Anton Pannekoek en de intellectuelen

  • De intellectuelen (1935)
  • De intellectuelen en het historisch materialisme (1946)

Anton Pannekoek: De intellectuelen (1935)

De intellectuele middenklasse, de ingenieurs, wetenschappers, technische werknemers, enz. zijn een noodzakelijk onderdeel van de industriële productie, net zo onmisbaar als de arbeiders zelf. De technische vooruitgang, die arbeiders door machines vervangt, heeft de neiging hun aantal te doen toenemen. Daarom moeten hun klassebelangen en hun klassekarakter van toenemend belang zijn in de sociale strijd.

Hun groeiende aantal weerspiegelt het groeiende belang van wetenschap en theorie bij de productie van levensbehoeften. In een communistische maatschappij zal iedereen deel hebben aan wetenschappelijke kennis. In de kapitalistische maatschappij is dit het voorrecht en het specialisme van een aparte klasse, de intellectuele middenklasse.

De leden van deze klasse leven, in tegenstelling tot de oude onafhankelijke middenklasse van kleine zakenlieden, van de verkoop van hun arbeidskracht aan de kapitalisten. Hun salarissen wijzen op hogere kosten van levensonderhoud en een duurdere opleiding dan die van de gewone arbeiders. In de socialistische pers worden zij proletariërs genoemd; (zij zijn immers geen bezitters van productiemiddelen) die zich bij de arbeiders zullen moeten aansluiten. Maar het zijn alleen hun lagere rangen die geleidelijk opgaan in geschoolde arbeid; de hogere rangen voelen zich, door afkomst en levensstandaard, door verwantschap, sociale status en cultuur, mannen van de middenklasse, die zelfs kunnen opklimmen tot directeur, en dus worden gelijkgesteld met de grote kapitalisten. Sommigen van hen sympathiseerden met de sociaal-democratie, maar het merendeel was vervuld van de kapitalistische geest van het streven naar een betere positie voor zichzelf alleen. In Italië en Duitsland vormen zij de intellectuele ruggengraat van het fascisme.

Wat zijn de sociale idealen van deze klasse?

Zij beseffen dat het kapitalisme niet eeuwig is; zij zien reeds de tekenen van zijn neergang: in de economische crisis, in de politieke revoltes en revoluties, in de sociale strijd, in de wereldoorlog. Het is niet de uitbuiting van de arbeid die hen stoort aan het kapitalisme; het is de wanorde in het kapitalisme, de anarchie in de productie die hun kritiek uitlokt. Waar zij heersen in de fabriek, wordt de efficiëntie van de arbeid door middel van strenge orde en bewuste regulering tot de hoogste graad opgevoerd. Maar buiten de fabriek, in de maatschappij, waar kapitalisten, beursgokkers en politici heersen, zien zij de ergste wanorde en inefficiëntie, een schandalige verspilling van menselijke arbeid, en het onvermijdelijke gevolg: armoede en ondergang voor de hele maatschappij.

Wat zij daarom willen, is organisatie van de productie, een weloverwogen regeling van de arbeid over de gehele maatschappij. Zij voelen zich de geestelijke leiders, de klasse van intellect en kennis, voorbestemd om de leiding over te nemen uit de onbekwame handen van de huidige heersers. In Amerika zijn de ideeën over “technocratie” de eerste tekenen van een dergelijke manier van denken. Door een wetenschappelijk beheer van de gehele productie onder een centrale leiding, die een einde maakt aan de concurrentie en die de afzonderlijke kapitalisten hun willekeurige macht ontneemt, kan de hoeveelheid product tot zulk een hoogte worden opgevoerd, dat er overvloed zal zijn voor iedereen.

Dit sociale ideaal van de intellectuele middenklasse is een soort socialisme, maar het is niet noodzakelijk gericht tegen de kapitalistische klasse. Het is niet de bedoeling hen te onteigenen of hen hun winsten af te nemen. Integendeel, door hen te beroven van hun willekeurige macht om elkaar schade toe te brengen, door de enorme verspilling af te schaffen, zal de arbeidsproductiviteit zodanig toenemen dat de winsten aanzienlijk zullen stijgen. En tegelijkertijd maakt dit een verhoging en veiligstelling van het arbeidersdeel mogelijk, zodat alle reden voor opstand of revolutie is weggenomen.

Het is geen socialisme van de arbeiders, maar een socialisme voor de arbeiders; een socialisme gemaakt door anderen, ook ten bate van de arbeiders. De uitbuiting van de arbeiders zal niet ophouden, zij zal rationeler worden gemaakt. Met evenveel recht kan dit sociale systeem “georganiseerd kapitalisme” worden genoemd.

Er is natuurlijk geen plaats voor democratie in dit systeem. Democratie betekent, althans formeel, heerschappij van de massa, van het hele volk. Maar dit socialisme is gebaseerd op de heerschappij, de leiding van enkelen, van de intellectuele minderheid. In het huidige kapitalisme is de technische middenklasse de leider en bestuurder van het arbeidsproces; zij voert het bevel over de arbeiders. Zij kunnen zich een ideale maatschappij alleen voorstellen als deze leidende en sturende functie behouden blijft en uitgebreid wordt. De intellectuele klasse erkent geen verschillen gebaseerd op adellijke geboorte of rijkdom; maar zij erkent verschillen in hersenen, in mentale capaciteit en zij beschouwt zichzelf als de klasse van mannen met de beste hersenen, geselecteerd om leiding te geven aan de grote massa van het onbegaafde gewone volk, voorbestemd om gewone arbeiders te zijn.

Daarom kan het politieke systeem dat bij dit socialisme van de middenklasse hoort nooit democratie zijn; het moet de dictatuur zijn van een leidende bureaucratie. Het socialisme dat ooit door de voorhoede van de arbeidersklasse als hun sociale doel werd verkondigd, was internationaal. Omdat zij de productie zagen als een wereldwijd eenheidsproces en de klassenstrijd van de arbeiders als de gemeenschappelijke zaak van de arbeidersklasse van de hele wereld. De intellectuele klasse echter heeft, vanwege haar middenklasse-oorsprong en de nauwe band met de kapitalistische klasse, een sterk nationaal gevoel. Bovendien bestaat het instrument dat nodig is voor de regulering van de productie uit het machtsorgaan van de staat. Haar socialistisch doel betekent dus een nationaal staatssocialisme. Haar heerschappij is de heerschappij van een staatsbureaucratie, haar productiesysteem is staatskapitalisme. Internationale wereldeenheid is voor hen een verre droom, geen kwestie van praktische idealen.

Sommige kenmerken van de sociale idealen van de intellectuele klasse zijn terug te vinden in de sociaal-democratie, vooral in haar staatssocialistische programma, hoewel haar verhouding van leiders tot massa’s een meer democratisch stempel draagt. In het Duitse nationaal-socialisme zijn enkele andere van deze kenmerken waarneembaar. De tendensen van een klasse worden nooit alleen gereproduceerd in een politieke partij of een politieke beweging. Zij zijn de onderliggende basis, de ondergrondse stroom, die zijn loop neemt en groeit volgens vaste wetten, bepaald door klassenbelangen, door behoeften van sociale ontwikkeling, door de diepste onderbewuste gevoelens die de sociale omstandigheden in een klasse teweegbrengen. Zij worden niet afdoende vertegenwoordigd in de oppervlakteverschijnselen, in de politieke gebeurtenissen, de partijplatforms, de regeringswisselingen, de genomen maatregelen, de revoluties, de programma’s – omdat in dit alles de tradities, de bestaande machtsfactoren, de relatieve kracht van strijdende of samenwerkende klassen, groepen, partijen, een rol spelen. Maar altijd weer breken de onder de oppervlakte verborgen realiteiten door, verstoren zij het oude en bepalen zij de nieuwe ideeën en politieke gebeurtenissen. We moeten dus in deze gebeurtenissen zoeken naar de klassenkrachten die er werkzaam in zijn, net zoals we naar de krachten van de natuur kijken als we naar de natuurverschijnselen kijken.

In het fascisme en het nationaal-socialisme verschijnt de klassegeest van de intellectuele middenklasse in zijn eerste kiemen. Wij zien nog maar een gemeenschappelijke opstand tegen de democratie, met slechts een flauw en vaag verlangen naar een economisch opbouwend beleid. Niettemin was de geestelijke kracht van de nationaal-socialistische leuzen van de intellectuele klasse voldoende om een aantal arbeiders mee te voeren, die daarin een organiserende kracht zagen tegen de kapitalistische wanorde.

Is het mogelijk dat deze partijen de klassenidealen van de intellectuele klasse zullen verwezenlijken, of zullen proberen te verwezenlijken? Deze klasse is zo goed als machteloos tegenover de kapitalistische klasse. De sociale macht van de intellectuelen, gemeten naar hun aantal, hun klassenbewustzijn, hun sociale gevoel, ligt nog ver beneden de macht die de arbeidersklasse allang bereikt had. De kapitalistische klasse in Europa en Amerika is zo machtig dat zij geen enkele organisatie of regeling van de produktie hoeft te dulden die verder gaat dan haar eigen belangen. Pas wanneer het kapitalisme zich extreem verzwakt en bedreigd voelt, door een zware en langdurige crisis, door arbeidersopstanden, door een wereldoorlog, zijn de omstandigheden anders. Dan kunnen de intellectuelen, samen met een deel van de arbeiders, opgeroepen worden tot een constructieve politiek, die neigt naar staatskapitalistische experimenten.

Maar wanneer de arbeidersklasse, door middel van revolutionaire bewegingen in opstand gekomen tegen de ondraaglijke onderdrukking van het monopolistische kapitalisme, erin slaagt de kapitalistische macht neer te slaan, wat zal de intellectuele klasse dan doen? Dan zal de situatie omgekeerd zijn; de arbeidersklasse, door haar machtige strijdkracht, neemt de andere ontevreden klassen met zich mee, in een gemeenschappelijke aanval op het kapitalisme. Dan zullen grote delen van de intellectuele klasse zich bij hen aansluiten, gewonnen door de grote socialistische en communistische idealen, en zullen ze deze als hun gemeenschappelijke zaak beschouwen. Bij elke revolutionaire beweging in de geschiedenis zien we grote aantallen die zich aansluiten in een gemeenschappelijk enthousiasme voor doelen die radicaler zijn dan hun eigen idealen, waardoor de overwinning gemakkelijker wordt.  Maar naderhand bleek dat elk van de bondgenoten de leuzen en doelstellingen op zijn eigen manier interpreteerde, waardoor onenigheid en nieuwe strijd ontstond tussen de voormalige kameraden. Hetzelfde zal ongetwijfeld het geval zijn in toekomstige revolutionaire bewegingen.

De slogans: tegen het kapitalisme, voor het socialisme of het communisme, zullen voor de revolutionaire klassen gemeengoed zijn. Maar voor elke klasse betekenen zij een andere vorm van maatschappelijke organisatie. De arbeidersklasse moet de produktie van onderaf opbouwen, door haar directe zeggenschap over de fabrieken, en deze door middel van haar arbeidersraden organiseren tot een democratisch stelsel. De intellectuele klasse zal proberen een centraal georganiseerd staatssocialisme te installeren, bestuurd door een leidende burocratie.

Heeft de intellectuele klasse daarin geen gelijk? Is het niet noodzakelijk, dat in deze moeilijkste tijden van strijd en sociale wederopbouw de onwetende massa’s geleid worden door hen, die de knapste koppen hebben? Is het niet waar, dat voor die periode deze geselecteerde minderheidsklasse, opgeleid in de wetenschap, in algemene en bijzondere kennis, de natuurlijke leiders zijn, tot op het moment dat er nieuwe generaties zijn geboren?

Neen, dit is niet waar. De organisatie van de maatschappij is geen kwestie van techniek, van wetenschappelijke kennis. De productietechnieken zijn al uitstekend. Het kapitalisme heeft de wetenschap van de natuurkrachten en haar toepassing tot een hoog niveau ontwikkeld. Dit is het domein van de superieure kennis van de intellectuelen. Als technische experts in het productieproces kunnen zij hun hersens aanwenden ten bate van de gemeenschap.

Maar sociale organisatie heeft te maken met andere dingen: met sociale krachten en met de kennis van sociale krachten. Het is een organisatie van mensen. En hier hebben de intellectuelen geen speciale capaciteiten. Wat zij meebrengen zijn slechts de hooghartige vooroordelen van de kapitalistische klasse. In sociaal inzicht, in kennis van de werkelijke klassenverhoudingen van de maatschappij staan de intellectuelen onder de arbeidersklasse. Omdat hun geest zich vastklampt aan ideeën die tot een voorbijgaande periode behoren. Omdat zij buiten hun fysieke machines, in zaken van menselijke verhoudingen, gewend zijn zich niet bezig te houden met de werkelijkheid van het sociale leven zelf, maar met hun geestelijke beelden, opvattingen, theorieën, abstracties.

Sociale organisatie hangt niet af van de kwaliteiten van het intellect van een minderheid. Zij hangt af van het karakter van de gehele werkende bevolking. Het is de samenbundeling van de arbeiders tot één eenheid, door sterke morele en economische krachten, die niet door leiders kunnen worden bevolen, maar die in de massa’s moeten opgroeien in hun strijd voor vrijheid.

Zo staan de sociale idealen en doelstellingen van de intellectuelen en van de arbeidersklasse tegenover elkaar. De intellectuele klasse, wanneer zij probeert een sociale orde te scheppen, moet een beroep doen op oude instincten van gehoorzaamheid, op de slavengevoelens van een voorbije mensheid. Voor haar staatssocialistische doelstellingen zal zij bondgenoten vinden in sociaal-democratische en partij-communistische platformen, in vakbondsleiders, in de kapitalistische ideeën van schuchtere en achterlijke arbeiders, die de communistische vrijheid te hoog gegrepen vinden voor hen, en in de geslagen restanten van de kapitalistische macht. Dan zal de arbeidersklasse, die zich geconfronteerd ziet met dit blok, dat onder het vaandel van “socialisme tegen anarchie” probeert de heerschappij van een heersende klasse over de arbeidersklasse in stand te houden, al haar wijsheid en al haar eenheid nodig hebben om haar weg naar de vrijheid te vinden en te bevechten.

J.H. [J. Harper, pseudoniem van Anton Pannekoek]

Bron: The intellectuals, International Council Correspondence, vol. 1, no. 12. Oktober 1935. Vertaald door F.C.

Anton Pannekoek: De intellectuelen en het historisch materialisme (1946)

Na de grote Franse Revolutie, toen de leuze van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap in de praktijk bleek neer te komen op de vrijheid om uit te buiten, gelijke plichten voor rijken en voor armen, dus voor ongelijken, en de broederschap verstikt werd door de moordende concurrentie, moest het op een intellectueel van die tijd wel de indruk maken, alsof de revolutie een mislukking was geweest. Crisis, overmatig lange arbeid van volwassenen en kinderen, alcoholisme, werkloosheid, en wanhopig verzet tegen uitbuiting brachten de geesten in beroering en wekten hen enerzijds op tot scherpe kritiek op de bestaande verhoudingen, terwijl het anderzijds leidde tot een streven naar een meer harmonische samenleving, waarin bovengeschetste misstanden onbekend zouden zijn. Het was de tijd van het optreden van de grote utopisten Saint Simon, Fourier en Robert Owen.

Het denken en streven naar een dusdanige harmonische samenleving ging niet in de eerste plaats uit van de massa, van de bezitlozen. Door een of andere socialistische ideologie waren zij nog nauwelijks bevangen. Het socialisme, dat deze verlichten predikten, was een socialisme dat ingevoerd zou worden door de wijzen, de verstandigen, de nobelen van geest. De korte heerschappij van de massa gedurende de Franse Revolutie, de terreur, had bij hen afschuw gewekt, hoewel door hen (Saint Simon) de revolutie wel als klassestrijd was herkend, aarzelden zij toch om het toekomstige socialisme als resultaat te zien van de beweging en van de strijd van de proletarische massa.

Het utopisch socialisme was dan ook een socialisme van boven af, door de staat ingevoerd. Hun ideologie was niet het historisch materialisme, maar het verlichte  materialisme van het einde van de 18de eeuw, dat kort wel wordt samengevat in de woorden de omstandigheden vormen de mens, wat dan moest dienen als verklaring en verontschuldiging voor de degeneratie, die het jonge kapitalisme met zijn niets ontziende uitbuiting over de massa had gebracht en die door de socialisten van toen niet anders als een onderdrukte, lijdende klasse werd gezien, totaal onbekwaam om zichzelf te helpen. Deze milieu-theorie diende het utopisch socialisme als ideologische grondslag.

Hoeveel waars er overigens school in de bewering, dat het karakter van de mens enerzijds het resultaat was van een aangeboren aanleg en anderzijds van zijn omgeving, bewees Robert Owen, de grote hervormer, die in Schotland een bloeiende kolonie, hoofdzakelijk van wevers stichtte, waar dronkenschap, strafrechter, processen en liefdadigheid onbekend waren, terwijl het geheel was samengesteld uit de meest gemengde, dikwijls sterk gedemoraliseerde elementen.

Al naarmate in het midden van de vorige eeuw in verschillende revoluties de bourgeoisie meer volledig aan de macht kwam, trad ook de tegenstelling tussen haar en de arbeidersklasse duidelijker aan het licht. Door het samengaan van arbeiders en burgerdom tegen de resten van de oude adellijke machten kon het niet anders of ook de arbeidersklasse moest tot bewustzijn komen van haar eigen betekenis.

Daarbij had zij numeriek een belangrijke groei doorgemaakt. In Engeland waren reeds vakverenigingen ontstaan en stakingen voor hoger loon en kortere werktijd, vergezeld van demonstraties, had duidelijk doen zien dat zich hier een nieuwe klasse met nieuwe tegenstellingen aan het vormen was. Dit gaf een ander aanzien aan de oplossing van de maatschappelijke problemen. De industriële revolutie met zijn groeiend proletariaat, de snelle ontwikkeling deed de mensen vragen “waarheen” en deze vraag werd ook aan de zich ontwikkelende klassestrijd tussen bourgeoisie en proletariaat gesteld. 

Het “de omstandigheden vormen de mens” dat een excuus was voor de gedemoraliseerde arbeidersklasse, kan geen dienst doen voor een klasse, die zijn rechten komt opeisen.Om het vergankelijke van het recht en de macht van de heersende klasse aan te tonen, moet zij ook het vergankelijke van hun opvattingen over recht en moraal aantonen, want een strijd, waarin materiële dingen worden nagestreefd, blijkt steeds ook een strijd te zijn om morele waarden. De bezittende klasse is steeds zelf genoodzaakt  deze erbij te halen. Uit deze ideële strijd ontstond het historisch materialisme. De vraag was niet meer wordt de mens als dief, luiaard of dronkaard geboren, maar waar komen de algemene opvattingen over recht, moraal, zedelijkheid, kunst, godsdienst vandaan? En het waren weer intellectuelen, die deze vraag stelden en oplosten, waarbij de zelfstandige rol van het proletariaat tot pijlers van hun leer diende.

Het historisch materialisme heeft slechts zijdeling te maken met de beperkte milieutheorie. De mens leeft niet alleen in zijn beperkte stoffelijke omgeving, hij leeft ook in een maatschappij waarin bepaalde algemene opvattingen en ideeën heersen. Hij kan dronken zijn en lui en de gangbare opvattingen huldigen, hij kan nuchter zijn en ijverig, doch in scherpe tegenstelling staan tot de opvattingen van zijn tijd. Door de verandering van de tijdgeest aan te tonen en terug te voeren op de zich ontwikkelende techniek, die achter de rug van de mensen plaats vindt, werd het denken van de bourgeoisie, zowel als van het proletariaat verklaard, de vergankelijkheid van de eerste vastgesteld en de toekomst der laatste aangetoond. Zeker, het zijn ook de mensen zelf, die de techniek wijzigen, maar omdat het verband tussen de techniek die gewijzigd wordt en de ideeën, die veranderen, niet wordt aangenomen door de bezittende klasse – dit is namelijk voor hen het luiden van de doodsklok – heerst de techniek oppermachtig als een blinde kracht over ons. Slechts de klasse waarvan de belangen met zich meebrengen die stelling te aanvaarden, kan met vooruitbepaling van de uitslag actief werkzaam zijn. Haar van een vloek tot een zegen maken.

Wanneer nu één van onze lezers zegt dat hij geen antwoord kan geven op het bezwaar dat er toch mensen van burgerlijke afkomst zijn die zich dienstbaar maken aan de strijd van de arbeidersklasse, dan antwoorden wij, dat deze vraag duidelijk toont dat de vraagsteller met zijn denken in het burgerlijk materialisme, de milieutheorie vastzit. Als klasse kan de bourgeoisie of iedere heersende stand, kaste of laag het historisch materialisme nooit aanvaarden, als enkeling bij uitzondering wel. Wel moeten wij voorzichtig zijn met deze mensen, die hun leven in dienst stellen van de bevrijdingsstrijd van het proletariaat. De geschiedenis van de arbeidersbeweging laat maar al te vaak zien, dat zij toch eigenlijk niets meer waren dan sociale filantropen, die voor, al was het dan ook met behulp van, de arbeidersklasse de kastanjes uit het vuur wilden halen. In hun ijver en ongeduld stelde de arbeidersklasse hen vaak teleur en dan leek zij hen weer de klasse te zijn van domme, ongelukkige wezens, die nooit in staat zouden zijn zichzelf te helpen.

Werden in een vroegere periode, bij het stormenderhand oprukken van de socialistische partijen, de proletariërs buitengewoon verheerlijkt, des te minder werden zij gewaardeerd bij een tijdelijke neergang en vond de opvatting weer gehoor  van een socialisme dat door de wijzen en edelen ingevoerd zou worden, desnoods met geweld.

Het is dan ook zeer verklaarbaar dat, toen na de eerste wereldoorlog, de bewegingen van de arbeidersklasse bleven steken, het utopisch socialisme gepaard met het neerhalen van het historisch materialisme tot een platte milieu-theorie, bij de leiders van de socialistische partijen en vakverenigingen ingang vond. De eerste intellectuele verkondigers van het historisch materialisme stonden feitelijk op een afstand van de eigenlijke bewegingen van de arbeidersklasse, wat ook de beste plaats voor hen was voor een zuiver oordeel.

Als vakbonden en partijen groot worden, dan ziet men ze er in stromen en ontstaan er ook, uit de arbeidersklasse en hun strijd voortgekomen intellectuelen, die in de leidende functies komen en de bekende vakverenigingsbureaucratie gaan vormen. Ook deze utopisten zullen het voor de arbeiders opknappen, maar dan moet ook gebeuren, wat deze lui met hun beproefde ervaring willen. Komen hun eigen posities en “idealen” in gevaar, dan roepen zij de massa’s wel eens op tot actie, maar utopisten als ze zijn, staan ze verbaasd als die beroerde massa niet respondeert. Ze menen het toch zo goed.

Op andere tijden, als de massa wel in beweging komt, is het doorgaans volgens de één de tijd niet, volgens de ander deugen de doelstellingen niet. Neen, ze moeten dan en dan in beweging komen en zo en zo handelen, anders gaat het verkeerd.

Wij, historisch materialisten, weten echter dat de arbeidersklasse tot de strijd gedwongen wordt door de economische en politieke werkingen van de samenleving. Dat organisatievorm door de organisatie van de productie bepaald is, dat doelstelling en optreden door het moment van de strijd ingegeven worden en met het uitbreiden en verscherpen van de worsteling zich wijzigen, dat succes mede afhankelijk is van het inzicht, dat de klasse zich strijdende heeft veroverd. Dit inzicht te verdiepen en verbreiden is de taak die “Spartacus” zich gesteld heeft, en als zodanig vertegenwoordigt hij een onontbeerlijk deel van de proletarische klassestrijd.

Bron: Voor het eerst (anoniem) gepubliceerd in Spartacus, weekblad van de Communistenbond “Spartacus” 1946, No. 51, December 1946. Collectie A.A.A.P. Transcriptie met lichte aanpassingen aan hedendaags taalgebruik, mei 2016, F.K.

Anton Pannekoek en de intellectuelen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s