Karl Marx: Kritische kanttekeningen bij het artikel van ‘een Pruis’, deel 2

Revolte van de Canuts, Lyon 1831.

Deel 2 1

[Over de Duitse arbeiders]

Nu de orakelspreuken van de “Pruis” over de Duitse arbeiders.

De Duitse armen“, zegt hij gekscherend, “zijn niet wijzer dan de arme Duitsers, d.w.z. zij zien niet verder dan hun haard, hun fabriek, hun wijk: de hele kwestie is tot nu nog leeg van de alles doordringende politieke ziel.”

Om de toestand van de Duitse arbeiders te kunnen vergelijken met die van de Franse en Engelse arbeiders, moest de “Pruis” de eerste vorm, het begin van de Engelse en Franse arbeidersbeweging vergelijken met de Duitse beweging die net begonnen is. Dat doet hij niet. Zijn argument komt dus neer op een trivialiteit, bijvoorbeeld dat de industrie in Duitsland nog niet zo ontwikkeld is als in Engeland, of dat een beweging er in haar begin anders uitziet dan in haar voortgang. Hij wilde spreken over de eigenaardigheid van de Duitse arbeidersbeweging. Over dit zijn onderwerp rept hij met geen woord.

Laat de “Pruis” daarentegen het juiste standpunt innemen. Hij zal ontdekken dat geen enkele van de Franse en Engelse arbeidersopstanden zo’n theoretisch en bewust karakter had als de weversopstand in Silezië.

Denk allereerst aan het Weverslied,2 deze moedige strijdkreet waarin haard, fabriek, district niet eens genoemd worden, maar het proletariaat onmiddellijk op een opvallende, scherpe, meedogenloze, gewelddadige manier zijn verzet tegen de maatschappij van het privé-eigendom uitschreeuwt. De Silezische opstand begint precies waar de Franse en Engelse arbeidersopstanden eindigen, met het bewustzijn van de aard van het proletariaat. De actie zelf draagt dit superieure karakter. Niet alleen de machines, de rivalen van de arbeider, worden vernietigd, maar ook de koopmansboeken, de eigendomstitels, en terwijl alle andere bewegingen zich aanvankelijk alleen keerden tegen de industriële heer, de zichtbare vijand, keert deze beweging zich tegelijkertijd tegen de bankier, de verborgen vijand. Tenslotte is geen enkele Engelse arbeidersopstand met evenveel moed, overleg en doorzettingsvermogen gevoerd.

Wat betreft het opleidingsniveau of het leervermogen van de Duitse arbeiders in het algemeen, herinner ik aan de geniale geschriften van Weitling,3 die in theoretisch opzicht vaak verder gaan dan zelfs Proudhon, hoezeer ze ook in uitwerking onderdoen. Waar zou de bourgeoisie — haar filosofen en schriftgeleerden inbegrepen — met betrekking tot de emancipatie van de bourgeoisie — politieke emancipatie — een werk als Weitling’s “Garanties van Harmonie en Vrijheid” kunnen laten zien? Als men de sobere, pruilende middelmatigheid van de Duitse politieke literatuur vergelijkt met dit onstuimige en briljante literaire debuut van de Duitse arbeiders; als men deze reusachtige kinderschoenen van het proletariaat vergelijkt met de dwergachtigheid van de versleten politieke schoenen van de Duitse bourgeoisie, moet men de Duitse Assepoester een atletische gedaante voorspellen. Men moet toegeven dat het Duitse proletariaat de theoreticus is van het Europese proletariaat, zoals het Engelse proletariaat zijn nationale econoom is en het Franse proletariaat zijn politicus. Men moet toegeven dat Duitsland een even klassieke roeping heeft tot sociale revolutie als tot politiek onvermogen. Want zoals de onmacht van de Duitse bourgeoisie de politieke onmacht van Duitsland is, zo is het talent van het Duitse proletariaat – zelfs los van de Duitse theorie – het sociale talent van Duitsland. De wanverhouding tussen de filosofische en de politieke ontwikkeling in Duitsland is geen abnormaliteit. Het is een noodzakelijke wanverhouding. Alleen in het socialisme kan een filosofisch volk zijn overeenkomstige praktijk vinden, dat wil zeggen, alleen in het proletariaat kan het de actieve factor van zijn bevrijding vinden.

Maar op dit moment heb ik tijd noch zin om aan “Pruis” de relatie van de “Duitse maatschappij” tot de sociale omwenteling en uit deze relatie aan de ene kant de zwakke reactie van de Duitse bourgeoisie tegen het socialisme uit te leggen, aan de andere kant de uitstekende aanleg van het Duitse proletariaat voor het socialisme. De eerste elementen om dit verschijnsel te begrijpen vindt hij in mijn “Inleiding tot de Kritiek op Hegels Rechtsfilosofie” (“Deutsch-Französische Jahrbücher”).4

De wijsheid van de Duitse armen is dus omgekeerd evenredig aan de wijsheid van de arme Duitsers. Maar mensen voor wie elk onderwerp moet dienen als een openbare stijloefening, komen door deze formele activiteit tot een verkeerde inhoud, terwijl de verkeerde inhoud op zijn beurt het stempel van gemeenheid op de vorm drukt. Zo heeft de poging van de “Pruis” om zich in de vorm van de antithese te bewegen bij gelegenheden als de Silezische arbeidersonrust hem verleid tot de grootste antithese tegen de waarheid. De enige taak van een denkend en waarheidslievend hoofd, bij een eerste uitbraak van de Silezische arbeidersopstand, was niet om de schoolmeester van deze gebeurtenis te spelen, maar om het eigenaardige karakter ervan te bestuderen. Dit vereist echter enig wetenschappelijk inzicht en enige menslievendheid, terwijl voor de andere operatie een pasklare fraseologie, gedompeld in een lege eigenliefde, volstaat.

[Burgerlijke politiek versus proletarische politiek]

Waarom oordeelt de “Pruis” zo minachtend over de Duitse arbeiders? Omdat hij de “hele kwestie” — namelijk de kwestie van de nood van de arbeiders — “tot nu toe nog” in de steek gelaten vindt door de “allesoverheersende politieke ziel”. Hij werkt zijn Platonische liefde voor de politieke ziel uit:

“Alle opstanden die uitbreken in dit hopeloze isolement van de mensen van het gemeenschapswezen5 en van hun gedachten van de sociale principes, zullen stikken in bloed en onbegrip; maar pas de nood wekt verstand en ontdekt het politieke verstand van de Duitsers de wortel van de sociale nood, dan zullen deze gebeurtenissen ook in Duitsland gevoeld worden als symptomen van een grote omwenteling.”

De “Pruis” zal ons een stilistische opmerking vooraf veroorloven. Zijn antithese is onvolledig. In de eerste helft staat: nood brengt verstand voort, en in de tweede helft: politiek verstand ontdekt de wortel van de sociale nood. Het eenvoudige verstand in de eerste helft van de antithese wordt het politieke verstand in de tweede helft, net zoals de eenvoudige nood in de eerste helft van de antithese de sociale nood wordt in de tweede helft. Waarom heeft de stijlartiest beide helften van de antithese zo ongelijk bedeeld? Ik geloof niet dat hij zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Ik zal hem zijn juiste instinct uitleggen. Als de “Pruis” had geschreven: “Sociale nood brengt politiek verstand voort en politiek verstand ontdekt de wortel van sociale nood”, dan had geen argeloze lezer de onzin van deze antithese kunnen ontgaan. Allereerst zou iedereen zich hebben afgevraagd waarom plaatst de anonieme schrijver niet het sociale verstand bij de sociale nood, en het politieke verstand bij de politieke nood, zoals de eenvoudigste logica voorschrijft? Nu ter zake!

Het is dus onjuist dat de sociale nood het politieke verstand voortbrengt, integendeel brengt het sociale welzijn het politieke verstand voort. Het politieke verstand is een spiritualist en wordt gegeven aan hem die al heeft, die al lekker in zijn vel zit. Laat onze “Pruis” het volgende horen van een Franse nationale econoom, de heer Michel Chevalier:

“In 1789, toen de bourgeoisie in opstand kwam, ontbrak het haar slechts aan deelname aan de regering van het land om vrij te zijn. Voor haar bestond de bevrijding erin het bestuur van de openbare zaken, de hoge civiele, militaire en religieuze functies uit handen te nemen van de bevoorrechten die het monopolie op deze functies hadden. Rijk en verlicht, in staat om zelfvoorzienend te zijn en zichzelf te besturen, wilden zij ontsnappen aan het régime du bon plaisir6.”

We hebben “Pruis” al aangetoond hoe onbekwaam de politieke geest is om de bron van de sociale nood te ontdekken. Nog een woord over deze opvatting van hem. Hoe meer ontwikkeld en algemeen de politieke verstand van een volk is, hoe meer het proletariaat — althans in het begin van de beweging — zijn krachten verspilt aan onverstandige, nutteloze en in bloed gesmoorde rellen. Omdat het denkt in termen van politiek, ziet het de oorzaak van alle kwaad in de wil en alle middelen tot hulp in geweld en de omverwerping van een bepaalde staatsvorm. Bewijs: de eerste uitbarstingen van het Franse proletariaat.7 De arbeiders in Lyon geloofden dat zij slechts politieke doelen nastreefden, dat zij slechts soldaten van de republiek waren, terwijl zij in werkelijkheid soldaten van het socialisme waren. Zo verduisterde hun politieke verstand voor hen de wortel van hun sociale nood, zo vervalste het hun inzicht in hun werkelijke doel, zo loog hun politieke geest tegen hun sociale instinct.

Maar als de “Pruis” het opwekken van verstand door nood verwacht, waarom gooit hij dan de “verstikkingen in bloed” en de “verstikkingen in onverstand” op één hoop? Als de nood al een middel is, dan is de bloedige nood zelfs een zeer direct middel om verstand op te wekken. De “Pruis” moest daarom zeggen: verstikking in bloed zal gebrek aan verstand verstikken en begrip een behoorlijke lucht geven.

De “Pruis” voorspelt de verstikking van de opstanden die uitbreken in het “hopeloze isolement van de mensen van het gemeenschapswezen en in de scheiding van hun gedachten van de sociale beginselen“.

Wij hebben aangetoond dat de Silezische opstand geenszins plaatsvond in de scheiding van gedachten en sociale principes. Het gaat nu verder alleen nog om het “hopeloze isolement van de mensen van het gemeenschapswezen“.De term gemeenschapswezen verwijst hier naar het politieke gemeenschapswezen, het staatswezen. Het is het oude liedje van het apolitieke Duitsland.

Maar breken niet alle opstanden zonder uitzondering uit in het hopeloze isolement van de mens ten opzichte van het gemeenschapswezen? Vooronderstelt niet elke opstand noodzakelijkerwijs een isolement? Zou de revolutie van 1789 hebben plaatsgevonden zonder het hopeloze isolement van de Franse burgers van de gemeenschap? Ze was juist bedoeld om dit isolement op te heffen.

Maar het gemeenschapswezen waarvan de arbeider geïsoleerd is, is een gemeenschapswezen van een heel andere realiteit en een heel andere omvang dan het politieke gemeenschapswezen. Dit gemeenschapswezen, waarvan zijn eigen arbeid hem scheidt, is het leven zelf, het lichamelijke en geestelijke leven, de menselijke moraal, de menselijke activiteit, het menselijk genot, het menselijk wezen. Het menselijk wezen is het ware gemeenschapswezen van de mensen. Zoals het hopeloze isolement van dit wezen onevenredig meer veelzijdig, ondraaglijk, verschrikkelijk, tegenstrijdig is dan het isolement van de politieke gemeenschapswezen, zo is ook het opheffen van dit isolement en zelfs een gedeeltelijke reactie, een opstand daartegen zoveel oneindiger, zoals de mens oneindiger is dan de staatsburger, en het menselijk leven dan het politieke leven. De industriële opstand, hoe gedeeltelijk ook, verbergt dus in zichzelf een universele ziel; de politieke opstand, hoe universeel ook, verbergt onder dekolossaalste vorm een bekrompen geest.

De “Pruis” besluit zijn essay waardig met de volgende zin:

“Een sociale revolutie zonder politieke ziel (d.w.z. zonder het organiserende inzicht vanuit het standpunt van het geheel) is onmogelijk.”

Men heeft gezien. Een sociale revolutie staat daarom op het standpunt van het geheel, omdat zij — ook al zou zij alleen in een fabrieksdistrict plaatsvinden — omdat zij een protest is van de mens tegen het ontmenselijkte leven, omdat zij uitgaat van het standpunt van hetafzonderlijke werkelijke individu, omdat de afgrenzing van de gemeenschap waartegen het individu zich afzet, de ware gemeenschap van de mens is, het menselijke wezen. De politieke ziel van een revolutie bestaat daarentegen uit de tendens van de klassen zonder politieke invloed om hun isolement van het staatswezen en van de heerschappij op te heffen. Hun standpunt is dat van de staat, van een abstract geheel dat alleen bestaat door afscheiding van het werkelijke leven, dat ondenkbaar is zonder de georganiseerde tegenstelling tussen de algemene idee en het individuele bestaan van de mens. Een revolutie georganiseerd door de politieke ziel organiseert dus ook, volgens de beperkte en dubbelzinnige aard van deze ziel, een heersende kring in de maatschappij, ten koste van de maatschappij.

Wij willen de “Pruis” toevertrouwen wat een “sociale revolutie met een politieke ziel” is; wij vertrouwen hem daarmee tegelijkertijd het geheim toe dat hij zelfs niet in frasen weet uit te stijgen boven het bekrompen politieke standpunt.

Een “sociale” revolutie met een politieke ziel is ofwel een samengestelde onzin, als de “Pruis” onder “sociale” revolutie een “sociale” revolutie verstaat in tegenstelling tot een politieke, en de sociale revolutie toch een politieke ziel geeft in plaats van een sociale. Of een “sociale revolutie met een politieke ziel” is niets anders dan een parafrase van wat anders een “politieke revolutie” of een “revolutie zonder meer” werd genoemd. Elke revolutie ontbindt de oude maatschappij; in zoverre is zij sociaal. Elke revolutie werpt de oude macht omver; in zoverre is zij politiek.

Laat de “Pruis” kiezen tussen parafrase en onzin! Maar zo parafraserend of zinloos als een sociale revolutie met een politieke ziel is, zo verstandig is een politieke revolutie met een sociale ziel. Revolutie in het algemeen — de omverwerping van de bestaande macht en de ontbinding van de oude verhoudingen — is een politieke daad. Zonder revolutie kan het socialisme zich echter niet verwezenlijken. Het vereist deze politieke daad voor zover het vernietiging en ontbinding vereist. Maar waar zijn organiserende activiteit begint, waar zijn doel in zichzelf, zijn ziel, naar voren komt, werpt het socialisme zijn politieke omhulsel af.

Zoveel omloop was nodig om het web van vergissingen te ontrafelen, dat in een enkele krantenkolom schuilgaat. Niet alle lezers beschikken over de opleiding en de tijd om zich te verdiepen in dergelijke literaire charlatanerie. Heeft de anonieme “Pruis” daarom niet de plicht tegenover het lezerspubliek om voorlopig af te zien van alle politieke en sociale schrijfsels en verklaringen over de Duitse omstandigheden, en te beginnen met een gewetensvol zelfonderzoek naar zijn eigen toestand?

Parijs, 31 juli 1844, Karl Marx

Noten

1 Verschenen in »Vorwärts!« Nr. 64 van 10 augustus 1844.

2 Zie Bijlage 2 voor de tekst van dit lied en een uitleg.

3 Wilhelm Weitling. Weitling, Garantien der Harmonie und Freiheit (1842).

4 Marx, Einleitung zur Kritik der Hegelschen Rechtsphilosophie (1844). Niet vertaald in het Nederlands, wel Marx aantekeningen bij Hegel onder de titel Kritiek op Hegels Rechtsfilosofie (1843).

5 Gemeenschapswezen als vertaling van het Duitse Gemeinwesen, hier door de “Pruis” gebruikt in de ideologische betekenis van de staat als uitdrukking van de maatschappij als klassengemeenschap. Marx prikt dit verderop door.

6 Willekeurige heerschappij.

7 Zie de Juniopstand van 1832 in Parijs. De opstand van 1839 in Parijs onder leiding van Blanqui en Barbès, gesteund door de Bond der Gerechten, mislukte bij gebrek aan uitbreiding. In 1847 veranderde de bond in de Communistenbond, waarvoor Marx het Manifest schreef.
De opstand van de arbeiders in Lyon van 1834 was een belangrijk begin van de arbeidersbeweging in Frankrijk. Begonnen als loonstrijd en staking, wreed onderdrukt door het leger, ontwikkelde de strijd zich onder leiding van de republikeinse bourgeoisie tot een politieke strijd voor haar burgerlijke doelen. De strijd werd gesteund door opstanden in Parijs en andere steden. De repressie was gruwelijk.

Bijlage 2 Het Weverslied

Hier in het dorp is een rechtbank (“Das Blutgericht”)

Hier in het dorp is een gerechtshof
veel erger dan het veemgerecht
waar men niet eerst een oordeel velt
om snel het leven te nemen.
Hier wordt de mens langzaam gemarteld
hier is de folterkamer
hier worden vele zuchten geteld
als getuige van de ellende.

Hier zijn heren van in de twintig (Zwanziger) de beulen
de bedienden hun handlangers
waarvan ieder zich dapper te schande maakt
in plaats van iets te verbergen.
Jullie schurken allemaal, jullie satansgebroed
jullie helse demonen
jullie beroven de armen van hun goederen en bezittingen
en vervloekingen zijn jullie beloning.

Jullie zijn de bron van alle ellende die de armen hier onderdrukt.
Jullie zijn degenen die zelfs het droge brood uit de mond stoten.
Als er nu een arme wever komt, wordt het werk gecontroleerd.
Als er de minste fout is, is het met je gedaan.

Als hij dan zijn magere loon krijgt, wordt daarvan nog afgetrokken
hem de deur gewezen, en spot en hoon vliegen hem achterna.
Hier helpt geen smeken en geen smeken, al het klagen is tevergeefs.
Als het je niet bevalt, kun je gaan knagen aan de hongerdoek.

Denk aan de ontberingen en ellende van zulke arme mensen
thuis vaak geen stukje brood, is dat niet te beklagen?
Medelijden, ha! Een mooi gevoel, vreemd aan jullie kannibalen,
en ieder kent al jullie doel, het hemd en het vel van de armen.

O, jullie geld en goederen, ze zullen op een dag vergaan
als boter in de gloed van de zon, hoe staat het dan met jullie?
Wanneer jullie op een dag, na deze tijd, na dit leven van vreugde
Daar, in die eeuwigheid, verantwoording moeten afleggen.

Maar zij geloven niet in God, noch in de hel, noch in de hemel,
religie is slechts hun spot, ze klampt zich vast aan het wereldgewoel.
Je begint steeds het loon naar beneden te drukken
en andere schurken staan klaar om je te volgen.

Fellmann volgt nu op zijn beurt, onbeschaamd worden zonder meer
ook bij hem de lonen tot ware schande verlaagd.
De gebroeders Hoferichter hier, wat kan ik van hen zeggen?
Hier zuigt men uit naar believen, op jacht naar rijkdom.

En als iemand nog de moed heeft om jullie de waarheid te vertellen
zal het bloed kosten, en hij zal aangeklaagd worden.
Mijnheer Kamlot, genaamd Langer, zal niet verzuimen er te zijn.
Iedereen weet het goed, hij wil niet veel loon betalen.

Voor jullie waren wordt een schijntje neergeteld
Wat jullie aan inkomen missen, is van armen gestolen.
Er zijn er nog die ontroerd zijn door de pijn van arme mensen
In wiens boezem nog steeds een hart vol sympathie klopt.

Zij moeten onder druk van de tijd ook op de rijdende trein springen
en zich, indachtig jullie voorbeeld, hun loon beperken.
Ik vraag: Wie weet goed, wie zag twintig jaar geleden
de overmoedige fabrikant rijden in staatskoetsen?

Zag men toen daar paleizen in de hoogte gebouwd worden
met deuren, ramen magnifiek breed, bijna vorstelijk om te zien.
Wie zou een leraar hebben ontmoet in het huis van een fabrikant
Met koetsiers en bedienden in livrei, gouvernantes?

Opmerkingen over “Er is een rechtbank hier in het dorp (Das Blutgericht)”:

Verspreid in Peterswaldau. In het proces-verbaal van de weversopstand van 1844 in de districten Reichenbach, Schweidnitz en Waldenburg staat:

Kähte Kollwitz, Die Weber

“Op de avond van 3 juni passeerden ongeveer 20 personen de gebouwen van de kooplieden Zwanziger en zongen een spotlied op genoemde kooplieden; dit veroorzaakte rumoer en de gerechtsdienaar Wagner arresteerde een deelnemer, de weversgezel Wilhelm Maeder, en bracht hem naar de politiegevangenis. Ook het gezongen gedicht werd in beslag genomen.”

(geciteerd uit: Wolfgang Steinitz: Volkslieder demokratischen Charakakters… ), rond 1918 nog bekend in het Eulengebirge.

Bron: Volksliederarchiv

Kähte Kollwitz, Ende

Nog vóór de opstand in 1844 verspreidde zich onder de Silezische wevers een protestlied met de titel “Das Blutgericht”. Oorsprong, auteur en jaar van ontstaan van het lied zijn echter onbekend. Het werd gezongen op de melodie van het volkslied “Es liegt ein Schloss in Österreich” uit 1549.

De Pruisische regering zag in het “Blutgericht” een middel tot agitatie tegen haar eigen macht en probeerde het lied vanaf het begin te onderdrukken. Het “Blutgericht” werd als het ware gezien als een bindend element tussen de wevers, die in hun ellende solidair waren en met hun lied de sociale en politieke omstandigheden bekritiseerden. Karl Marx maakte het Weverslied later tot een aanwijzing voor het revolutionaire karakter van de Weversopstand.

De tekst is gericht tegen de meedogenloze winstzucht van de fabrikanten die zich verrijkten aan de armoede van de wevers. Ook de regionaal bekende en invloedrijke textielondernemer Zwanziger (in de Hauptman-editie: Dreißiger) wordt bij naam genoemd. Daarnaast beschrijft het lied de ontberingen en kwellingen van de wevers. De sociale ongelijkheid wordt figuurlijk vergeleken met een rechtbank, vandaar de titel van het lied. Inhoudelijk is het “Blutgericht” te vergelijken met een manifest omdat het duidelijke politieke standpunten onder woorden brengt.

Hauptmann ontdekte de volledige gedrukte tekst van het lied in het artikel “Das Elend und der Aufruhr in Schlesien” van Friedrich Wilhelm Wolff, waarin het lied werd beschreven als de “Marseillaise van de Noodlijdenden”.

Bron: Das Weberlied. Herkunft und Inhalt

Karl Marx: Kritische kanttekeningen bij het artikel van ‘een Pruis’, deel 2

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s