vanuit zijn speciale trein niet alleen het Rode Leger maar ook de arbeiderslegers en de industrie organiseerde en leidde, werd door de oude bolsjewieken beschuldigd van “Bonapartistische verlangens”.

“Opgegroeid in de leer van de grote Franse Revolutie, keken de Bolsjewieken naar het wonderbaarlijke gedrag van hun opperbevelhebber en moesten denken aan Napoleon Bonaparte.”

Deze beschrijving door RUTH FISCHER(5) wordt nog duidelijker wanneer we vernemen dat de collegiale autoriteit, de “Revolutionaire Oorlogsraad”, weinig te beslissen had omdat het centrum van de militair-organisatorische beslissingen precies in Trotski’s speciale trein lag. De partij vreesde een scheiding van het leger en de partij en nam het op zich de militaire zaken weer onder bolsjewistische controle te brengen. In juli 1919 besloot het Plenum van het Centraal Uitvoerend Comité daarom, in tegenstelling tot het advies van Trotski, een nieuwe oorlogsraad te organiseren.

Op dat moment dreigde Trotski af te treden en zij hadden grote moeite om het conflict bij te leggen. Van nu af aan wilde hij nog steeds zijn macht ten opzichte van het partijapparaat vergroten, maar met dit voornemen moest hij in harde oppositie komen tegen Lenin. Dit werd eind 1920 duidelijk in de kwestie van de vakbonden: wij kennen reeds Trotski’s standpunt, volgens hetwelk de bolsjewistische staat de vakbonden nodig had, niet als organisaties van de arbeiders om te strijden voor betere arbeidsvoorwaarden, maar om de proletarische klasse te organiseren, te disciplineren en te leiden ten behoeve van de produktie. Op het moment van het Vijfde All-Russische Vakbondscongres (november 1920), riep Trotski nu op tot de inlijving van de vakbonden in de gemilitariseerde economie. Hij schrijft hierover in zijn autobiografie:

“Ik zag geen plaats voor een onafhankelijke rol van de vakbonden in het systeem van het oorlogscommunisme, dat alle beschikbare middelen althans in principe nationaliseerde en ze verdeelde naar gelang van de behoeften van de staat. Als de industrie afhankelijk was van de staat om de arbeiders van de nodige produkten te voorzien, moesten de vakbonden worden opgenomen in het systeem van staatsbeheer van de industrie en de distributie van produkten”.

Het was zeker niet Trotski’s bedoeling om van de vakbonden een voorloper te maken van het “arbeidersfront” van de staatspartij, maar dit is precies wat er terecht zou zijn gekomen van zijn veronderstelde primaire bedoeling om zijn eigen militaire apparaat te versterken door de vakbonden ondergeschikt te maken om zo de overheersing van de partij in het staatsapparaat tegen te gaan. Wij zijn het ook nog steeds eens met de volgende opmerking van Ruth Fischer: “Als leider van een militair-vakbondscombinatie zou Trotski de sleutelpositie in partij en staat hebben bekleed.” Lenin daarentegen verdedigde, samen met Stalin en de andere oude bolsjewieken, het partijmonopolie. Wij achten het daarom zeer waarschijnlijk dat Trotski zich pas resoluut aansloot bij de oppositie van de leiders van de partij van de bolsjewieken onmiddellijk na het besluit van het Plenum van het Centraal Uitvoerend Comité van oktober 1923 om de Oorlogsraad te controleren door afvaardiging van een paar vooraanstaande bolsjewieken.(7) Op het beslissende moment – onmiddellijk voor de opstand van Kronstadt en de invoering van de NEP – verzette Lenin zich dus zelf met de oude bolsjewieken eind 1920 nog tegen de volledige overwinning van het Trotskistische Bonapartisme , waardoor de macht van de partij over het door Trotski georganiseerde leger aanvankelijk werd hersteld. De verdere ontwikkeling tot aan het besluit van oktober 1923, dat Trotski in een beslissende oppositie dreef, was slechts het gevolg van Lenins houding, die Stalin logischerwijs voortzette. Het moderne Russische Bonapartisme kwam dus niet voort uit het apparaat van het leger, maar uit de bureaucratie van de partij.

En toch heeft Trotski zelf de basis gelegd voor het Stalinisme. We hebben gezien hoe de bittere noodzaak van de vorming van het Rode Leger de eerste beslissende bres in het radenstelsel sloeg. De arbeiders- en fabrieksraden volgden, en het was Trotski die hun opheffing en uitschakeling rechtvaardigde met een beroep op de noodzaak van centralisme, die hun verdedigers uitmaakte voor “reactionair federalisme” en “kleinburgerlijk anarchisme”. Wij moeten het dus ook eens zijn met de volgende zinnen van ARTHUR ROSENBERG:

“Hij (Trotski; Huhn) vergeet … dat de communestaat van 1871 het werk was van anarchistische federalisten en dat de essentie van het raden-beginsel van 1917 ook een anarchistisch, anti-staats anticentralisme is. Het ‘revolutionair proletarisch centralisme’ kan noodzakelijk zijn in revolutie en burgeroorlog. Maar zijn voorouders zijn de Franse terroristen van 1793, en het heeft niets gemeen met het raden-systeem.” (8)

In zoverre Trotski zelf, toen hij nog in Rusland was, het radenstelsel de macht ontnam en de opstand van Kronstadt, met als programma “Raden zonder bolsjewieken!”, bloedig neersloeg, heeft hij ook de ontwikkeling in gang gezet die het Stalinisme, de bureaucratische contrarevolutie, pas mogelijk maakte. De sovjetregering is een pure fictie geworden, niet alleen sinds Trotski’s eliminatie, maar reeds sinds 1918. Trotski heeft eens – nogal abrupt – in zijn slotwoorden op de conferentie van militaire afgevaardigden naar het Elfde Partijcongres (maart-april 1922) het grondbeginsel van zijn politieke houding geformuleerd: “Onze taak is de beheersing van de massa’s.”(9) Maar het systeem van de raden heeft het historische doel om juist deze beheersing van de massa’s op te heffen.

Dus toen PAUL AXELROD eens de mening uitte dat na de politieke omverwerping van Trotski (1924) “een soort Bonapartisme de beste vooruitzichten heeft om de erfenis van de Bolsjewieken over te nemen”(10), zouden wij daaraan willen toevoegen dat Trotski zelf daarvoor al de eerste kandidaat was. In Duitsland begon de contrarevolutie met het machteloos maken en het uitschakelen van de arbeiders- en soldatenraden; waar deze zich niet schikten, leerde men ze een lesje met machinegeweren en handgranaten. De man die deze bijlessen militair organiseerde heette NOSKE. Is dezelfde Trotski, die de basis van het Bonapartisme heeft gelegd door de Russische arbeiders- en soldatenraden hun macht te ontnemen en uit te schakelen en die de matrozen en de scheepswerfarbeiders van Kronstadt heeft afgeknald, niet de Noske van Rusland geworden? Noske maakte de weg vrij voor HITLER – en wie maakte de weg vrij voor Stalin?



Wordt vervolgd

Bron: Willy Huhn, Trotzki – der gescheiterte Stalin, 1952.

Vertaling: F.C.

[Toevoegingen van de redactie]

NOTEN

1 In: Die Tragödie Trotzki, herausgegeben von Grigori Dimitrioff. Berlin 1925, p. 51–52.

2 W. I. Lenin, Sämtliche Werke, Bd. XXVI: Vom Kriegskommunismus zur Neuen Ökonomischen Politik. Moskau 1940, p. 293 ff.

3 Franz L. Schulhöfer, idem, p. 86.

4 Leo Trotzki, Terrorismus und Kommunismus, idem, p. 113.

5 Ruth Fischer, idem, p. 189 und 200–201.

7 Elias Hurwicz, idem, p. 340.

8 Arthur Rosenberg, Geschichte des Bolschewismus, Berlin 1932, p. 119–122.

9 Antonow-Owsejenko, idem, p. 124.

10 In: Die Tragödie Trotzki, idem, S. 79.

Trotski effent de weg voor Stalin

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s