De massastaking en de eenheidsorganisatie van het proletariaat

De arbeidersraden in de theorie van de Nederlands-Duitse communistische linkerzijde. Deel 2.

Deel 1: Het klassebewustzijn

Door Philippe Bourrinet

De menschenwereld is een wonder ding;
door haar blaast de Geest als een groote wind:
niemand weet waar hij opkomt, waar begint
het nieuwe willen, de verandering.

Soms schiet Leven vol hoog en wild gerucht
van worden en vergaan. In felle daden
stroomt uit zijn kracht. Elke dag is beladen
met mooglijkheden, ieder uur bevrucht.

Als weer verstilt het bruisende bewegen
komt de denkende mensch: poogt na te speuren
banen die ’t ging; rafelt voorbij gebeuren
uiteen; zegt: ‘het moést gaan langs déze wegen’.

Ver in zijn eenzaamheden lacht de Geest:
‘mijn banen kan geen mensch vooruit verkonden’.
Kind van ’t Al is hij, aan de stof gebonden,
maar de slaaf der stof is hij nooit geweest.



(Henriette Roland Holst-van der Schalk, Heldensage, 1927) 1



De massastaking was de eindelijk gevonden vorm van klassebewustzijn. Ze zou op een vacuüm zijn gebaseerd, als ze niet uiteindelijk werd geconcretiseerd in de opbouw van de organisatie van alle proletarische lagen en in een strijd om economische en politieke macht tegen de kapitalistische staat.



Het debat over de massastaking in de Tweede Internationale vóór 1905


Tot het begin van de eeuw, voor het uitbreken van de eerste Russische revolutie van 1905, waren de debatten in de Tweede Internationale over de middelen van revolutionaire actie van het proletariaat beperkt en opgenomen in de dwangbuis van congresresoluties over de algemene staking. De door de anarchistische stromingen bepleite algemene staking werd verworpen als vreemd aan de tactiek en strategie van de arbeidersbeweging. Ze werd verdedigd als een anti-politieke “methode” om “revolutie te maken” zonder politieke arbeidersorganisaties, en werd zo het handelsmerk van het revolutionaire syndicalisme.2 Omdat het revolutionair syndicalisme elke parlementaire tactiek en elke langetermijnstrategie voor de organisatie van de arbeidersbeweging verwierp, werd het de theorie van de “agerende minderheden” en de “revolutionaire gymnastiek” door “directe actie” die noodzakelijke en voldoende werd geacht om de geest van opstand van de arbeidersmassa’s in stand te houden. Voor Sorel en zijn aanhangers was de algemene staking zowel een brute catastrofe (“le Grand Soir”) die het kapitalisme in één enkele beslissende actie ten val bracht, als een idealistische mythe die de massa’s een bijna religieus geloof gaf in het volbrengen van de revolutie. Van begin af aan was het debat over de algemene staking een strijd tussen twee tegengestelde opvattingen: het anarchisme of het revolutionair syndicalisme en het Marxisme, dat voorstander was van de georganiseerde politieke activiteit van het proletariaat ter voorbereiding van de subjectieve voorwaarden van de revolutie. Er was een hele golf van algemene en massastakingen voor nodig, vanaf het begin van de eeuw, voordat het debat over de “algemene staking” niet langer een theoretisch gevecht was tussen Marxisme en anarchisme, maar het cruciale debat over de opmars van de revolutie binnen het Marxistische kamp, waar het de scheidslijn trok tussen Marxisten en reformisten of revisionisten.

De algemene staking, als politiek strijdmiddel tegen het kapitalistische systeem, stond van meet af aan centraal in de concrete aandachtspunten van de arbeidersbeweging. Ze werd voor het eerst in 1842 door de Engelse Chartistenbeweging toegepast. Aan het einde van een lange economische depressie, waardoor de lonen van de arbeiders daalden, en in de context van een Chartistische Petitie voor Algemeen Kiesrecht, ontstond een beweging van spontane stakingen, die zich uitstrekte van Engeland tot Schotland en Wales, en die zich drie weken lang uitbreidde om 3 miljoen arbeiders te bereiken. Zonder echte organisatie, zonder leiderschap, maar ook zonder duidelijke politieke perspectieven, mislukte de staking. Kenmerkend is dat deze “algemene” staking, die eerder een veralgemeende staking was, had zowel een economisch als een politiek karakter. Ze was spontaan, massaal en zonder voorafgaande organisatie.

Ten tijde van de Eerste Internationale werd de algemene staking in 1868 op het Internationaal Congres van Brussel aangeprezen als een politiek middel om toekomstige oorlogen te voorkomen. Maar dit congresbesluit had geen enkel praktisch effect.

In de Tweede Internationale kwam de kwestie van de “algemene staking” in een dubbel licht te staan: als demonstratieve staking voor de politieke en economische rechten van het proletariaat; en als antimilitaristisch strijdmiddel tegen het oorlogsgevaar. In 1892 werd de algemene staking voor het eerst gebruikt als politiek middel om algemeen kiesrecht te verkrijgen; een tweede algemene staking [in 1902], uitgeroepen door de Belgische Werkliedenpartij (POB), maakte het mogelijk om actief en passief stemrecht voor mannelijke kiezers te verkrijgen. Vanaf dat moment zal het gebruik van de algemene staking praktisch op alle congressen van de Tweede Internationale op de agenda worden gezet.

De congressen van Brussel (1891), Zürich (1893) en Londen (1896) markeerden een definitieve afgrenzing van het anarchisme. Dit laatste, dat pleitte voor de “algemene staking” als universeel wondermiddel tegen oorlog en voor revolutie, werd geroyeerd en zijn stellingen over de algemene staking werden verworpen. Het standpunt van de Internationale was om eerst te pleiten voor gedeeltelijke stakingen, als middel om de economische en politieke taken van het proletariaat te verwezenlijken, en om de organisatie van het proletariaat te versnellen als voorbereiding op een internationale beweging. In een periode die gekenmerkt werd door de strijd voor hervormingen, voor de organisatie van het proletariaat tot een bewuste klasse, waren de voorwaarden voor een internationale revolutionaire massa-actie niet aanwezig. Dit was altijd het standpunt van de Marxistische linkerzijde, totdat de eerste symptomen zichtbaar werden van een nieuwe historische periode van revolutionaire strijd. De omstandigheden van de tijd vóór 1905, waarin revolutionairen en reformisten nog weinig verschilden, maakten het voor de revisionistische elementen mogelijk te voorkomen dat er een fundamenteel debat werd gevoerd over de actiemiddelen van het proletariaat: deelstakingen, algemene staking, massastakingen. In 1900 kon de revisionistische leider van de Duitse vakbonden Karl Legien op het congres in Parijs zonder enige discussie verkondigen:

“Zolang er geen sterke organisaties zijn, kan er voor ons geen discussie zijn over de algemene staking.” 3

Vanaf 1901 werd het concrete probleem van de massale arbeidersstaking, en niet langer het abstracte probleem van een internationale algemene staking, gesteld in de realiteit van de klassenstrijd, zowel op economisch als op politiek terrein. In 1901 brak in Barcelona de staking van de spoorwegarbeiders uit; in tegenstelling tot andere categorale conflicten, geleid door de vakbonden, breidde dit conflict zich uit naar de metaalarbeiders. In 1902 vonden zowel in Zweden als in België demonstratieve stakingen plaats voor algemeen kiesrecht. In 1903 breidden zich in Rusland massale stakingen uit, kort na de grootschalige spoorwegstakingen in Nederland. Maar het waren vooral de massale stakingen in Italië in 1904 die de discussie over algemene stakingen en massastakingen weer op de agenda zetten. In de herfst van 1904 werd de hele Mezzogiorno opgeschrikt door een reeks arbeidersopstanden. Een verschrikkelijke repressie bracht de Milanese Kamer van Arbeid ertoe onmiddellijk een algemene staking uit te roepen. Deze verspreidde zich over heel Italië, en gedurende vier dagen bezetten de arbeiders de fabrieken, en voor het eerst in de geschiedenis van de arbeidersbeweging werden arbeidersraden gevormd in verschillende grote industriesteden in het Noorden.4 Weldra heerste weer de “orde”. Deze spontane arbeidersbeweging, die begon zonder een stakingsoproep van de vakbonden en de socialistische partij, was door haar veralgemening en organisatie een voorbode van de Russische Revolutie van 1905. De kwestie van de “algemene staking” en de “massastaking” kon voortaan alleen worden begrepen in haar internationale betekenis.

Gezien de omvang van de golf van internationale klassenstrijd kreeg de Nederlandse SDAP de opdracht om voor het Internationale Congres van Amsterdam (1904) een verslag in te dienen over de algemene staking. De eerste reden hiervoor was de ervaring van de Nederlandse arbeidersbeweging met twee massale stakingen in hetzelfde jaar 1903. Maar vooral omdat binnen de SDAP twee tendensen waren uitgekristalliseerd, die in de partijen van de Internationale terug te vinden waren. De revisionistische tendens, verwoord door Vliegen en Van Kol en gesteund door Troelstra, verwierp de algemene staking als politiek strijdmiddel; zij zag hierin een “wanhoopsdaad” van het proletariaat, waarvan het gevolg zou zijn dat het geïsoleerd zou raken van de middenlagen; zij stelde voor om alleen vast te houden aan parlementaire actie. De Marxistische tendens, gegroepeerd rond het tijdschrift De Nieuwe Tijd (Van der Goes, Gorter, Roland Holst, Pannekoek) presenteerde voor het [landelijke] congres van Dordrecht (1904) een rapport dat van groot belang was voor de verduidelijking van het begrip “algemene staking”. Het stelde voor deze te vervangen door “politieke staking”: “De term algemene staking is onjuist. De term politieke staking brengt onze bedoelingen beter tot uitdrukking”.5 Uit dit congres kwam een compromisresolutie, opgesteld door Henriëtte Roland Holst, en die zou dienen voor het Internationale Congres van Amsterdam.

Zitting van het Congres in het Concertgebouw, Amsterdam

De resolutie van het internationale congres, ingediend door Henriëtte Roland Holst, was een stap vooruit in die zin dat zij het uitbreken van algemene stakingen “mogelijk” noemde als “een uiterste middel om sociale veranderingen tot stand te brengen of zich te verdedigen tegen reactionaire aanvallen op de rechten van de arbeiders”. Heel klassiek riep de resolutie de arbeiders op hun “klasseorganisaties” te versterken als voorwaarde voor het welslagen van de politieke staking, en waarschuwde tegen het gebruik van de algemene staking door anarchisten in antipolitieke zin. Maar, in een toegeving aan revisionistische tendensen, verklaarde Roland Holst – bij voorbaat – de “volledige stopzetting van alle arbeid op een bepaald moment” “onmogelijk” en “onuitvoerbaar”, “omdat een dergelijke staking het bestaan – dat van het proletariaat en van iedereen – onmogelijk zou maken”.6 “Maar enkele maanden later logenstrafte de grote algemene staking in Italië deze prognose.

De presentatie van de resolutie door Roland Holst stelde de problemen van de “algemene staking” veel duidelijker aan de orde. Zij gebruikte de term “massastaking “, en toonde deze geen op zich staand “economisch doel” had, maar als verdediging “tegen de kapitalistische staat” werd gebruikt.

Maar, ten teken van de verwarring van die tijd, gebruikte zij de term “algemene staking” om te verkondigen dat deze “geen sociale revolutie kon zijn”.

Slechts enkele maanden na de sluiting van het congres veegde de Russische Revolutie alle oude formuleringen en alle prognoses in de praktijk weg. De beweging van massale stakingen in Rusland, anders dan de algemene staking, toonde aan dat een massale strijd van het proletariaat zich evenzeer op een economisch als op een politiek terrein bewoog. Ze was zowel defensief als offensief; de algemene organisatie van de arbeiders was niet de voorwaarde maar het gevolg van de verdieping van de beweging. Gericht “tegen de kapitalistische staat”, was ze noodzakelijkerwijs een moment van de “sociale revolutie”.

Tegelijkertijd, in januari 1905, gingen de mijnwerkers van het Ruhrgebied massaal en spontaan in staking, zonder enige vakbondsoproep. De leiding van de vakbonden verhinderde elke uitbreiding van de staking. In mei 1905 sprak de vakbondsleider Theodor Bömelburg (1862-1912) zich op het vakbondscongres in Keulen uit tegen de massastaking en verklaarde: “Om onze organisaties op te bouwen hebben we rust nodig in de arbeidersbeweging”.7 “In het land waar het proletariaat het best georganiseerde ter wereld was, stuitte de praktische beweging van de arbeiders dus op de organisaties die het geduldig had opgebouwd, en om zich te handhaven moest het de strijd buiten en zelfs tegen hen voeren, zonder een voorafgaande en permanente organisatie om haar te leiden. Het jaar 1905 stelde de hele arbeidersbeweging niet alleen voor het probleem van de vorm (veralgemening, zelforganisatie, spontaniteit) maar ook voor dat van de inhoud van massale stakingen: hervormingen of revolutie.

De Duits-Nederlandse linkerzijde en de massastaking. Henriette Roland Holst en Rosa Luxemburg

De analyse van het verschijnsel van de massastaking begon al ruim voor 1905 in de links-Marxistische beweging. De eerste aanzet daartoe werd gegeven door Rosa Luxemburg, in 1905 door Henriette Roland Holst voortgezet in de Nederlandse linkerzijde, en vervolgens met meer diepgang weer opgepakt, door Luxemburg en tenslotte door Pannekoek. De standpunten van de Marxistische linkerzijde in Duitsland en Nederland, die de meeste samenhang tonen, kunnen niet los worden gezien van die van de Russische linkerzijde, met name van Trotski, met wie een duidelijke theoretische convergentie bestaat.

De eerste die de term “politieke massastaking” gebruikte was juist een Rus, Parvus,8 die in 1905 pleitte voor massale actie als verdedigingsmiddel van het proletariaat tegen de staat, die de sociale revolutie op gang zou kunnen brengen. Als reactie op het praktische revisionisme van de Duitse partij werd de “politieke massastaking” afgewezen door de leiding van de SPD en door de linkerzijde, destijds vertegenwoordigd door Kautsky en Mehring. Maar het was Rosa Luxemburg die al in 1902, ter gelegenheid van de algemene staking die door de Belgische arbeiderspartij was uitgeroepen, en die binnen een strikt legalistisch kader werd uitgevoerd en uiteindelijk werd beëindigd, alle gevolgen van het gebruik ervan door het proletariaat voorzag. Zij verdedigde de “politieke algemene staking” als een “buitenparlementaire” actie die niet mocht worden opgeofferd aan de parlementaire actie, en toonde aan dat een dergelijke actie geen effect had als er niet “het dreigende spook van de vrije ontwikkeling van de volksbeweging, het spook van de revolutie” 9 achter zat. Terwijl ze de anarchistische leuze van de “algemene staking” veroordeelde als een “universeel wondermiddel”, benadrukte ze dat het een van de “oudste leuzen van de moderne arbeidersbeweging” was. De algemene staking was in feite een “onbedoelde politieke staking “, die niet kon worden afgekondigd of verordonneerd. Net als de revoluties uit het verleden moest zij worden opgevat als een van de “elementaire sociale verschijnselen die worden voortgebracht door een natuurlijke kracht die zijn oorsprong vindt in het klassenkarakter van de moderne samenleving”. Als zodanig wierp deze de vraag op naar het noodzakelijke gebruik van klassengeweld als “onvervangbaar aanvalsmiddel”, “zowel in de verschillende episodes van de klassenstrijd als voor de uiteindelijke verovering van de staatsmacht”. En, op profetische wijze, concludeerde zij dat als de sociaal-democratie “werkelijk zou besluiten om geweld bij voorbaat en voorgoed af te zweren, als zij zou besluiten om de arbeidersmassa’s te verplichten de burgerlijke legaliteit te respecteren, haar hele politieke strijd, parlementair of anderszins, vroeg of laat jammerlijk ineen zou storten om plaats te maken voor de onbegrensde overheersing van reactionair geweld”.

De Russische revolutie van 1905, die begon als een massastaking en eindigde met het neerslaan van de decemberopstand, stelde de Marxistische linkerzijde in Duitsland en Nederland in staat de revolutionaire opvatting te verduidelijken, tegenover de afwijzing of de lauwe aanvaarding van de massastaking in de sociaal-democratie. Verworpen door de revisionisten, had het congres van de SPD in Jena in september 1905 er lippendienst aan bewezen. De resolutie van August Bebel, die niettemin door de linkerzijde als een “overwinning” werd begroet, beval de massale staking alleen aan als “defensief wapen” en stelde dat de Russische gebeurtenissen niet als voorbeeld konden dienen voor de arbeidersbeweging in het Westen.10 Een paar maanden later, in februari 1906, werd een geheime conferentie van de SPD en de vakbonden gehouden om elke propaganda voor de massastaking in het Duitse proletariaat te voorkomen.

Geconfronteerd met een dergelijke houding, die al in 1905 duidelijk werd, vroeg Kautsky, die nog steeds links in de SPD stond, Henriette Roland Holst een brochure te schrijven over de algemene staking en de sociaal-democratie. Deze verscheen in juni 1905, met een voorwoord van hem. Deze brochure11 trok politieke conclusies over de revolutionaire massastaking in Rusland, die door de hele linkerzijde zullen worden opgepakt:

– “dat er geen vaste grenslijn bestaat tussen gedeeltelijke en algemene staking” (hfdst. 1);

– “De politieke staking is de verbinding van politieke en economische strijd, de mobilisatie van de economische macht van het proletariaat ter bereiking van zijn politieke doel” (hfdst. 5);

– de massa-actie is de “de passende vorm voor elke revolutie waarin het industriële, klassenbewuste proletariaat de belangrijkste massakracht uitmaakt” (hfdst. 5);

– “…zal de politieke werkstaking de vorm zijn van de beslissende strijd om de politieke macht, van de heerschappij in de staat” (hfdst. 5);

– “…in de strijd om de macht in de staat echter zal het geweld een factor van overwinning kunnen vormen.” (hfdst. 5).

Roland Holst specificeerde de subjectieve en objectieve voorwaarden van een dergelijke massastaking: organisatie, als zelfopvoeding van het proletariaat, discipline, klassebewustzijn, kwaliteiten waarvan de voedingsbodem wordt gevormd door de concentratie van het proletariaat in grote bedrijven. Al deze kwaliteiten die nodig zijn voor het welslagen van de revolutie zullen altijd worden onderstreept door de Nederlandse linkerzijde, Pannekoek in het bijzonder.

Maar Roland Holst gaf ook blijk van een zekere “centristische” visie die dicht bij Kautsky stond, in die zin dat zij nog geen tegenstelling zag tussen parlementarisme en politieke massastaking, terwijl ze op tegenstrijdige manier wel wees op het verval van het burgerlijke parlementarisme:

“In waarheid bestaat tussen parlementarisme en politieke massastaking evenmin een tegenstelling als tussen organisatie en geestdrift of tussen discipline en revolutionaire energie.” En:
“Politieke reactie in de wetgeving en in de handhaving van bestaande wetten gaat met het verval van het parlementarisme hand in hand”. (Idem, hfdst. 5)

Zij zag vooral het gevaar – in strijd met haar analyses – dat de massale staking zou omslaan in een opstand:

“Daar bestaat het gevaar dat de massa het politieke doel van de staking, zij het betoging of druk, niet helder onderscheiden zal en haar opvatten als een beslissende strijd die op de vernietiging van het kapitalisme gericht is” (Idem hfdst. 5).

De hele vraag was in feite of de revolutionaire massastaking in Rusland een nieuwe revolutionaire historische periode inluidde, waarvan de lessen universeel geldig waren, ook voor de “georganiseerde” arbeidersbeweging van het Westen, waarvan de strijd door de sociaal-democratie altijd als “defensief” was gedefinieerd.

Rosa Luxemburg

Rosa Luxemburgs brochure “Massastaking, partij en vakbonden”, gepubliceerd in 1906, maar gecensureerd,12 was een vernietigende aanval op de reformistische opvattingen van de SPD-leiding en de vakbonden. Ze sloot aan bij de conclusies van Roland Holst. Maar Rosa Luxemburgs theoretische kader was veel breder. Dit boekje, gedreven door revolutionaire passie, was kritischer tegenover de bureaucratie van de SPD en de vakbonden dan Roland Holst, veel scherper tegenover de parlementaire activiteit. Het kan worden beschouwd als het eerste revolutionaire manifest van de Duits-Nederlandse linkse stroming. De meest doorslaggevende punten waren de volgende:

Er was geen “westerse weg” naar het socialisme, gedefinieerd door een parlementaire strategie en een vreedzame ontwikkeling van de arbeidersbeweging. De lessen van de Russische Revolutie waren universeel, geldig voor alle landen, ook de meest ontwikkelde:

“Zo ontpopt zich de massastaking dus niet als een specifiek Russisch, uit het absolutisme gesproten product, maar als een algemene vorm van de proletarische klassenstrijd die uit het huidige stadium van de kapitalistische ontwikkeling en de klassenverhoudingen voortvloeit… Het achterlijkste land wijst, … de weg en de methodes voor de verdere klassenstrijd aan het proletariaat van Duitsland en van de meest ontwikkelde kapitalistische landen”.13

  • De massastaking was geen afzonderlijk verschijnsel – een term die Rosa Luxemburg in 1902 gebruikte – noch een eenmalige actie, zoals algemene stakingen, maar “veeleer de aanduiding, het totaalbegrip van een jarenlange, wellicht tientallen jaren lange periode van de klassenstrijd.” “(Idem, hfdst. 4)
  • De historische periode van massastakingen markeerde het ontstaan van een revolutionair tijdperk: “De massastaking is slechts de vorm van de revolutionaire strijd… Ze is de levende polsslag van de revolutie en tegelijk haar machtigste drijfrad. “. En op een zeer stellige wijze bevestigde Luxemburg dat het revolutionaire proces vanaf het begin van elke massastaking aanwezig was: “In werkelijkheid groeit de revolutie niet uit de massastaking, maar de massastaking uit de revolutie”. (Idem, hfdst. 4)
  • De massastaking, als levend verschijnsel, kon niet worden ontleed, omdat ze ook niet uiteenviel in vastomlijnde segmenten, om vervolgens een schematische classificatietabel op te stellen; ze omvatte alle vormen van klassenstrijd, economisch en politiek, die aanleiding geven tot een globale en unitaire strijd van het proletariaat, waarvan de categorieën en verdelingen worden uitgewist ten gunste van het geheel, de klasse:

    “Politieke en economische stakingen, massastakingen en partiële stakingen, demonstratieve stakingen en strijdstakingen, algemene stakingen van afzonderlijke bedrijven en algemene stakingen van afzonderlijke steden, rustige loonbewegingen en straatgevechten, barricadegevechten — dit alles loopt dooreen, naast elkaar, doorkruist zich, vloeit ineen, het is een eeuwig bewegelijke zee van verschijnselen.” … “De klassenstrijd van de arbeidersklasse is één, al komt hij ons ook gescheiden voor onder de vormen van economische en politieke klassenstrijd. Hij is tegelijkertijd gericht èn op de beperking van de kapitalistische uitbuiting, èn op de afschaffing van die uitbuiting tegelijk met de opruiming van de burgerlijke maatschappij zelf”. (Idem, hfdst. 8)
  • Het klassebewustzijn werd niet alleen gevormd en ontwikkeld in de vorm van reeds gevormde organisaties (partijen en vakbonden), door een lange “opvoeding”, maar ook en vooral in de revolutie, waar het “concreet en actief” wordt: de revolutie versnelt het bewustzijn van het proletariaat en geeft het snel de beste “opvoeding”, die van de strijd, waarvoor “een grote som massa-idealisme” nodig is. (Idem, hfdst. 4)
  • Het was een vergissing te geloven dat de organisatie (vakbond en partij) op een bureaucratisch en mechanische wijze tot klassenstrijd kon aanzetten. Integendeel, uit de strijd ontstaat de algemene organisatie van het proletariaat: “De levende, dialectische ontwikkeling toont ons echter omgekeerd de organisatie als een product van de strijd.” (Idem, hfdst. 6). Terwijl de reorganisatie van het proletariaat als geheel voortkwam uit de strijd, was er geen sprake van een “spontane” afwijzing van de politieke organisatie. Deze laatste bleef “de meest ontwikkelde, meest klassenbewuste voorhoede van het proletariaat” (Idem hfdst. 6). Alleen veranderden haar rol en functie; zij moesten niet langer “opvoeden”, organiseren en de klassenstrijd technisch aansturen, maar deze politiek oriënteren: “… moet klaarblijkelijk de taak van de sociaal-democratie niet in de technische voorbereiding en leiding van de massastaking, veeleer echter in de politieke leiding van de hele beweging bestaan” (Idem hfdst. 6).

Deze brochure heeft ongetwijfeld gediend als theoretische en politieke basis voor de stroming van de Duitse en Nederlandse Marxistische linkerzijde, en later, vanaf 1919, van het linkse communisme. De grote afwezige, zowel bij Roland Holst als bij Luxemburg en Pannekoek, die in al hun brieven nooit werd genoemd, was de arbeiderssovjet van Petrograd, die een immense rol had gespeeld in de eerste Russische revolutie; de rol en de functie van de arbeidersraden werden nooit geanalyseerd en erkend. In de strijd tegen revisionisme en reformisme haalde Luxemburg alleen het voorbeeld aan van de oprichting van de Russische vakbonden in 1905, om deze af te zetten tegen de Duitse reformistische vakbonden. Alleen Trotski, en op een geïsoleerde manier, en zonder enige weerklank in de Duits-Nederlandse Linkerzijde van vóór 1914, toonde de fundamentele rol van de arbeidersraden als “de eigenlijke organisatie van het proletariaat”, met als doel de strijd “voor de verovering van de revolutionaire macht”.14 “Aan de andere kant werd de kwestie van de staat en zijn vernietiging als kapitalistische staat, aan het einde van de revolutie – nauwelijks door Roland Holst genoemd – niet door Rosa Luxemburg aangesneden. Toen de discussie vanaf 1909 in alle ernst werd hervat, ditmaal tussen Kautsky en de Marxistische linkerzijde, was het Pannekoek die deze vraag voor het eerst duidelijk stelde.

Offensief of defensief. De strijd tegen het “centrisme” van Kautsky

De revolutionaire massastaking in Rusland had, in tegenstelling tot wat de reformisten beweerden, een aanzienlijke weerklank in het Westen. In 1905 waren er in Duitsland 500.000 stakers, meer in één jaar dan in het decennium 1890-1900; meer dan in enig jaar tussen 1848 en 1917.15

Het electorale falen van de SPD in 1907, na de nationalistische golf van de zogenaamde “Hottentotten” – genoemd naar een door het Duitse imperialisme fel bestreden stam in Zuidwest-Afrika – en de zwakte van de klassestrijd van 1907 tot 1909 hadden het reformisme de kans gegeven zich te versterken en zich in Duitsland publiekelijk te profileren. Dit verschijnsel van versterking van de reformistische en revisionistische stromingen was bovendien internationaal. De Marxistische linkerzijde in Nederland had dit al bitter ondervonden. In Rusland ontwikkelde zich in de RPSD een stroming die “liquidator” werd genoemd, en die voorstander was van legale actie en gezamenlijk optreden met de liberalen. Het internationale congres van Stuttgart (1907) liet, ondanks het zeer radicale amendement van Lenin, Luxemburg en Martov om een eventuele oorlog om te zetten in een revolutie, zeer duidelijk zien dat de sociaal-democratische partijen zich naar rechts ontwikkelden, en dat op alle principiële punten.

Vanaf 1910 zou het debat over de massastaking en de revolutie, dat de SPD-leiding dacht te hebben begraven, weer opduiken. Ten eerste werden onder invloed van de beginnende werkloosheid en de daling van de lonen de stakingen op grote schaal hervat. Ten tweede, met de steeds duidelijker dreiging van een wereldoorlog, komt de kwestie van het gebruik van de massastaking als middel om het proletariaat tegen deze gevaren te mobiliseren in alle ernst naar voren. Tenslotte pleitten de sociaal-democratische leiders, die weigeren het “wapen” van de massastaking te gebruiken, in het algemeen voor een politiek van demonstraties en algemene stakingen voor hervormingen van het kiesstelsel en algemeen kiesrecht. Dit beleid van demobilisatie in de richting naar het parlementaire terrein werd al in 1909 in Duitsland toegepast, in 1911 in Nederland (“Rode Dinsdagen”) 16 en in 1913 in België.

Het was in deze tijd dat de ideologische splitsing binnen de orthodoxe Marxistische stroming in Duitsland tot stand kwam. Kautsky sloot zich aan bij de reformistische standpunten van de leiding van Bebel en kwam dichter bij Bernstein die, wat de kwestie van de massastaking betreft, een “centristisch” standpunt verdedigde om deze strijdvorm als “verdedigingswapen” te gebruiken. Hierin is in feite de kiem te zien van de toekomstige tendens van de Onafhankelijken – die in 1917 de USPD zal vormen – en die tegenover de door Rosa Luxemburg en Pannekoek gesymboliseerde “links-radicale” stroming staat.

Het debat over de massastaking werd in 1910 heropend door Rosa Luxemburg, die een artikel 17 publiceerde dat zowel door het dagblad Vorwärts als door Kautsky’s Neue Zeit werd geweigerd, omdat deze van mening was dat de kwestie al “was opgelost”; en dat elke openbare polemiek neerkwam op “het kenbaar maken van onze eigen zwakke punten aan de tegenstander”. In feite gebruikte Kautsky na vijf jaar precies dezelfde argumenten die de revisionisten ooit tegen de linkerzijde hadden gebruikt.

Voor Kautsky was het noodzakelijk aan te tonen dat de massastaking in Rusland specifiek was voor dit land, een economisch “achtergebleven” land. De actie van de Russische arbeiders was de uitdrukking van “wanhopige omstandigheden” die het westerse proletariaat al lang niet meer kende. Bovendien beweerde hij, in afwijking van de historische waarheid, dat “dergelijke demonstratieve stakingen in West-Europa nog nooit hebben plaatsgevonden”. De opvatting van de revolutionaire massastaking zou “absoluut onverenigbaar zijn met de omstandigheden van een industrieland”, dat “politieke rechten” en een betere levensstandaard geniet. De economische crisis, waarvan het belang voor het ontstaan van spontane klassebewegingen in het Westen door de “radicalen” werd benadrukt, is ongunstig voor revolutie en massastakingen; het enige wapen dat het proletariaat heeft zijn straatdemonstraties voor bepaalde eisen. De massastaking in het Westen zou beter de arbeiders mobiliseren in tijden van economische voorspoed:

“In tijden van crisis is het gemakkelijker om grote straatdemonstraties te houden dan massastakingen. In de tijd van voorspoed kan de arbeider meer animo hebben voor een massastaking dan in tijdens de crisis.” 18

Kautsky was bereid toe te geven dat er “plaatselijke demonstratieve stakingen” konden zijn, maar nooit algemene stakingen. Een massastaking in het Westen zou hoogstens defensief zijn en als “dwangmiddel” worden gebruikt tegen de regering. De enige mogelijke strategie was een “strategie van uitputting” van de heersende macht, van “knabbelen” aan de posities van de bourgeoisie, niet een “strategie van vernietiging” van het kapitalisme. Om zijn argumentatie te rechtvaardigen verwees Kautsky niet naar de geschiedenis van de periode van massastakingen voor en na 1905, maar naar de Oudheid… die van de Carthaagse Hannibal, die tegen Rome vocht. In de hoek gedreven door Rosa Luxemburg en Pannekoek, nam Kautsky dezelfde argumenten over die hij bij zijn vroegere revisionistische tegenstanders aan de kaak had gesteld:

  • parlementaire tactieken zijn te verkiezen boven revolutionaire massa-acties en zelfs boven politieke stakingen: “Verkiezingsoverwinningen van de sociaal-democratie (…) worden (…) “steeds glorieuzer en meer indrukwekkend”; “
  • massa-acties zijn straatacties van een onbewuste menigte. Puttend uit de massapsychologie van de conservatieve socioloog Gustave Le Bon in zijn “La Psychologie des foules”, beweerde Kautsky: “De massa-acties kunnen zowel reactionair als ronduit zinloos zijn”;
  • tenslotte bedreigde het gebruik van ongeorganiseerde massa-acties, die niet door de sociaal-democratie en de vakbonden werden gecontroleerd, het bestaan van de arbeiders- en revolutionaire beweging: “De onberekenbaarheid van acties van ongeorganiseerde massa’s “is vaak fataal geweest voor oppositionele en vooral revolutionaire bewegingen en partijen”.19

In haar antwoord aan Kautsky hernam Rosa Luxemburg haar hele eerdere argumentatie in Massastaking, partij en vakbonden, terwijl ze deze benadrukte. Zij toonde de noodzaak voor het proletariaat om “resoluut over te gaan tot het offensief”, een besluit dat alleen kon voortkomen uit de massa’s zelf. De argumenten van Kautsky waren in werkelijkheid voorwendselen om de beweging “af te remmen”, zo benadrukte zij in een artikel dat een heel programma inhield: “Ermattung oder Kampf?”.20

Terugkomend op de inhoud, onderstreepte zij in het artikel “Die Theorie und die Praxis”21 drie fundamentele punten in het debat over de massastaking:

  • Door de gigantische concentratie van het proletariaat in Petrograd en Moskou, was Rusland een voorbode van de revolutie in Europa. Rusland, dat verre van achterlijk was vanuit het oogpunt van kapitalistische groei, vertoonde een hoog niveau van kapitalistische ontwikkeling.
  • De massastaking verzwakte en desorganiseerde niet de arbeidersbeweging. Integendeel, ze was “lonend”. De Russische massastaking had “meer economische, sociale en politieke successen geboekt dan de Duitse vakbeweging in de vier decennia van haar bestaan”.
  • De stakingen in het Westen namen weer in kracht toe; het gevaar voor hen was het vermogen van de sociaal-democratie om de beste massa-actie goed en wel te verlammen door een weifelende en lusteloze tactiek. En optimistisch concludeerde Rosa Luxemburg dat het geen kwestie was van strijd tegen de leiding van de partij en de vakbonden; de massa’s zouden het zelf op zich nemen “om hun leiders gewoon opzij te schuiven, die tegen de storm van de beweging ingaan”.

Herhaaldelijk bleef Rosa Luxemburg in dit debat op het door Kautsky en de SPD-leiding uitverkoren terrein. Zij riep op om de demonstraties en stakingen voor algemeen kiesrecht in te luiden met een massastaking en stelde als “overgangs”-mobilisatieslogan “strijd voor de Republiek” voor. Op deze grond kon Kautsky haar antwoorden dat “het willen inluiden van een electorale strijd door een massastaking is een absurditeit”. Haar overtreffende, bevestigde Kautsky bovendien dat de inhoud van de sociaal-democratie fundamenteel anders was dan het “abstracte” socialisme: “De begrippen sociaal-democraat en republikein blijven identiek”.22

Heel anders was het terrein dat Pannekoek koos, die tussen 1910 en 1912 met steun van de Bremer Linke en de Nederlandse Tribunisten een fundamenteel debat tegen Kautsky aanging. Sinds 1909 waren de betrekkingen van de Tribunisten met deze laatste aanzienlijk verslechterd, ten eerste door de scheuring van maart 1909, en ten tweede en vooral door de publicatie van Pannekoek’s boek over “Die taktische Divergenzen in der Arbeiterbeweging”.23 Dit boek was, naast zijn algemene theoretische opvatting gericht tegen het revisionisme, een van de eerste mijlpalen van de breuk van de Marxistische linkerzijde met het parlementarisme en de vakbeweging van de Tweede Internationale.

(Wordt vervolgd)

Bijlagen

Henriette Roland Holst-Van der Schalk
Resolutie Algemene Staking, Zesde Internationale Socialistische Congres, Amsterdam 1904

De algemene staking

De Commissie heeft de volgende resolutie van de Nederlanders aangenomen:

Overwegende dat de noodzakelijke voorwaarde voor het welslagen van een massale staking een sterke organisatie en de vrijwillige discipline van de arbeiders is, acht het congres de absolute algemene staking, in de zin dat al het werk wordt stilgelegd, onuitvoerbaar, omdat zij alle bestaan, ook dat van het proletariaat, onmogelijk maakt. Verder overwegende dat de emancipatie van de arbeidersklasse niet het resultaat kan zijn van een dergelijke plotselinge krachtsinspanning, maar dat het mogelijk is dat een staking die zich uitstrekt over afzonderlijke bedrijfstakken die belangrijk zijn voor het economische leven of over een groot aantal ondernemingen, een uiterste middel kan zijn om belangrijke sociale veranderingen door te voeren of om weerstand te bieden aan reactionaire aanvallen op de rechten van de arbeiders, waarschuwt het congres de arbeiders zich niet te laten meeslepen door de propaganda voor de algemene staking die van anarchistische zijde wordt gevoerd, met de bedoeling hen af te houden van de belangrijke dagelijkse kleine strijd door middel van vakbondsacties, politieke en coöperatieve acties, en roept hen op hun eenheid en machtspositie in de klassenstrijd te versterken door hun organisaties te ontwikkelen, want als de staking met een politiek doel op een dag noodzakelijk en essentieel blijkt, zal haar succes daarrvan afhangen.”

De spreekster Henriette Roland-Holst wijst erop dat de Commissie deze resolutie met 27 tegen 4 stemmen heeft aangenomen. Dit bevredigende resultaat toont aan dat er naar de mening van het internationale proletariaat een verandering begint plaats te vinden in de beoordeling van de algemene staking. Het proletariaat is zich ten volle bewust van de moeilijkheden die inherent zijn aan het uitvoeren van politieke massastakingen, maar het weet ook welke krachten in haar sluimeren. Er is een enorm verschil tussen de hersenschim van de anarchistische algemene staking en het idee van de massale politieke staking zoals die herhaaldelijk door socialistische partijen is toegepast. De resolutie is bedoeld om deze onverzoenlijke tegenstelling tussen de algemene staking en de massastaking duidelijk tot uitdrukking te brengen. De anarchistische algemene staking is door de Commissie verworpen omdat deze absoluut onuitvoerbaar is. Zo’n volledige stillegging van het werk als de anarchisten voor ogen hebben, is onmogelijk. Anderzijds stelt de resolutie geen duidelijke grenzen aan de mate waarin massale politieke stakingen zijn toegestaan. Hun reikwijdte en uitbreiding hangen af van de historische omstandigheden. Ten tweede moest de anarchistische opvatting die de algemene staking interpreteert als de sociale revolutie, als de definitieve bevrijding van het proletariaat, worden opgehelderd. In onze historische visie is de verovering van de politieke macht en de socialisatie van de productiemiddelen niet het werk van een op zichzelf staande inspanning van het proletariaat. Voorwaarde is een revolutie van de geesten, een revolutie in het denken en voelen van het proletariaat, een verandering in zijn levensomstandigheden en voorbereiding door het langzame, gestage dagelijkse werk van de politieke, vakbonds- en coöperatieve organisaties van de arbeiders. De resolutie vermijdt een standpunt in te nemen over de zogenaamde algemene staking om economische redenen. Het is aan de vakbondsorganisatie om te beslissen over de ontvankelijkheid ervan. De politieke massastaking heeft geen economische doelen, maar is gericht tegen de kapitalistische staat om een verslechtering van de politieke rechten van de arbeiders af te wenden, of om nieuwe rechten voor hen te verwerven. Is zo’n politieke massastaking mogelijk? De resolutie zegt: onder bepaalde voorwaarden, ja. Maar de voorwaarden zijn: sterke organisaties, een sterke vrijwillige discipline en de nodige voorbereiding op de actie. Of aan deze voorwaarden is voldaan, moet elk land zelf beslissen. Maar als de klassenstrijd intensiveert, is het mogelijk dat de massastaking het enige politieke strijdmiddel van het proletariaat wordt. (…)

De Nederlandse resolutie wordt vervolgens aangenomen met 36 stemmen voor, 4 tegen en 3 onthoudingen. (…)

Bron

Sechster internationaler Sozialistenkongreß (eigener Bericht der Volksstimme), fünfter Verhandlungstag. In Volksstimme. Sozialdemokratisches Organ für den Regierungsbezirk Magdeburg. 15. Jg. Nr. 195, 20-8-1904.

Henriette Roland Holst-Van der Schalk: Resolutie “aan het proletariaat van Rusland” 24

“Met het oog op de ondraaglijke moeilijkheden die het proletariaat ondervindt op de weg naar zijn bevrijding, en met het oog op de ongehoorde offers die deze strijd brengt aan het proletariaat van Rusland, dat zich in de broederlijke vereniging van krachten, zonder onderscheid naar naties, schaart rond de glorieuze banier van het socialisme om te strijden tegen het absolutisme en voor de verovering van politieke rechten. Het Congres verzekert hen van zijn grote bewondering en sympathie. Het congres verklaart aan het proletariaat van Rusland dat de arbeiders van de hele wereld met haar verenigd zijn in haar strijd tegen het absolutisme en dat, wanneer het proletariaat van Rusland strijdt voor zijn eigen bevrijding, het tegelijkertijd strijdt voor de bevrijding van het wereldproletariaat.”

De resolutie wordt onder luid applaus unaniem aangenomen.

Bron

Sechster internationaler Sozialistenkongreß (eigener Bericht der Volksstimme), siebenter Verhandlungstag. In Volksstimme. Sozialdemokratisches Organ für den Regierungsbezirk Magdeburg.15. Jg. Nr. 197, 23-8-1904.

Noten

1 IISG, biografie. Heldensage.

2 Naar Henri Dubief (introduction et textes présentés par), Le syndicalisme révolutionnaire, Armand Colin, Paris, 1969.

3 Geciteerd door Antonia Grunenberg in haar inleiding tot Die Massenstreikdebatte, Frankfurt, 1970 (verzameling van teksten van Pannekoek, Parvus, Luxemburg, Kautsky over massastaking).

4 Voor de revolutionaire gebeurtenissen in 1904 in Italie, zie Robert Paris, Histoire du fascisme en Italie, Maspéro, Paris, 1962, p. 45.

5 Vliegen, Die onze kracht ontwaken deed, Amsterdam, 1924; deel 2, blz. 39-40.

6 Zie de bijlage Henriette Roland Holst-Van der Schalk, Resolutie en toelichting over de Algemene Staking, Zesde Internationale Socialistische Congres, Amsterdam 1904.

7 Geciteerd in Carl E. Schorske, Die grosse Spaltung. – Die deutsche Sozialdemokratie von 1905 bis 1917, Olle & Wolter, Berlijn, 1981, blz. 64. De meeste verwijzingen naar de Duitse arbeidersbeweging komen uit dit boek, dat in 1955 voor het eerst in het Amerikaans-Engels verscheen.

8 Antonia “Grünenberg, Die Massenstreikdebatte, Frankfurt/Main, 1970. “De tekst van Parvus (Israel Lazarevich Gel’fand), Staatsstreich und Massenstrike, bevindt zich in deze bundeling. Oorspronkelijk als serie verschenen in Die Neue Zeit, mei en juni 1896, blz. 199, 261, 304, 356, 389. Een kritiek van Kautsky met een langer citaat van Parvus is te vinden in Kautsky, Der politische Massenstreik, 1914, hfdst. 8: Parvus über Staatsstreich und Massenstreik.

9 Rosa Luxemburg, Das belgische Experiment (1902).

10 Schorske, op. cit., blz. 69.

11 Henriette Roland Holst – van der Schalk, Generalstreik und Sozialdemokratie, Dresden, 1905. De citaten komen uit de Nederlandse uitgave Algemeene werkstaking en sociaal-democratie, Rotterdam, 1906.

12 Zie J.P. Nettl, La vie et l’œuvre de Rosa Luxemburg, t. I, Maspéro, Parijs, 1972, blz. 352. Rosa Luxemburgs brochure was oorspronkelijk bedoeld als een “gedrukt manuscript” voor intern gebruik door de afgevaardigden van het SPD-congres. Onder druk van de vakbonden liet de SPD de resterende exemplaren van de eerste editie vernietigen en moest er een meer “gematigde” editie komen, waarin bepaalde voor de vakbondslieden “provocerend” geachte formuleringen werden gecensureerd.

13 Citaten naar R. Luxemburg, Politische Schriften I, 1968, Frankfurt; Massenstreik, Partei und Gewerkschaften, p. 135-228. Hier: Rosa Luxemburg, Massastaking, partij en vakbonden. Hfdst. 7. Massastaking en revolutie.

14 Trotsky, 1905, Éditions de Minuit, Paris, 1969; chapitre « conclusions », p. 222-241.

15 Schorske, op. cit., p. 53-54.

16 Vanaf 1910 besloot de Nederlandse SDAP aan het begin van elk parlementair zittingsjaar rituele bijeenkomsten, demonstraties en petities aan de regering te houden voor algemeen kiesrecht (“Rode Dinsdagen”). Deze jaarlijkse demonstraties waren in de ogen van de SDAP een goede vervanging voor massastakingen, die door haar nooit werden uitgeroepen.

17 Luxemburg, Was weiter?, in Dortmunder Arbeiterzeitung, 14 maart 1910; reprint “in Gesammelte Werke, Band 2, Ost-Berlin, 1974.

18 Kautsky, Die Neue Zeit, 1910, Was nun?

19 De socioloog van de “door leiders geïndoctrineerd ‘menigtes’, de zeer conservatieve Gustave Le Bon (1841-1931) inspireerde Kautsky’s artikel Die Aktion der Masse, in Die Neue Zeit, 1911.

20 Rosa Luxemburg, Ermattung oder Kampf? (1910).

21 Rosa Luxemburg, Die Theorie und die Praxis (1910).

22 Kautsky, Zwischen Baden und Luxemburg, (1910).

23 De Duitse versie, Pannekoek, Die taktischen Divergenzen in der Arbeiterbeweging, is alleen in Fraktur- of gotisch schrift verkrijgbaar. De Engelse vertaling van een samenvatting door Serge Bricianer is te vinden in zijn Pannekoek and the Workers’ Councils, Ch. 2.

24 De Russische sociaal-democratische partij was op haar congres gesplitst in Bolsjewiki en Mensjewiki. Beide fracties stuurden een verslag van de splitsing naar het Zesde Internationale Socialistische Congres, Amsterdam 1904. Trotski vemeldt dat reeds tijdens dit Russische splitsingscongres “was het zuiden van Rusland overstroomd door een stakingsgolf. Onlusten onder de boeren waren aan de orde van den dag. De universiteiten verkeerden in gisting. De russisch-japansche oorlog had de beweging een oogeblik tegengehouden, maar de militaire ineenstorting van het csarisme werd weldra een krachtige moto voor de revolutie. (…) de principieele vraagstukken van de revolutie werden acuut. De abstracties vulden zich voor mij grondig met sociale stof.” (Leo Trotzki, Mijn leven, Prinkipo, 14 september 1929, Querido, Amsterdam, 1930, blz. 146)

De massastaking en de eenheidsorganisatie van het proletariaat

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s