Jasper Bernes: “Ik ben al zo lang beneden dat het lijkt alsof ik boven ben”

Inflatie 2/2

Vraag of aanbod, kip of ei? Wat is de oorzaak van de huidige sterke stijging van de dollarkoers en van de prijzen wereldwijd? Moeten we de COVID-19 pandemie de schuld geven, die de productie van cruciale goederen en de levering van vitale diensten heeft onderbroken, met als gevolg een wereldwijd tekort aan arbeidskrachten en kapitaal? Of moeten we de schuld geven aan de reacties van het Amerikaanse ministerie van Financiën en de Federal Reserve, de motoren van de wereldwijde vraag die door de pandemie in de hoogste versnelling zijn geschakeld en vijf biljoen dollar aan nieuw geld in de handen hebben gepompt van bedrijven, banken en consumenten?

De vraag is dom. Maar ze is ook, zoals de meeste domme vragen, misleidend, omdat degenen die ze stellen zich minder bezighouden met de theorie van de inflatie dan met een stellingenoorlog. Zij die zich zorgen maken over begrotingstekorten en schuld-apocalyptici willen het moment aangrijpen om de bestedingsplannen van Biden de nek om te draaien en moeten daarom de vraagkant van de economie aanvoeren; zij die hun politieke fortuin baseren op een uitbreiding van de sociale overheidsuitgaven moeten op hun beurt de aanbodkant aanvoeren.

Debatten over inflatie zijn altijd politiek omdat het Amerikaanse ministerie van Financiën en de Federal Reserve krachtige instrumenten hebben om een stijgend prijspeil te beheersen, in tegenstelling tot deflatie. Omdat zij dat kunnen, verwachten degenen die onder inflatie te lijden hebben dat zij dat ook doen. De rente verlagen in het midden van een deflatoire crisis, zoals in 2008 of begin 2020, kan al dan niet investeringen stimuleren en de welvaart herstellen, maar er bestaat weinig twijfel over dat het verhogen van de rente de inflatie rechtstreeks kan doden, door de economie in een recessie te brengen. De Federal Reserve kan met andere woorden niet altijd een recessie beëindigen, maar zij kan er op elk moment een beginnen, zoals het geval was de laatste keer dat de Amerikaanse economie een aanhoudende inflatie kende, in de jaren zeventig. Toen de Reagan-regering in een verpletterende overwinning werd verkozen met een mandaat om de inflatie onder controle te houden, verhoogde Paul Volcker de prime rate van 11 naar 20%, waarmee hij de zware recessie van 1981 inleidde en het startschot gaf voor een decennialange schuldencrisis in de ontwikkelingslanden.

De inflatiecrisis van de late jaren 1970 wordt in de meeste economische geschiedbeschrijvingen gezien als het einde van het zogenaamde Keynesianisme en het begin van het neoliberalisme. Reagan en Thatcher werden verkozen met het mandaat om de inflatie onder controle te krijgen en de groei te herstellen, met de belofte om de verklaarde oorzaken van de economische kwalen aan te pakken: vakbonden, sociale uitgaven, opstandige Arabieren. De combinatie van economische stagnatie, hoge werkloosheid en inflatie van consumptiegoederen stond toen gelijk met een afwijzing van het bestaande economische beleid. Nu duikt de inflatie weer op in een moment van politiek-economische incoherentie, met haar eigen tegenstrijdigheden. De ideologie van de Reagan-revolutie – het monetarisme – gaat door, zoals blijkt uit de aankondiging van de Fed dat zij voornemens is de rente in 2022 snel en herhaaldelijk te verhogen. Maar die ideologie bestaat zij aan zij met een versterkt Keynesianisme, bijgestaan door een batterij vreemde nieuwe kanonnen die ontworpen zijn om de papier-, obligatie- en activamarkten te bestoken met verschillende soorten geld. Dergelijke interventies worden nu aanvaard, al dan niet stilzwijgend, als een noodzakelijk onderdeel van het repertoire van tactieken van centrale banken in een tijdperk van gedaalde groei, zoals we hebben gezien sinds ten minste 2008. Het idee dat het zogenaamde Keynesianisme is verdwenen – als we daarmee een economie bedoelen die overeind wordt gehouden door overheidsuitgaven – is daarom grotendeels een mythe. In het zogenaamde neoliberale tijdperk is veeleer sprake geweest van een soort militair of corporatief Keynesianisme. De overheidsuitgaven als percentage van het BBP stegen onder Reagan tot ongeveer een derde, een niveau waarop zij, ondanks de politieke retoriek, zijn gebleven.

Een aanbodschok en een stijging van de vraag – de ene of de andere kiezen als de bron van inflatie is hetzelfde als vragen of de miljoenen COVID-doden in de VS werden gedood door een virus of door onbekwaamheid van de overheid. COVID-19 beïnvloedt de economie in de eerste plaats door arbeid te besmetten, door arbeiders uit het productieproces te halen. Werknemers worden ziek en sterven. Als reactie sluiten werkgevers en regeringen productiefaciliteiten en verhinderen dat arbeiders hun arbeidskracht kunnen verkopen. Zelfs als er geen politieke reactie komt, zullen er tekorten aan arbeidskrachten ontstaan omdat werknemers ziek worden of bang zijn de ziekte op te lopen of over te dragen. Door arbeid te besmetten, besmet het virus ook kapitaal, vooral het circulerend kapitaal. Als producenten sluiten, worden andere producenten gedwongen hun processen te vertragen of stop te zetten omdat zij de nodige inputs niet meer kunnen verkrijgen. Dit zal de prijzen van deze schaarse inputs doen stijgen, aangezien betrekkelijk onbeduidende inputs, in waarde uitgedrukt, hele fabrieken tot stilstand kunnen brengen en dus tot enorme verliezen kunnen leiden. Voor autofabrikanten, die nu een vloot van bijna voltooide auto’s hebben stilstaan bij gebrek aan microchips voor hun achteruitrijcamera’s, worden die chips buitengewoon waardevol.

De pandemie was en blijft in de eerste plaats een aanbodschok, en vervolgens een arbeidsschok. In dit opzicht leek het op een staking, zoals de vooruitziende schrijvers van Chuang opmerkten in hun artikel “Social Contagion: Microbiological Class War in China,” gepubliceerd in februari 2020, aan het begin van de pandemie, en later herzien tot een boek met dezelfde titel. De pandemie haalde arbeid uit de productie en daarmee kapitaal uit de productie. Maar zij vereiste ook een aanbodgolf in sleutelsectoren – producenten van farmaceutische en medische artikelen kregen enorme hoeveelheden kapitaal waarmee zij hun productie konden opvoeren. Deze combinatie van schok en stijging bracht de infrastructuur van de internationale handel volledig in de war. De wereldvloot voor containervervoer kwam niet alleen tot stilstand door de pandemie, maar raakte ook in rep en roer, kreeg een geheel nieuwe en uitdagende route opgelegd – het leveren van cruciale medische voorraden in verafgelegen havens, met inachtneming van de COVID-veiligheidsvoorschriften – waardoor veel schepen en bemanningen maanden of jaren in het ongewisse bleven.

Ten minste in de VS is deze aanbodschok blijven aanhouden, zelfs daar waar de effecten ervan door stimuleringsgeld zijn gedempt. In het eerste kwartaal van 2020 is het bbp sneller en verder gedaald dan ooit tevoren – de pandemie heeft een derde van alle economische activiteit in de VS weggevaagd. Maar tegen de zomer van 2020 was de productie, althans nominaal, even snel gestegen, met een derde, zodat de totale activiteit slechts met 20 procent was gedaald. (Een derde van tweederde opgeteld bij tweederde is min of meer viervijfde). Het berekenen van de productie in dollars zegt echter niet zoveel, omdat een groot deel van de verloren economische activiteit betrekking had op de werkgelegenheid, en een groot deel van de herstelde activiteit het gevolg was van rechtstreekse overdrachten. Tijdens de pandemie daalde dus het armoedecijfer naast het totale mediane inkomen – de maatschappij werd gelijker. De lonen stegen ook. Maar dit kan grotendeels een fata morgana zijn: In de eerste maanden van de pandemie steeg de officiële werkloosheid tot 22%. Aan het eind van het jaar was dat gedaald tot 6 procent. Maar de banen die terugkwamen, waren niet van hetzelfde type als de banen die verdwenen, en veel laagbetaalde banen zijn nooit teruggekomen, zodat de inkomens in 2021 over het geheel genomen hoger waren dan in 2020.

De economie die in 2021 tot stand kwam, verschilde niet alleen in omvang, maar ook in kwalitatieve samenstelling van de economie van 2020. De schatkist en de Federal Reserve konden vervangen wat verloren was gegaan in termen van volume, maar niet in termen van proportie. Het werd werkgevers verboden om bepaalde soorten arbeidskrachten in dienst te nemen, terwijl het consumenten verboden werd om bepaalde zaken aan te schaffen. Tegenover de ineenstorting van de uitgaven voor vrije tijd, horeca, reizen en andere persoonlijke diensten stond een hausse in de uitgaven voor duurzame goederen, die nu twintig procent hoger liggen dan vóór de pandemie in 2020. Deze bestedingen aan duurzame goederen vertalen zich, althans in de VS, vrij direct in scheepvaartvolumes, aangezien de meeste van die goederen nu in Azië worden geproduceerd. De containervolumes van Azië naar Europa en de VS herstelden zich veel sneller dan de groei als zodanig.

Tijdens de pandemie zijn de inkomsten in koopkracht enorm verschoven. In plaats van uit eten te gaan, kookten mensen of bestelden ze thuis; in plaats van te reizen, kochten ze duurzame goederen zoals elektronica. Maar ook de aard van het werk veranderde. Miljoenen mensen schakelden over op thuiswerk, waarvoor nieuwe elektronische apparatuur en meer ruimte nodig waren. Kinderen werden gedwongen tot ondoordachte en schadelijke experimenten met online leren, die op hun beurt een stortvloed aan nieuwe elektronica en huiselijke ruimte vereisten om te leren. De druk die huiswerk en thuisstudie op huishoudens uitoefenden, leidde tot een stormloop op de verkoop van nieuwe woningen. Ondertussen hadden de producenten aan de aanbodzijde de voorraden op een laag pitje gezet en de orders teruggeschroefd, vooruitlopend op een enorme pandemische inzinking, niet op een snelle ommekeer van de wereldeconomie. Het vermogen van deze producenten om hun productie op te voeren in het licht van de nieuwe vraag was beperkt, vooral gezien de lage kapitaalinvesteringen in de voorgaande jaren – het was niet alleen een kwestie van meer circulerend kapitaal aantrekken, maar ook van investeren in vast kapitaal, iets wat niet snel kon worden gedaan. Veel bedrijven probeerden al vooral constant kapitaal (productiemiddelen) te behouden en kostbare nieuwe investeringen te vermijden. En zelfs indien zij hun productie konden opvoeren, konden zij geen scheepsruimte vinden. De wereldcontainervloot was door de pandemie uiteengevallen en was niet in staat om een groter volume duurzame goederen van Oost-Aziatische producenten naar de VS en Europa te vervoeren. Het volume van de containervaart is in 2021 met twintig procent toegenomen.

De gangbare economische theorie – ook die van Marx – zegt dat wanneer het aanbod niet aan de vraag kan voldoen, de prijzen zullen stijgen, vooral op markten waar de verkopers de voorwaarden bepalen. Maar de economische theorie vertelt ons ook dat waar de prijzen stijgen, op winst belust kapitaal naar die productietak zal vloeien, waardoor de productie stijgt, aan de vraag wordt voldaan, en de prijzen dalen. Aanhoudende prijsstijgingen kunnen zich alleen voordoen wanneer aanhoudende tekorten een verhoging van de productie verhinderen, of wanneer kapitalisten, die klein genoeg zijn in termen van hun marktaandeel om meer voordeel te halen uit hogere prijzen dan uit een grotere productie, hun productie beperken en hun winst halen uit een hoge eenheidsprijs in plaats van uit een groter volume. Maar terwijl dit waar kan zijn voor energieproducenten of verladers, kan het niet het geval zijn voor producenten die een substantieel deel van hun markten controleren, zoals producenten van computerchips, die derhalve bij tekorten regelrecht verliezen kunnen lijden. Wij blijven zitten met de conclusie dat de aanbodschok, in het bijzonder de schok in het arbeidsaanbod, samen met de stijging van de vraag de oorzaak is van de huidige inflatie. Geen van beide zou, op zichzelf, dit effect kunnen hebben veroorzaakt.

Arbeid is anders dan alle andere waren. Het is de enige waar die niet kan worden gemist. Men kan zich, theoretisch, een kapitalisme voorstellen zonder graan, zonder olie, zonder microchips, en zelfs een kapitalisme zonder land. Maar een kapitalisme zonder arbeid is een logische tegenstrijdigheid, omdat kapitalistische klassenverhoudingen gebaseerd zijn op uitbuiting en niet alleen op eigendom: de reproductie van arbeid is de logische grondslag voor de accumulatie van kapitaal. Individuele kapitalisten kunnen arbeid vervangen door kapitaal, caissières door geautomatiseerde kassa’s, maar de kapitalistenklasse als geheel kan niet helemaal afzien van arbeid. Arbeid is ook geen eenvoudig iets dat direct kan worden beheerd – goederen kunnen direct worden gekocht, maar kapitalisten kunnen alleen arbeidskracht kopen – dat wil zeggen, de gedwongen maar vrije activiteit van arbeiders kopen, die inherent onvoorspelbaar is. Of men werkt, of hoe men werkt, is een kwestie van vrije beslissing, en kan bovendien niet rechtstreeks worden opgedragen. Daarom is het veel gemakkelijker de band van de ene kant te verbreken dan van de andere kant, en gemakkelijker te verbreken dan weer in elkaar te zetten. Waar waren rechtstreeks andere waren voortbrengen, waar machines machines voortbrengen zonder tussenkomst van arbeid, kan kapitaal goederen rechtstreeks van plaats naar plaats overbrengen. Werknemers kunnen worden ontslagen of door de staat de toegang tot hun werkplek worden ontzegd, maar ze kunnen niet rechtstreeks tot werken worden gedwongen. De staat kan een fabriek sluiten. En hij kan geld geven aan werkloze arbeiders, ouders, consumenten, geldschieters en kapitalistische producenten – niemand zegt nee tegen geld. Maar omdat het aannemen van arbeiders en het zoeken naar werk in het kapitalisme een kwestie van vrije (zij het gedwongen) beslissing is, kan de overheid alleen maar voorwaarden verbinden aan haar cadeautjes.

Dat de lonen, de prijzen die voor arbeid worden betaald, nu stijgen en sneller dan in een halve eeuw, lijkt onbetwistbaar. Overal waar werknemers werden ontslagen door een ambtelijke toestemming of medisch besluit – in hotels, bars, restaurants, winkels – zullen zij nu een premie ontvangen voor hun terugkeer, om de eenvoudige reden dat velen ervoor hebben gekozen niet terug te keren, en dit geldt zelfs waar kapitalisten in staat zijn de prijzen te verhogen. Het effect wordt echter overdreven, zoals ik hierboven al zei, omdat het grootste deel van het banenverlies door de pandemie geconcentreerd was in de laagstbetaalde sectoren. Het werkende deel van het proletariaat is rijker geworden als deel van het proletariaat, maar het lot van de klasse zelf is minder duidelijk. Zeker, in 2020 en 2021 hebben stimuleringsbetalingen, verhogingen van het kindgebonden bedrag, opschortingen van huisuitzettingen en andere maatregelen de armoede in de VS sterk teruggedrongen, zoals blijkt uit gegevens en talrijke studies. Maar nu die overdrachten geheel of gedeeltelijk zijn gestopt, is het plaatje ingewikkelder. De werkloosheid is snel gedaald van dubbele cijfers, maar ook dat cijfer is misleidend, omdat de werkloosheid kan dalen terwijl werknemers nog steeds, over het geheel genomen, de beroepsbevolking verlaten – het werkloosheidscijfer telt de werknemers die werk zoeken, niet degenen die werkloos zijn. De belangrijkste maatstaf is de arbeidsparticipatiegraad, “Labor Force Participation Rate (LFPR)”, die alle mensen meet die werkloos zijn maar geen werk zoeken. Terwijl het werkloosheidscijfer is gedaald, heeft de LFPR slechts de helft van wat verloren was gegaan, teruggewonnen.

De LFPR is sinds de millenniumwisseling gedaald – een resultaat dat slechts gedeeltelijk kan worden toegeschreven aan veranderingen in de vraag naar arbeid, aangezien het percentage ook wordt bepaald door demografische trends, zoals de stijgende levensverwachting. Maar in ieder geval sinds 2008 kan de scherpe neerwaartse trend alleen worden verklaard door de geringe vraag naar arbeid, en met name naar bepaalde soorten arbeid. De curve van de LFPR tijdens mijn leven laat zien dat hij stijgt en daalt van 60% in de jaren zeventig, tot 80%, en dan uiteindelijk weer daalt tot 60% nu, in de 21e eeuw zelf. Die vroege stijging had vooral te maken met nieuwe demografische instromers, vooral een hogere arbeidsparticipatie van blanke moeders uit de middenklasse. Het omgekeerde van die stroom van nieuwe arbeidskrachten is de uitstroom van mannen uit industriële banen in de afgelopen decennia, een proces dat in 2008 versneld is. Deze effecten zijn echter moeilijk te meten, omdat de LFPR wordt gemeten met de gehele bevolking als noemer, en dus wordt beïnvloed door louter demografische trends – stijgende levensverwachting, alsook de relatieve omvang van de generaties. Men zou verwachten dat naarmate de levensverwachting toeneemt, ook de arbeidsparticipatie afneemt, aangezien mensen een groter deel van hun leven met pensioen gaan. De COVID-19-pandemie brengt, ingewikkeld genoeg, een sterke daling van de levensverwachting met zich mee, maar ook een daaruit voortvloeiende stormloop op vervroegde uittreding – een deel van wat de “Grote Ontslagneming” wordt genoemd, bestaat uit oudere werknemers die besluiten de arbeidsmarkt vroegtijdig te verlaten. Of het nu is uit angst om ziek te worden of te sterven, onwil om zich te laten vaccineren, de zwaarte van het werk tijdens het pandemietijdperk, of omdat overdrachtsbetalingen of stijgende vermogenswaarden het mogelijk maakten, vervroegde uittredingen kunnen goed zijn voor de helft van de verandering in de LFPR.

Angst om ziek te worden is uiteraard een groot deel van de veranderingen in de arbeidsparticipatie tijdens de pandemie, maar het kan niet alles verklaren, vooral niet voor jongere werknemers, gezien het aangetoonde gebrek aan preventiemaatregelen in de VS. Onvermijdelijk is hier de stelling dat de stimuleringspremie, de werkloosheidsuitkering, het belastingkrediet voor kinderen en andere programma’s, zoals uitzettingsverboden en hulp bij huur, gezondheidszorg en andere kosten, het voor werknemers mogelijk hebben gemaakt om banen die ze haatten maar nodig hadden om te overleven, te verlaten en nooit meer terug te keren. Werknemers kozen toen voor werkloosheid, niet alleen omdat ze dat moesten, maar ook omdat ze dat wilden, en omdat pandemiesteun het mogelijk maakte niet te werken, en in sommige gevallen zelfs hun inkomen te verhogen terwijl ze minder werkten. Maar dit verhaal van vrije keuze is zelf gedeeltelijk: voor werknemers met kinderen of zieke familieleden was stoppen met werken geen keuze maar een vereiste. Een deel van het verhaal van de pandemie is ook een enorme uitbreiding van onbetaalde zorgarbeid, toen kinderen van school werden gestuurd en aan de zorg van hun families werden toevertrouwd en honderdduizenden Amerikanen ziek in hun huizen bleven of stierven aan het nieuwe coronavirus.

De inflatie sleept zich nu voort, in januari 2022, net als de pandemie. De Omicron-golf heeft de heropening van de economie afgekoeld en de groeiverwachtingen gedrukt, waarvan men zou verwachten dat ze de inflatie zouden beteugelen door de vraag te doen afnemen. Maar Omicron heeft ook de aanbodschok vergroot, door belangrijke Aziatische producenten stil te leggen en het scheepvaartvolume te vertragen. De impasse in de Amerikaanse havens zal minstens de eerste helft van het jaar aanhouden, en misschien wel het hele jaar, dus alles wijst erop dat de inflatie zal aanhouden, tenzij de Federal Reserve beslist om de rem echt hard in te trappen. Hoewel de schulden-apocalyptici en de bezuinigers het debat lijken te hebben gewonnen, wijst de geschiedenis uit dat de aanbodschok – en in het bijzonder de arbeidsschok – de primaire aanjager van inflatie is, hoewel dit een inflatie is die door het monetaire beleid wordt bekrachtigd.

Is het mogelijk dat we een nieuw tijdperk van aanhoudende inflatie ingaan? Het lijkt onwaarschijnlijk, want alle economische factoren op lange termijn wijzen op deflatie. Dit is het gemakkelijkst te zien aan het aantal sterfgevallen, maar ook aan de arbeidsparticipatiegraad. De prijs van arbeid stijgt tijdelijk, en daarmee ook de prijzen van goederen en diensten. Maar de waarde van arbeid en de prijs van arbeid zijn niet identiek – kapitalisten betalen als loon gewoonlijk slechts een deel van de reproductiekosten van arbeid, van de klasse van arbeiders. Andere kosten worden gedragen door de staat, door liefdadigheidsinstellingen, en dergelijke. Verder wordt een deel van de lonen achteraf betaald, via pensioenen, sociale zekerheid, en dergelijke. Elke proletariër die eerder in de pandemie is gestorven, die niet werkt en die geen aanspraak zal maken op zijn sociale loon, is een devaluatie, een deflatie. Het betekent dat de goederen die deze arbeiders produceerden, in feite goedkoper waren dan ze hadden kunnen zijn. Die arbeider had minder rijkdom nodig om zich voort te planten, maar hij deed evenveel werk, waardoor alle goederen goedkoper werden. Als we alleen kijken naar de stijgende lonen, en de grotere devaluatie van de klasse der proletariërs niet onderzoeken, zien we door de stekelige bomen van de inflatie niet het donkere bos van deflatie.

Het is inmiddels een kritische gemeenplaats dat de COVID-19 pandemie een voorproefje biedt van de politieke economie van de klimaatverandering. Of het nieuwe coronavirus nu rechtstreeks in verband kan worden gebracht met de ecologische afbraak van het kapitalisme, nieuwe virussen zijn dat wel. Het tijdperk van klimaatverandering zorgt voor meer pandemieën. Ook de huidige problemen in de toeleveringsketen kunnen niet volledig worden losgekoppeld van de opkomende klimaatverstoring. De schade aan de infrastructuur voor fossiele brandstoffen in de Amerikaanse Gulfcoast door orkanen en ijskoude winterstormen heeft de productie van aardgas, kunststoffen en diverse chemicaliën onderbroken. Voor de kust van Californië, waar tientallen containerschepen wachten op een ligplaats in de haven, zodat ze de goederen kunnen lossen die ze met Kerstmis niet konden leveren, raakte het anker van een schip een onderzeese pijpleiding, waardoor een lek ontstond. Er zijn complexe verwikkelingen in overvloed, en het zal nog tientallen jaren duren om een groot deel van het verhaal van de pandemie te ontcijferen, als het al ontcijferd kan worden.

Hoewel we geen voorspellingen kunnen doen, kunnen we in ieder geval de balans opmaken van een aantal krachten die meespelen – rampen op grote schaal, rampen die een planetaire schaal bereiken, zoals het geval is met ziekten, en zoals het geval zal zijn met, bijvoorbeeld, de stijgende zeespiegel, hebben het effect dat er om technische redenen materiaaltekorten ontstaan, voornamelijk door het wegnemen van arbeidskrachten en dus toegang. Dit zal leiden tot inflatie, plaatselijk. Maar de lange-termijn dynamiek van klimaatverandering is in laatste instantie zeker deflatoir. Klimaatverandering zal het concept van verzonken, gestrande kapitaalgoederen heel letterlijk maken, aangezien een deel van de industriële voetafdruk van het kapitalisme zal worden opgeslokt door smeltend ijs. Devaluatie – in de eerste plaats van arbeid – zal plaatsvinden zelfs als de eerste levensbehoeften duurder worden. Enorme portefeuilles zullen met de grond gelijk worden gemaakt, en tussen de puinhopen zal naar nieuw fortuin worden gezocht. Net als in een oorlog zullen profiteurs van rampen hun winsten gebruiken om goedkoop activa op te kopen. Inflatie zal dan de boeg van het schip zijn die stijgt terwijl het schip zelf zinkt. Je kan omhoog blijven rennen, maar je kunt niet aan het water ontsnappen.

Overgenomen uit The Brooklyn Rail, februari 2022

Vertaald met http://www.DeepL.com/Translator (gratis versie)

Jasper Bernes: “Ik ben al zo lang beneden dat het lijkt alsof ik boven ben”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s