GIC, Van ieder naar zijn mogelijkheden, aan ieder naar zijn behoeften!

Group of International Communists,
From each according to his ability, to each according to his needs!

2021 Hermann Lueer (Editor/Translator)

105 pages, €8,07

Red & Black Books

ISBN 978-3-9822065-7-8

Gruppe Internationaler Kommunisten,
Jeder nach seinen Fähigkeiten, jedem nach seinen Bedürfnissen!

Hermann Lueer (Hrsg.) 2021

111 Seiten, €5,35

Red & Black Books

ISBN 978-3-9822065-8-5

De meeste Marxisten houden niet van Marx. Zij houden tenminste niet van de economische beginselen van de communistische maatschappij die Marx afleidde uit zijn kritiek op het kapitalisme. Maar de meeste Marxisten bekritiseren Marx ook in dit opzicht niet en geven er de voorkeur aan hem te interpreteren.

De Grondbeginselen van de Communistische Productie en Distributie, het nu legendarische boek van de Groep van Internationale Communisten uit 1930, was zowel een gedetailleerde uiteenzetting van de communistische produktiewijze die Marx en Engels slechts hadden geschetst, als een fundamentele kritiek op het revisionisme van de politieke partijen die zich op Marx baseerden.

Dit boek bevat een selectie van artikelen die door de leden van de Groep van Internationale Communisten tussen 1925 en 1936 in verschillende tijdschriften zijn gepubliceerd en waarvan de kritiek tot op heden niets aan actualiteit heeft ingeboet.

VOORWOORD VAN DE REDACTEUR (HERMANN LUEER).

“Van ieder naar zijn mogelijkheden, aan ieder naar zijn behoeften!” 1

Dit ongetwijfeld beroemdste citaat van Karl Marx werd de belichaming van de communistische samenleving, waarin marxisten en anarchisten zich tot op de dag van vandaag kunnen verenigen. Tegelijkertijd is het grootste misverstand, of liever de meest fundamentele herziening van Marx’ kritiek op de politieke economie, verbonden met dit leidende beginsel.

Marx heeft nooit onderscheid gemaakt tussen een socialistische overgangsfase en het communisme. Voor Marx werd het communisme gerealiseerd met de succesvolle sociale revolutie, met de afschaffing van de uitbuitingsverhoudingen. Marx toonde met zijn analyse van de economische verhoudingen aan dat overal waar een deel van de maatschappij het monopolie op de produktiemiddelen bezit, de arbeider, vrij of onvrij, een deel van zijn arbeidstijd beschikbaar moet stellen voor de produktie van luxeartikelen voor de eigenaar van de produktiemiddelen. Alleen de vorm waarin deze meerarbeid aan de directe producent wordt onttrokken, onderscheidt de economische maatschappijvormen).2

Zo eenvoudig als de grondslag van de overheersing van de arbeidersklasse is, even eenvoudig was voor Marx de daaruit voortvloeiende afschaffing van de kapitalistische loonarbeid. Deze afschaffing kan slechts plaatsvinden wanneer de scheiding tussen de arbeider en het produkt van de arbeid wordt opgeheven, wanneer het beschikkingsrecht over het produkt van de arbeid en dus over de produktiemiddelen opnieuw aan de arbeiders toekomt. In de vereniging van vrije mensen, waarin met gemeenschappelijke produktiemiddelen wordt gewerkt en de vele individuele arbeiders zelfbewust als één sociale arbeidskracht worden besteed, is de gemeenschappelijk uitgeoefende beschikking over de resultaten van de produktie door de vrije producenten de essentiële bepaling van de communistische maatschappij.

Daarvoor is, in tegenstelling tot wat de meeste Marxisten die zich op Marx beroepen denken, geen lange ingewikkelde weg onder leiding van de partij nodig om, zoals Lenin het uitdrukte, zelfs maar het laagste stadium van het communisme te bereiken. Integendeel, het “staatscommunisme” ontbeert van meet af aan de economische basis waarop het zijn ideaal van het afsterven van de staat kan verwezenlijken. Met de nationalisatie van de produktiemiddelen in naam van het volk, wordt de loonarbeid niet afgeschaft. Een socialisering van de produktiemiddelen die niet tegelijk de scheiding tussen arbeider en produkt opheft, schiet zijn doel voorbij, omdat daarmee de met loonarbeid verbonden uitbuitingsrelatie wordt bestendigd. Zij mist de economische basis van de communistische maatschappij, die de leden van de maatschappij in staat stelt zelf hun arbeidstijd en consumptie te bepalen – d.w.z. wat zij willen hebben en hoeveel zij willen werken volgens hun individuele afweging van inspanning en opbrengst.

Marx en Engels waren geen idealistische utopisten die zich een betere wereld voorstelden met voorbijgaan aan de economische omstandigheden. Zij wisten dat het rijk van de vrijheid pas begint waar de door noodzaak en uitwendige doelmatigheid bepaalde arbeid ophoudt; met andere woorden, uit de aard der zaak ligt het rijk der vrijheid buiten de sfeer van de feitelijke materiële productie.3 Voor Marx en Engels was het communisme echter evenmin een project aan de verre horizon van de menselijke geschiedenis, wanneer de productiekrachten zich zo ver ontwikkeld hebben dat het rijk van de noodzaak grotendeels overwonnen is. Binnen de sfeer van de materiële produktie waren dus regels waarop alle sociale arbeid moet rusten voor hen onmisbaar voor de planning van de gemeenschappelijke reproductie na de sociale revolutie. De mens kan niet leven in een gemeenschap die gebaseerd is op arbeidsdeling en er tegelijkertijd vrij van zijn. De “vrije producenten kunnen echter niet willekeurig over de productiemiddelen beschikken, zoals ‘de vrije producenten’ onder het kapitalisme (de fabrieksbezitters of ‘leiders’) doen. Is de beschikking willekeurig , dan kan van een gemeenschappelijke beschikking geen sprake zijn .” 4

Vijftig jaar voordat Ludwig von Mieses het gros van de Marxisten duidelijk moest maken dat de afschaffing van de geldstandaard zonder vervanging neerkwam op de afschaffing van de rationaliteit in de economie, wisten Marx en Engels al dat door middel van de berekening van de arbeidstijd de individuele wens om te consumeren en de individuele bereidheid om te werken in het sociale planningsproces konden worden ingebracht. “Het nuttige effect van de verschillende gebruiksvoorwerpen, aan elkaar en ten opzichte van de voor hun aanmaak nodige hoeveelheden arbeid gemeten, zal tenslotte het plan bepalen. De mensen doen alles heel eenvoudig af, zonder tussenkomst van de beroemde ‘waarde’” 5 Alleen op deze basis kan de collectief uitgeoefende beschikking over de produktiemiddelen door de vrije producenten overgaan van de frase naar de werkelijkheid. Dat wil zeggen dat het voor iedereen mogelijk is zijn eigen werktijd en verbruik te bepalen. Inhoudelijk is de arbeidstijdrekening niets anders dan de feitelijke afstemming van de in de gemeenschappelijke planning gemaakte arbeidsverdeling.

De burgerlijke rechtshorizon is – in principe – onvermijdelijk verbonden met de berekening van de arbeidstijd, aangezien het recht van de producenten evenredig is met hun arbeidsprestaties en de gelijkheid erin bestaat dat ze gemeten wordt met dezelfde maatstaf, de arbeid.6 Dit stoort vele Marxisten en anarchisten als de duivel het wijwater. Maar de intellectueel-filosofische discussie over de vraag of de arbeidstijdrekening slechts een overgangsvorm is naar de volledige gemeenschap en het vrije gebruik van de maatschappelijke hulpbronnen, en dus of de enge burgerlijke rechtshorizon geheel kan worden overstegen, is niet echt relevant voor de beslissing van de meerderheid van de mensen. Op basis van de arbeidstijdrekening zou de meerderheid van de wereldbevolking al gewonnen hebben, ondanks de “onvermijdelijke burgerlijke rechtshorizon”, in vergelijking met de kapitalistische produktieverhoudingen. Dezelfde wet is hier nog steeds – in principe – burgerlijk recht, maar met een fundamenteel andere inhoud. De regeling van produktie en consumptie door middel van de berekening van de arbeidstijd laat geen klassentegenstellingen meer toe, en of individuele arbeid sociaal erkend wordt, wordt niet meer achter de rug van de leden van de maatschappij in concurrentie op de markt bepaald, maar is reeds vastgelegd door middel van een gemeenschappelijke planning.

Pas nadat met de algehele ontwikkeling van de individuen ook hun productieve vermogens zijn gegroeid en alle fonteinen van de collectieve rijkdom ten volle zijn gaan stromen, pas nadat de arbeid niet alleen het middel, maar zelf de eerste levensbehoefte is geworden, pas nadat de slaafse onderwerping van de individuen aan de arbeidsverdeling, en daarmee ook de tegenstelling tussen geestelijke en lichamelijke arbeid, is verdwenen, pas dan – wanneer het rijk van de noodzakelijkheid grotendeels is overwonnen – kan de enge burgerlijke juridische horizon geheel worden overstegen en kan iedereen gewoon doen wat hij wil.7

“De verdeling van de consumptiemiddelen is telkens slechts een gevolg van de verdeling van de produktievoorwaarden zelf; maar deze laatste verdeling is een eigenschap van de produktiewijze zelf. … Het vulgair socialisme heeft dit van de burgerlijke economen overgenomen om de verdeling te beschouwen en te behandelen als onafhankelijk van de produktiewijze, en dus het socialisme voor te stellen als een socialisme dat hoofdzakelijk draait om de verdeling. Nu we de echte verhouding allang hebben opgehelderd, waarom zouden we dan weer teruggaan?” 8

Reeds in 1930 presenteerde de Groep van Internationale Communisten in haar gelijknamige klassieke publicatie in detail de grondbeginselen van communistische productie en distributie, afgeleid van Marx’ en Engels’ kritiek op het kapitalisme. Bovendien werden door leden van de groep vanaf het midden van de jaren twintig tot het einde van de jaren dertig talrijke artikelen gepubliceerd, die ook na honderd jaar nog niets aan actualiteit hebben ingeboet. Zij leveren een fundamentele kritiek op de verschillende stromingen die zich beroepen op het Marxisme, het anarchisme of, meer in het algemeen, het socialisme – alle met het doel de arbeiders aan te moedigen “het beheer en de leiding van productie en distributie volgens algemeen geldende sociale regels zelf ter handte nemen, om zo de

associatie van vrije en gelijke producenten

te verwezenlijken.

De GIC ziet de wezenlijke vooruitgang van de arbeidersbeweging in de ontwikkeling van het zelfbewustzijn van de arbeiders. Daarom plaatst ze zich tegenoverde leiderschapspolitiek van de parlementaire partijen en de vakbeweging en stelt de leuze:

Alle macht aan de arbeidersraden

De productie in handen van de bedrijfsorganisaties.” 9

Noten

1 Karl Marx, Kritiek op het programma van Gotha.

2 Karl Marx, Het Kapitaal, Band 1, hoofdstuk 8. De arbeidsdag. § 2. De geeuwhonger naar meerarbeid. Fabrikant en bojaar.

3 Karl Marx, Het Kapitaal, Band 3, hoofdstuk 48. De trinitaire formule. § 3. “Deze meerarbeid verschijnt als meerwaarde en deze meerwaarde bestaat in een meerproduct. Meerarbeid in het algemeen, als arbeid hoger dan nodig voor de gegeven behoeften, moet er steeds zijn. In de kapitalistische, in de slavenmaatschappij, enz., heeft het alleen een antagonistische vorm en wordt het gecomplementeerd met de pure luiheid van een deel van de samenleving. Een bepaalde hoeveelheid meerarbeid is vereist als verzekering tegen ongelukken en de geleidelijke en onvermijdelijke uitbreiding van het reproductieproces, dat beantwoordt aan de vooruitgang en uitbreiding van de bevolking en dat vanuit kapitalistisch standpunt accumulatie wordt genoemd. Het is één van de beschavingsaspecten van het kapitaal dat het een meerarbeid afdwingt op een wijze en onder voorwaarden die gunstig zijn voor de ontwikkeling van de productiekrachten, de maatschappelijke verhoudingen en de creatie van elementen voor een nieuwe en hogere vorm, dan onder de vroegere vorm van slavernij, lijfeigenschap enz. Het bereidt zo een fase voor, waar dwang en monopolie op de maatschappelijke ontwikkeling (inclusief hun materiële en intellectuele voordelen) door een deel van de maatschappij op kosten van de andere wegvalt; aan de andere kant schept het de materiële middelen en de kiem voor de verhoudingen die het in een hogere maatschappelijke vorm in staat stelt die meerarbeid te verbinden met een grotere inperking van de tijd, besteed aan materiële arbeid. Want de meerarbeid kan, afhankelijk van de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit, groot zijn met een kleine totale werkdag en relatief klein met een grote totale werkdag. Is de noodzakelijke arbeidstijd = 3 en de meerarbeid = 3, dan is de totale werkdag = 6 en de voet van de meerarbeid = 100 %. Is de noodzakelijke arbeid = 9 en de meerarbeid = 3, dan is de totale werkdag = 12 en de voet van de meerarbeid slechts = 33 1/3 %. Dan hangt het van de arbeidsproductiviteit af hoeveel gebruikswaarde in een bepaalde tijd, dus ook in een bepaalde tijd van de meerarbeid, wordt geproduceerd. De echte rijkdom van de maatschappij en de mogelijkheid om het reproductieproces voortdurend uit te breiden, hangt niet af van de duur van de meerarbeid, maar van de productiviteit en de min of meer rijke productievoorwaarden waarin het zich realiseert. In feite begint het rijk van de vrijheid eerst daar waar de arbeid, bepaald door noodzaak en externe doelen, ophoudt; het ligt dus volgens de aard der dingen buiten de sfeer van de eigenlijke materiële productie. Zoals de wilde met de natuur moet worstelen om aan zijn behoeften te voldoen, om in leven te blijven en te reproduceren, moet de beschaafde mens dit ook doen in alle maatschappijvormen en onder alle mogelijke productiewijzen. Met zijn ontwikkeling breidt het rijk van de natuurnoodwendigheid zich uit als gevolg van de behoeften; maar tegelijkertijd breiden de productiekrachten die hen bevredigen uit. De vrijheid op dit gebied kan alleen bestaan in het feit dat de gesocialiseerde mens, de geassocieerde producenten, hun metabolisme rationeel regelen met de natuur, onder hun gezamenlijke controle brengen, in plaats van door de natuur als een blinde macht te worden overheerst; en het met de minste krachtinspanning en onder de meest menselijke, waardige en adequate voorwaarden te voltrekken. Maar dit blijft altijd het rijk van de noodzaak. Daarna begint de ontwikkeling van de menselijke kracht, als een doel op zich, het ware rijk van de vrijheid, maar dat alleen kan bloeien op basis van het rijk der noodzaak. Het verkorten van de werkdag is de basisvoorwaarde.” [Citaat toegevoegd door de vertaler naar het Nederlands].

4 Groep van Internationale Communisten, Grondbeginselen van de communistische productie en distributie (1935), p. 29.

5 Friedrich Engels, Anti-Dühring. Derde deel: Socialisme, IV. De verdeling.

6 Karl Marx, Kritiek op het programma van Gotha.

7 Idem.

8 Ibidem.

9 Groep van Internationale Communisten, Grondbeginselen van de communistische productie en distributie (1935), p. 5.

GIC, Van ieder naar zijn mogelijkheden, aan ieder naar zijn behoeften!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s