Bolsjewisme als alternatief voor zelfgekozen onmacht? 2/2 

Enkele gedachten bij “Was tun in Zeiten der Schwäche?”

We hebben in deel 1 gezien dat het artikel “Was tun in Zeiten der Schwäche?” de anti-partij stroming binnen het radencommunisme, samengevat in een viertal opvattingen, terecht verantwoordelijk acht voor het falen van het sozialrevolutionäre milieu in Duitsland om het stadium van losse kringen te boven te komen. Als alternatief stelt “Was tun …” voor te werken in de richting van een massa-partij die de arbeidersklasse zou vertegenwoordigen en die door interne democratie en inzet voor democratisering en communalisering van de staat middels deelname aan de huidige parlementaire politiek een andere weg zou inslaan dan de sociaal-democratische en communistische partijen.

Van mijn kant wees ik op enkele uitspraken in “Was tun …” die het gevaar inhouden dat een dergelijke massapartij in plaats van de massa van de arbeiders de politieke macht zal uitoefenen, en dus over hen zal heersen. Tegenover de anti-partij stroming binnen het radencommunisme waarop zowel vele Sozialrevolutionäre als het artikel zich fixeren, heb ik de partijstroming binnen het radencommunisme als een alternatief naar voren gebracht. De partij wordt hier gezien als een organisatie van een minderheid van de meest bewuste en strijdbare arbeiders die in een heropleving van de proletarische strijd daaraan deelnemen om deze te orienteren op de revolutie en het communisme, zonder zich in plaats te stellen van de klasse. In dit tweede en laatste deel van zal ik nader ingaan op de huidige mogelijkheden, anders dan de voorstellen in “Was tun in Zeiten der Schwäche?”

De opvattingen van de partij-tendens binnen het radencommunisme werden in deel 1 als volgt samengevat:

  1. Het communistische bewustzijn ontwikkelt zich pas in de revolutie – opgevat als langdurig proces – op massaschaal in de arbeidersklasse.
  2. De revolutionaire partij kan alleen bestaan als een (aanzienlijke) minderheid van bewuste revolutionairen.
  3. Deze partij kan zich niet in plaats stellen van deze massa’s, niet in de strijd voor en tijdens de greep van de macht, en ook niet na de verovering van de macht door de arbeidersmassa’s.

Het artikel “Was tun in Zeiten der Schwäche?” in Communaut gaat niet of nauwelijks in op de primaire kwestie van het klassebewustzijn. Ik doe dit hier wel, gezien het vitale belang van de opvatting van de herkomst van het klassebewustzijn voor een partij die de zelfstandigheid van de arbeidersklasse wil bevorderen. Al in hun eerste geschriften brachten Marx en Engels naar voren dat het communisme zich uit de arbeidersklasse heeft ontwikkeld en dat het klassebewustzijn zich pas massaal ontwikkelt in de revolutie:

(…) een klasse [het proletariaat] (…) waaruit het bewustzijn ontstaat van de noodzaak van een fundamentele revolutie, het communistisch bewustzijn, dat zich natuurlijk ook onder de andere klassen kan ontwikkelen op grond van de aanschouwing van de positie van deze klasse. (…) Zowel voor het ontstaan van het communistisch bewustzijn op massale schaal, als voor het welslagen van de zaak zelf is een massale verandering van de mensen nodig, een verandering die alleen in een praktische beweging, in een revolutie plaats kan vinden.
(Marx/Engels, De Duitse ideologie, deel I, Feuerbach. Vet door F.C.).

Voor een radencommunistische opvatting die hierbij aansluit, laat ik me inspireren door een fragment uit een reactie van Paul Mattick op de welbekende tekst “Naar een nieuwe arbeidersbeweging” die de GIK(Holland) ter discussie voorlegde aan de internationale radenbeweging. Daarbij ontstaat ook de gelegenheid om nader in te gaan op de ‘crisis van het kapitalisme’ die de huidige Sozialrevolutionäre te parten speelt. Mattick verwijt de GIK (Holland):

  • een “niet te boven gekomen sociaal-democratische opvatting van de ontwikkeling van het menselijk bewustzijn. Hoopte de sociaal-democratie op het socialisme door de ontwikkeling van de sociaal-democratische ideologie, zo achten ook de Nederlanders de communistische revolutie en het communisme pas mogelijk wanneer de arbeiders in doorslaggevende mate hun taken en mogelijkheden min of meer duidelijk hebben “begrepen”. Ook hier maakt het bewustzijn, opgevat als ideologie, geschiedenis. Eerst denkt de mens, dan begrijpt hij en dan handelt hij. Maar deze opvatting is in tegenspraak met de werkelijke historische ontwikkelingen, en de onzinnigheid ervan blijkt elke dag opnieuw uit het feit dat de massa’s het niet begrijpen en toch in laatste instantie juist handelen. De revolutie wordt niet bewust gemaakt in de zin van bewustzijn zoals dat tegenwoordig algemeen wordt begrepen. De vele fouten met betrekking tot de vraag: “geschiedenis en klassenbewustzijn” vloeien voort uit het overbrengen van de wetten van de bewustzijnsvorming van het individu naar het klassevraagstuk. (Wij zullen deze kwestie binnenkort zeer grondig behandelen). Het klassenbewustzijn is echter iets anders en is onderworpen aan andere wetten dan het bewustzijn van het individu. Door dit verschil te veronachtzamen, heeft men zich reeds beroofd van de mogelijkheid om dichter bij de oplossing van het probleem te komen. De massa van de arbeiders – hoe ver hun klassenbewustzijn (als ideologie) ook ontwikkeld is – komt in situaties terecht die hen tot handelen dwingen. Als zij als eerste handelen, brengt de nieuwe situatie die ontstaat haar eigen gevolgen met zich mee. De arbeiders worden gedwongen, of zij dat nu willen of niet, om steeds radicalere stappen te nemen, en elk van deze stappen dwingt tot het verder nastreven van een doel dat begripsmatig niet wordt erkend of slechts in geringe mate wordt erkend. De strijd om het bestaan dwingt de arbeiders tot revolutionaire acties, deze acties dwingen tot dictatuur, dictatuur dwingt tot uitbreiding van het communisme. Elke trap dwingt de volgende trap uit zichzelf op, of de eerste trap eindigt al in een nederlaag, die de dood van degenen die strijden veroorzaakt. Als de kapitalistische economie ideologisch bepaald wordt door het warenfetisjisme en als productie en distributie geregeld worden door een maatschappelijke verhouding, was een progressieve ontwikkeling van het kapitalisme niettemin en juist daardoor mogelijk. Dezelfde sociale verhouding waarin de revolutie moet plaatsvinden sluit een bewuste actie van de arbeidersklasse uit, zonder daarom de revolutie uit te sluiten. Als het kapitalisme zich “blindelings” ontwikkelt en leeft, kan de revolutie tegen het kapitalisme ook alleen maar “blindelings” plaatsvinden. Een andere opvatting doorbreekt het historisch materialisme. En meer, het keert zich tegen alle historische feiten. Rekenen op een moment waarop de massa’s al precies weten wat hen te doen staat vóór de acties is onzin. Hun gedwongen handelen schept slechts de mogelijkheid om de nieuwe situatie met succes begripsmatig te doorgronden. De dwang tot actie moet sterker zijn dan de kapitalistische ideologische invloed om deze laatste ondoeltreffend te maken.” Mattick, Differenzen in der Rätebewegung (1), Vet door F.C.

Mattick verwijt hier de GIK(Holland) een puur propagandistische functie van de revolutionaire minderheden, naar het voorbeeld van de activiteit van Pannekoek en Gorter in de sociaal-democratie voor 1914. Dit verwijt moeten we ons ook nu aantrekken, niet ondanks, maar juist vanwege de volkomen juiste stelling in Communaut:

“De revolutionaire massabewegingen van het begin van de 20e eeuw zouden helemaal niet mogelijk zijn geweest zonder het organisatorische voorbereidende werk van de sociaal-democratische partijen”. (Stelling 1)

Of het verwijt van Mattick aan de GIK(Holland) terecht was of niet, doet nu niet ter zake. Waar het om gaat is dat hij stelt dat klassebewustzijn en klassestrijd samenvallen, en dat hij dit bewuste-zijn onderscheidt van ideologie. Onder ideologie verstaat Mattick wat men ook wel levensbeschouwing noemt. De propagandistische taak van de communisten ligt op het levensbeschouwelijke vlak, in de strijd tegen de voortdurende stroom van ideologie die burgerlijke klassebelangen vertegenwoordigt. Propaganda dient om ruimte te scheppen voor het herkennen van de belangen als arbeidersklasse tegen alle andere klassen. Dit sluit aan bij een opmerking van Trotsky in zijn “Geschiedenis van de Russische Revolutie” dat de raadselachtige ‘spontaniteit’ van de Februarirevolutie van 1917 het resultaat was van … de anti-oorlogspropaganda van de Bolsjewistische Partij.

Deze propagandische taak – geheel iets anders dan het terugtrekken in ‘theorie’ – stelt zich ook nu, in “Zeit der Schwäche” (tijd van zwakte), aan elke zichzelf respecterende organisatie van revolutionairen. ‘Spontaniteit’ ontstaat niet vanzelf uit de crisissen van het kapitalisme. Pas wanneer arbeiders hun eigen belangen als klasse tegenover andere klassen herkennen in de telkens veranderende en wisselende crisisverschijnselen, kan spontane strijd ontstaan. Dat vraagt van de bewuste minderheden, van de huidige kringen en groepen dat zij weten welke de meest urgente problemen zijn waarmee proletariërs in hun omgeving – zowel werkenden als niet-werkenden, zowel hoofd- als handarbeiders, ongeacht opleiding, soort arbeidscontract of uitkering – worden geconfronteerd. Over de oorzaken van elk van die problemen, als over mogelijke oplossingen zijn allerlei opvattingen in omloop, worden opgepikt door traditionele en ‘sociale’ media, gefilterd naar ‘populariteit’ en door burgerlijke politieke en vakbondsorganisaties geselecteerd naar burgerlijke levensbeschouwingen en de daarachter schuilende burgerlijke belangen. Een goede communistische propaganda maakt deze klassebelangen zichtbaar en ontwikkelt in grote lijnen, of waar mogelijk meer concreet, mogelijkheden tot strijd, verbindt korte termijn perspectieven met de lange termijn van de strijd voor arbeidersmacht en communisme.

De functie van de huidige groepen is niet ‘alleen-theoretisch’ of zelfs ‘alleen-propagandistisch’. Sporadisch breekt openlijke arbeidersstrijd uit. Net zoals de GIK (Holland) in de jaren 1930 bleef deelnemen aan incidentele arbeidersstrijd toen deze als geheel teruggelopen was, kunnen de huidige groepen aktief deelnemen met hun concrete stellingname zonder zich in de plaats te stellen van de arbeiders. Naast de propagandistische taken – om dit sociaal-democratische en boljewistische jargon aan te houden – hebben de groepen ook agitatorische taken. Daaronder vallen ook voorstellen tot leuzen en eisen die verwoorden wat leeft in het handelen van de arbeidersmassa’s dat gaat in de richting van uitbreiding, veralgemening en verdieping van de strijd, afhankelijk van de concrete omstandigheden. Kortom het stellen van leuzen en eisen die bredere delen van de klasse aanspreken, het sturen van massale delegaties naar andere sectoren van de klasse, het in handen houden van de eigen strijd door massale discussies en herkiesbare vertegenwoordigers voor taken die niet massaal kunnen worden vervuld.

Met uitzondering van de KAPD-tendens Essen, waartoe Herman Gorter behoorde, werden strijd en eisen binnen het kapitalisme, of het nu was op het economisch, of op politiek vlak door het historische radenbeweging niet afgewezen. Een voorbeeld: werklozenraden eisten een hogere uitkering van de staat en wezen ze voor de financiering daarvan naar de ruimhartige vergoedingen van de sociaal-democratische regering aan de contrarevolutionaire Reichswehr en Freikorpse. (2)

Met een minimum-programma, dat aanstuurt op hervormingen binnen het kapitalisme, zoals dat voorgesteld wordt in Communaut, heeft dit alles niets te maken. Geheel volgens de linksburgerlijke traditie wordt in het eerder geciteerde fragment de staat voorgesteld als een middel in de arbeidersstrijd: “Naast eisen die de economische concurrentie binnen de arbeidersklasse verzachten, moet dit minimumprogramma vooral politieke eisen bevatten voor democratisering en communalisering, waarvan de uitvoering de loonafhankelijke meerderheid in staat zou stellen daadwerkelijk politieke macht uit te oefenen en contrarevolutionaire aspiraties te verhinderen.” In werkelijkheid levert deze linkse politiek vooral baantjes op in volksvertegenwoordigingen, in de partij of vakbondsbureaucratie of in de media. Maar binnen de arbeidersklasse worden democratische en reformistische illusies versterkt.

Onmiddellijke resultaten zijn van propaganda en agitatie niet te verwachten. Mattick benadrukte het al, een revolutionaire ontwikkeling is grotendeels afhankelijk van de aanzet die de kapitalistische crisis (en ik voeg toe: de imperialistische oorlog) kan geven tot een ‘spontane’ ontwikkeling van arbeidersstrijd en proletarisch bewustzijn. De massa van de arbeiders zal in een crisisvrij kapitalisme niet revolutionair gezind zijn. Pas nadat de arbeiders als klasse alle macht over de maatschappij uitoefenen, kan vervolgens het communistische bewustzijn op grote schaal ontstaan. Arbeidersstrijd is op zijn best een langdurig proces waarbij in open strijd de organisatie telkens toeneemt om daarna weer te verdwijnen, en een daarop geënte groei van bewustzijn in de klasse die in een volgende strijd tevoorschijn komt. De revolutionairen dragen als minderheid daaraan bij met propaganda en agitatie. Dit vereist van de groepen dat zij in plaats van valse verwachtingen te koesteren ten aanzien van bepaalde sectoren van de klasse (b.v. de operaistische ‘massa-arbeider’ of erger het de multi-klassengroerering van vluchtelingen of ‘gele hesjes’) of specifieke ‘strijd’-vormen (‘sabotage’, ‘werkweigering’) een lange termijn visie hanteren op de ontwikkeling van het kapitalisme en de klassenstrijd, op het ontstaan van historische openingen tot een proletarisch-revolutionaire ontwikkeling. Zonder samenwerking en discussie tussen de huidige plaatselijke groepen kan deze lange termijn visie, dit communistische programma, niet ontstaan.

De periodiek optredende crisissen van het kapitalisme, zeker als zij wereldwijd en langdurig van aard zijn, kunnen inderdaad de aanzet leveren tot een revolutionaire strijd, waarin de ene stap dwingt tot de volgende en verdergaand stap, waarvan de arbeidersmassa’s zich grotendeels pas achteraf bewust worden. Dit proces verloopt ongelijkmatig, waarbij kleinere en grotere minderheden binnen de klasse verschillende standpunten ontwikkelen over het verloop en de voortgang van de strijd. Maar dit proces verloopt niet mechanisch en de kapitalistische crisis geeft geen garantie. Tegenover de verschillende theoretiseringen, de ‘Kladderadatsch’ door het Centrum in de SPD, onoplosbare afzetproblemen door Rosa Luxemburg, een ‘doodscrisis van het kapitalisme’ in de KAPD, en van de dalende winstvoet door Grossmann/Mattick, stelde Pannekoek dat het kapitalisme altijd een uitweg zal vinden als de proletarische revolutie er geen einde aan maakt. (3) Een afwachtende houding – zoals het Centrum van de SPD die propageerde – in het opnemen van de propagandistische en agitatorische taken totdat de Duitse economie instort, betekent dat men niet inziet dat wat in de groep bestaat als opvattingen het product is van proletarische strijd en opnieuw deel daarvan dient te zijn om het proces vooruit te stuwen. Het niet vervullen van deze functie betekent het in de steek laten van steeds grotere delen van de arbeidersklasse in Duitsland voor wie het al crisis is. Uiteindelijk betekent dat ook het einde van elke groep die niet tegen haar taken is opgewassen.

Maar wat te doen met de bestaande vakbonden en linkse partijen? “Was tun…” noemt deze burgerlijke organisties ‘arbeiders’-organisaties en verwijt de radencommunisten dat zij niet actief zijn binnen deze organisaties. Historisch is dit niet juist. Net als bijvoorbeeld Paul Mattick, de “Rote Kämpfer” en Willy Huhn op telkens andere wijze, zijn ook nu door het radencommunisme geïnspireerde individuen actief in met name scholing en vormingsprogrammas van linkse partijen, jeugdorganisaties en vakbonden. Wanneer stakersbijeenkomsten en andere akties zijn georganiseerd door burgerlijke organisaties, is dat op zich voor communisten geen reden om zich afzijdig te houden. Dat is echter wat anders dan de bolsjewistische infiltratie- en overname-politiek die door het Trotskisme tot kunst is verheven. Radencommunisten hebben ook actief deelgenomen aan radikale en niet in de staat ingepaste bonden, zoals Mattick in de IWW in de Verenigde Staten, of hebben zelfs meegewerkt aan hun oprichting, zoals de Arbeiterunionen van de jaren 1920 in Duitsland en de Eenheidsvakbond, later Eenheidsvakcentrale in 1945 in Nederland. De radenbeweging heeft altijd de waarde erkent van een permanente organisatie van revolutionair gezinde arbeiders die ruimer is dan de partij. Maar zij stelde zich wel telkens de vraag wat de verhouding was tussen deze Unionen, verenigd in de AAUD, en de partij (KAPD), een vraag die op verschillende manieren werd beantwoord. Pannekoek heeft van begin af aan twijfels geuit over de oprichting van de AAUD. Als een belangrijk omslagpunt wees hij het moment aan waarop een aanzienlijke minderheid van de klasse zich losmaakt van de organisaties die zich presenteren als vertegenwoordigers van de klasse, zoals linksburgerlijke partijen en vakbonden (of bedrijfstakbonden) die zich hebben overgeven aan overleg en arbeidsrust in het belang van het kapitaal en de staat. De oprichting van de AAUD was in die zin misschien te vroeg. (4)

Kortom, “Was tun …” stelt het revolutionaire milieu in Duitsland voor een valse keuze tussen communisatie, anti-autoritair Marxisme, en anti-partij radencommunisme aan de ene kant en aan andere kant een bolsjewistische partijpolitiek die als verwezenlijking van haar geheime ‘maximumprogramma’ slechts op staatskapitalisme kan uitlopen. Ik hoop dat ik van mijn kant heb laten zien dat de partijstroming binnen het radencommunisme nog steeds een bron van inspiratie kan zijn voor het ontwikkelen van een links-communistische activiteit in het proletariaat en een bovenregionale organisatie op basis van een communistisch programma.

F.C. 2-11-2021

Noten

1 Mattick, Differenzen in der Rätebewegung – in Internationale Rätekorrespondenz : Theoretisches und Diskussionsorgan für die Rätebewegung. – Ausgabe. der Gruppe Internationaler Kommunisten, Holland. – 1936, Nr. 16-17 (Mai); Quelle der Transkription: Rätekommunismus , 23. November 2020, Mitarbeit von der Association Archives Antonie Pannekoek.

2 Zie Franz Jung, Arbeitslos – Arbeiter-Los! (1919).

3 Zie o.a. Anton Pannekoek: The economic necessity of imperialism (1916) en aldaar de recente discussies over de onhoudbaarheid van de theorie van het verval van het kapitalisme van de IKS. Nederlands origineel: Anton Pannekoek De ekonomische noodzakelijkheid van het imperialisme (1916)

4 Zie Ein Brief des Genossen Pannekoek, Juli 1920, en verder Roi Ferreiro On unionism and its revolutionary overcoming.

Bolsjewisme als alternatief voor zelfgekozen onmacht? 2/2 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s