Fasen in de ontwikkeling van het kapitalisme, een inleiding

De twee belangrijkste marxistische crisistheorieën die men als monocausaal kan betitelen, die van Rosa Luxemburg en die van Paul Mattick, vinden hun oorsprong in de strijd tussen stromingen in de arbeidersbeweging rond de Eerste Wereldoorlog, respectievelijk de Tweede Wereldoorlog. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat zowel Luxemburg als Mattick het verschijnsel wereldoorlog een plaats hebben gegeven in hun theorie.

 

Rosa Luxemburg in de strijd tegen het revisionisme

 In deel I haalt het artikel een citaat van Rosa Luxemburg aan uit Hervorming of revolutie?[1] Het is goed om ons te realiseren dat Luxemburg hierin het cyclische karakter van de kapitalistische crises verdedigt tegen Bernstein, die wilde aantonen “dat de kapitalistische ontwikkeling niet in de richting van een algemene Krach leidt. Hij verwerpt daarmee echter niet alleen een bepaalde vorm van de ondergang van het kapitalisme, maar deze ondergang zelf” (blz.45). Bernstein verwees met Krach naar de ‘grote Kladderadatsch’, het destijds in de Sociaaldemocratie algemeen gangbare beeld van een automatische instorting van het kapitalisme, automatisch gevolgd door de overgang naar het socialisme. Luxemburg wijst deze mechanistische opvatting uitdrukkelijk af: “de toename van de organisatiegraad en het klassenbewustzijn van het proletariaat, dat de actieve factor vormt van de komende omwenteling.”

 Bernstein had de vraag gesteld “… hoe komt het dan, dat we al twee decennia lang – sinds 1873 – geen algemene handelscrisis hebben gehad? (…) Nauwelijks had Bernstein in 1898 de crisistheorie van Marx bij het oud papier gezet, en er brak in het jaar 1900 een algemene heftige crisis uit, en zeven jaar later in 1907, een vernieuwde crisis die vanuit de Verenigde Staten over de wereldmarkt trok” (blz. 53). In het vervolg van het geciteerde gaat het Luxemburg duidelijk niet om de vraag of de crises zich herhalen in een cyclus van 10 jaar zoals Marx die beschreef: “Het schema van Marx over het ontstaan van de crises, zoals Engels het in de Anti-Düring en Marx in het eerste en derde deel van Het Kapitaal weergegeven heeft, beschrijft de crises die er tot nu toe geweest zijn alleen om hun innerlijk mechanisme bloot te leggen, of deze crises zich nu elke tien, elke vijf of afwisselend elke twintig en elke acht jaar herhalen” (blz. 54). Zij was er vooral er op gespitst is om aan te tonen in welke historische fase het kapitalisme zich op dat moment (1899) nog bevond: ”Als we naar de huidige economische toestand kijken moeten we in ieder geval toegeven dat we nog niet in die fase van volkomen kapitalistische rijpheid beland zijn, die in het schema van Marx over de periodiciteit van de crisis verondersteld werd. De wereldmarkt is altijd nog in opbouw. (blz. 55, door mij in vet gezet). Het gaat Rosa Luxemburg er dus om te bepalen in welke lange termijn fase het kapitalisme verkeert. Haar theoretische werk op dit vlak, dat N.B. uitging van een verondersteld foutje in deel II van Het Kapitaal,  is – los van de vraag of zij een monocausale verklaring gaf – van groot belang geweest voor het begrip van de linkerzijdes in de Sociaaldemocratie van de historische beperkingen aan het reformisme en de betekenis van het imperialisme.

 

Rosa Luxemburg: crisistheorie en fasen van het kapitalisme

Laten we eerst zien op welke punten Rosa Luxemburg aanknoopt bij Marx en Engels. In zijn voorwoord tot een van zijn economische teksten herhaalt Marx als volgt de kern van het historisch materialisme:

“Op een bepaalde trap van hun ontwikkeling raken de materiële productiekrachten van de maatschappij in tegenspraak met de bestaande productieverhoudingen, of, wat slechts een juridische uitdrukking voor hetzelfde is, met de eigendomsverhoudingen, waarin zij zich tot dusver hadden bewogen. Van vormen waarin de productiekrachten tot ontwikkeling kwamen, slaan deze verhoudingen om in ketenen daarvan. Dan breekt een tijdperk van sociale revolutie aan. Met de verandering van de economische grondslag wentelt zich — langzaam of snel — de gehele reusachtige bovenbouw om.” [2]  

De stand van de ontwikkeling van de productiekrachten is af te lezen in de formule voor de organische samenstelling van het kapitaal: c/v. De productieverhoudingen tussen loonarbeid en kapitaal komen naar voren in de uitbuitingsgraad of meerwaardegraad: m/v. Het omslagpunt waarop de kapitalistische productieverhoudingen van bevorderlijk voor de ontwikkeling van de productiekrachten, veranderen in ketenen daarvan, is te herkennen in de indicatoren van elke economische crisis, maar met name in de ontwikkeling op lange termijn van het kapitaal, namelijk het moment dat de progressieve periode van het kapitalisme, met hevige crisisverschijnselen omslaat in zijn periode van neergang. Zowel in de Duitse Ideologie als in het Communistisch Manifest benadrukken Marx en Engels het belang van de ontwikkeling van de wereldmarkt voor het bereiken van deze periode van neergang, een aspect dat uit methodische overwegingen vrijwel niet voorkomt in Het Kapitaal:

“De behoefte aan een steeds uitgebreider afzet van haar producten jaagt de bourgeoisie over de hele aardbol. Overal moet zij zich innestelen, overal haar huis bouwen, overal verbintenissen aanknopen.

De bourgeoisie heeft door haar exploitatie van de wereldmarkt de productie en consumptie van alle landen kosmopolitisch gemaakt. Zij heeft tot groot verdriet van de reactionairen aan de industrie de nationale bodem onder de voeten weggetrokken. De eeuwenoude nationale industrieën zijn vernietigd en worden nog dagelijks vernietigd. Zij worden verdrongen door nieuwe industrieën (…)

Waardoor overwint de bourgeoisie de crisissen? Aan de ene kant door de gedwongen vernietiging van een massa productiekrachten; aan de andere kant door de verovering van nieuwe markten, en de nog grondiger exploitatie van oude markten. Waardoor dus? Doordat zij alzijdiger en geweldiger crisissen voorbereidt en de middelen om de crisissen te voorkomen, vermindert.” [3]

In het partijprogramma van de Spartakusbund, midden in de Duitse Revolutie, verwijst Rosa Luxemburg naar een passage in het Communistisch Manifest dat we eerder hebben aangehaald: “Boven de ineenstortende muren van de kapitalistische maatschappij gloeien als een vurig menetekel de woorden van het Communistisch Manifest: Socialisme of ondergang in het barbarendom!”[4]

Nu is deze uitspraak nergens letterlijk terug te vinden in het Communistisch Manifest. Marx en Engels schrijven: “De maatschappij vindt zich plotseling teruggezet in een toestand van ogenblikkelijke barbaarsheid”, veroorzaakt door de periodieke handelscrises. Marx en Engels geven ook aan – zie boven – dat deze crises in de progressieve periode van het kapitalisme kunnen worden overwonnen door uitbreiding van het kapitalisme op wereldschaal. Rosa Luxemburg concludeert daaruit dat zodra de tegenstelling tussen productiekrachten en –verhoudingen er een op wereldschaal is geworden, deze tegenstelling onoplosbaar is geworden. De progressieve periode van het kapitalisme is dan voorbij en de periode van de sociale revolutie is aangebroken:

“De wereldoorlog heeft de maatschappij voor het alternatief geplaatst: ofwel voortduren van het kapitalisme, nieuwe oorlogen en spoedige ondergang in de chaos en anarchie of afschaffing van de kapitalistische uitbuiting.
Met het einde van de wereldoorlog heeft de burgerlijke klassenheerschappij haar bestaansrecht verspeeld. Ze is niet meer in staat de maatschappij uit de afschuwelijke economische ineenstorting te leiden die de imperialistische orgie heeft achtergelaten. (…)
Alleen de wereldrevolutie van het proletariaat kan in deze chaos orde scheppen (…).”
(Idem blz. 442/443).

Dit aspect van de ontwikkeling van het kapitaal op lange termijn en in wereldhistorisch perspectief komt in Het Kapitaal slechts naar voren wanneer Marx ingaat op de revolutie. Het Kapitaal analyseert de inherente tegenstellingen van het kapitalisme, en nauwelijks de wijze waarop deze tijdelijk overwonnen kunnen worden door de uitbreiding van de kapitalistische wereldmarkt:

“In de beschrijving van het zakelijk worden van de productieverhoudingen en hun verzelfstandiging tegenover de productie-agenten gaan we niet in op de wijze waarop de verbanden door de wereldmarkt, zijn conjuncturen, de beweging van de marktprijzen, de afwisseling van prosperiteit en crisis, hen als oppermachtige, hen willoos beheersende natuurwetten verschijnen en zich tegenover hen als blinde noodzaak opwerpen. Daarom niet omdat de werkelijke beweging van de concurrentie buiten onze opzet valt en wij van plan zijn slechts de interne organisatie van de kapitalistische productiewijze zogezegd in haar ideale doorsnede te schetsen.” [5] 

Luxemburg heeft daarentegen in 1913 in Die Akkumulation des Kapitals het imperialisme, de uitbreiding van het kapitalisme over niet-kapitalistische gebieden, juist centraal gesteld. daarom moest zij allereerst de theoretische vooronderstellingen van Het Kapitaal verduidelijken:

 “Wij hebben gezien dat Marx concludeert en bewust als theoretische vooronderstelling van zijn analyse in alle drie banden van Het Kapitaal uitgaat van de algemene heerschappij van de kapitalistische productiewijze die in zichzelf voldoende basis heeft (…). Deze vooronderstelling is een theoretische noodgreep – in werkelijkheid bestond en bestaat nergens een op zichzelf baserende kapitalistische maatschappij met exclusieve heerschappij van de kapitalistische productie.“ [6]

Rosa Luxemburg bekritiseert Marx’ abstractie van de wereldmarkt, waar deze een belemmering vormt voor, zo zegt ze in het voorwoord bij Die Akkumulation, de beschrijving van de objectieve historische beperking van de kapitalistische productie en de praktijk van de tegenwoordige imperialistische politiek en haar economische wortels, n.l. bij de weergave van de reproductie van het totaal-maatschappelijke kapitaal op hoger niveau in band II van Het Kapitaal. Ik laat deze ingewikkelde (en omstreden!) economische materie hier terzijde om me te richten op de belangrijkste sociale, politieke en historische aspecten van Luxemburgs imperialisme-theorie:

Op het moment dat Marx’ schema van de uitgebreide reproductie beantwoord aan de werkelijkheid, toont het de afloop, de historische grens van de kapitalistische accumulatie aan, dus het einde van de kapitalistische productie. (…) Daaruit volgt de tegenstrijdige beweging van de laatste, imperialistische fase als de slotperiode van de historische ontwikkelingsbaan van het kapitalisme.” (Idem blz. 364).

Rosa Luxemburg schrijft in 1913, één jaar voor het uitbreken van de Wereldoorlog: “… Daarmee is niet gezegd dat dit eindpunt pedant bereikt moet worden. Alleen al de tendens tot dit eindpunt van de kapitalistische ontwikkeling uit zich in vormen die de slotfase van het kapitalisme tot een periode van rampen maken.” (Idem blz. 392). Ze voorspelt niet een objectief einde van het kapitalisme zodat de arbeidersklasse met gekruiste armen zou kunnen afwachten. De rampen die het kapitaal met zich meebrengt zou”de rebellie van de internationale arbeidersklasse tegen de heerschappij van het kapitaal noodzakelijk maken, zelfs voordat zij economisch op haar natuurlijke zelfgeschapen grens is gestoten.” (Idem blz. 411). Vijf jaar later, nadat Eerste Wereldoorlog ongekende slachtingen had aangericht en terwijl Europa in puin lag, moet Rosa Luxemburg vaststellen dat de burgerlijke klassenheerschappij haar bestaansrecht heeft verspeeld[7].

De meerderheid van de KPD(S) die door de minderheid (!) uit de partij werd gestoten en die daarop de KAPD vormde, haalde in haar oprichtingsprogramma Rosa Luxemburgs uitspraak Socialisme of barbarendom aan en maakte uitdrukkelijk de Eerste Wereldoorlog tot grens tussen de progressieve periode en de periode van de sociale revolutie, waarvan Marx had gesproken: “Tegenwoordig betreft het niet een in een conjunctuurcyclus optredende economische crisis die eigen is aan de kapitalistische productiewijze. Het is de crisis van het kapitalisme zelf  die zich als een menetekel van de burgerlijke maatschappij aankondigt (…)” [8].

Ongeacht welke verklaring men aanhing voor het aanbreken van deze historische periode, die van de verzadiging van de markten of die van de daling van de winstvoet, in de Duitse en Hollandse Communistische Linkerzijde werd dit inzicht algemeen gedeeld.

Samenvattend, we hebben gezien hoe Rosa Luxemburg in de strijd tegen het revisionisme wijst op het belang van het uitbreiden van de wereldmarkt voor het voortzetten van de groeifase van het kapitalisme. Vervolgens heeft zij dit idee aangegrepen voor de uitwerking van een theorie van de accumulatie van het kapitaal en van het imperialisme om tot een beter begrip te komen van de fase van de sociale revolutie.

 

Paul Mattick in strijd tegen het stalinisme

Bij Paul Mattick zien we ook het gebruik van een argument in de strijd – binnen de communistische beweging tijdens beide Wereldoorlogen – namelijk de daling van de winstvoet. Hij zal de theorie van de winstvoet uitwerken in de analyse van de economische ontwikkeling in de periode van de Eerste Wereldoorlog, het Interbellum, de Tweede Wereldoorlog en de wederopbouw.

In een interview tijdens zijn laatste jaren geeft Mattick een terugblik op zijn veelbewogen leven. Als jongen nam hij deel aan de Januarirevolutie in Berlijn, als lid van de KAPD samen met Jan Appel actief in de bewegingen in het Duitse Roergebied in de jaren ’20, emigratie naar de Verenigde Staten, deelname aan de IWW in Chicago in de jaren ’30, uitgever van International Council Correspondence, later Living Marxism en bekend geworden door een economische kritiek op het Keynesiaanse, de economische politiek van de dertig ‘glorieuze jaren’ van 1945 tot 1975. In dat interview vertelt Mattick over zijn strijd in Chicago tegen de Proletarian Party die zich oriënteerde op de Communistische Internationale onder Stalin. Deze partij was aanhanger van de theorie van de onderconsumptie. Mattick stuitte op Grossmann’s boek Das Akkumulations- und Zusammenbruchsgesetz des kapitalistischen Systems, waarin tegenover de ‘luxemburgianen’ en ‘onderconsumptionisten’ een theorie van de tendentieel dalende winstvoet werd verdedigd, ontleend aan band III van Het Kapitaal. Daarvan zegt Mattick “En met Grossmanns hulp heb ik de Proletarian Party gesplitst, door deze leninistische onderconsumptietheorie met de theorie van de tendentieel dalende winstvoet stuk te slaan.”[9] Er zijn betere manieren om op een politiek heldere manier tot een splitsing te komen, maar goed, Mattick moest eerst de dominante leider van dit partijtje theoretisch onderuit halen om een deel van de leden los te weken uit zijn invloedssfeer. Mattick is zich daarna levenslang blijven vastbijten in de theorie van de daling van de winstvoet.

 

Paul Mattick over het Keynesianisme als economische politiek van de Koude Oorlog

In diverse artikelen, gebundeld tot Marx und Keynes maakt Mattick duidelijk in welke context Keynes zijn theorie heeft ontwikkeld. Rond 1900 werd een punt bereikt waarop de vernietiging van kapitaalwaarden door crisis en concurrentie niet meer voldoende was voor een economisch herstel. De conjunctuurcyclus veranderde in een cyclus van wereldoorlogen. Resultaat van de wereldoorlog was een heropleving en intensivering van de economische activiteiten. Het kapitaal kwam meer geconcentreerd en winstgevender uit de oorlog tevoorschijn, ondanks en ook vanwege de kapitaalvernietiging, die nu ook een vernietiging van materieel kapitaal was geworden.

De winstvoet m / (c+v) laat zien waarom. Wanneer op grote schaal machines, installaties en gebouwen (c) en arbeidskrachten (v) worden vernietigd, daalt het kapitaal in de noemer, en de winstvoet stijgt.

De voor het kapitaal zo heilzame uitwerkingen van de oorlogsindustrie werden later verklaard uit de expansie van de productie met door de staat gefinancierde ‘koopkracht’ in plaats van met uitbreiding van de vraag naar consumptie- en productiemiddelen op de markt zoals tot dan toe gebruikelijk was.

De tijdens de Eerste Wereldoorlog begonnen uitbreiding van de productie met behulp van staatsingrijpen bleek niet in staat tot een verdere kapitaalsexpansie onder de naoorlogse terugkeer tot het marktkapitalisme. Na 10 jaar matige prosperiteit stortte het marktkapitalisme opnieuw in; staatsingrijpen bleek noodzakelijk. Experimenten als de New Deal bewerkstelligden echter slechts een stabilisering van de depressie. Pas tijdens de Tweede Wereldoorlog werd ten volle gebruik gemaakt van de productieve mogelijkheden. De periode na de Tweede Wereldoorlog bleek goed voor een korte boom, maar in het begin van de 50er jaren ontstonden weer opnieuw werkloosheidsproblemen. Het staatsingrijpen door middel van Marshall-schenkingen aan het vernietigde Europa kon hier niet veel aan veranderen. Pas tijdens de Korea-oorlog vond een heropleving van de economie plaats. De toestand van de Amerikaanse economie bleek afhankelijk te zijn van de hoogte van de staatsuitgaven. Pas als ongeveer 50% van het nationaal inkomen door de staat werd besteed (en dat kwam alleen in oorlogstijden voor), werden de productieve mogelijkheden ten volle benut.

Matticks (niet onomstreden) analyse van de grenzen van het gemengde kapitalisme berust voornamelijk op de onderscheiding van de economie in een privékapitalistische winstgevende sector en een openbare niet-winstgevende sector.[10] Hij baseert deze onderscheiding op de overweging dat de door de staat aangezwengeld productie niet concurrerend mag zijn, als zij tot doel heeft de markteconomie in stand te houden. Daarom is de staat geïnteresseerd in openbare werken en in aanbestedingen van allerlei soort. Het onderscheid ligt dus in de wijze waarop de meerwaarde gerealiseerd wordt. De privésector realiseert zijn winsten door transacties op de markt. De openbare sector daarentegen opereert onafhankelijk van de markt. De openbare sector is volgens Mattick niet winstgevend. Weliswaar bestaan de staatsuitgaven voor een groot deel uit opdrachten van kapitalistische ondernemingen, maar door de wijze waarop de staat zijn inkomsten financiert, komt Mattick ertoe de winsten uit staatsopdrachten schijnwinsten te noemen. De staat financiert zijn uitgaven uit drie inkomstenbronnen: uit belastingen, uit leningen en uit begrotingstekorten.

Financiering van de openbare sector uit belastingen komt volgens Mattick alleen neer op het overdragen van geld van de ene sector naar de andere, wat de aard van de productie kan veranderen, maar niet haar volume. Financiering uit leningen en tekorten op de betalingsbalans daarentegen is wel in staat de productie uit te breiden, ten koste van de groei van de staatsschuld en dat betekent inflatie. Deze vergroting van de productie betekent volgens Mattick alleen een fictieve en puur rekenkundige accumulatie. De ‘winsten’ die zo behaald worden, bestaan uit vorderingen aan de staat die bekostigd zullen moeten worden uit toekomstige staatsinkomsten uit de private winstgevende sector. Daartoe zal echter de productie uitgebreid moeten worden met behulp van staatssteun. De openbare sector groeit zo voortdurend ten opzichte van de privékapitalistische sector totdat er een punt bereikt is waarop hij de openbare sector niet meer kan trekken. Dit betekent in het kort het door Mattick voorspelde einde van de keynesiaanse economische politiek.

Matticks zoon publiceerde een veel gelezen bundeling van artikelen uit de Brooklyn Rail waarin hij met de feiten van de credietcrisis van 2008 de theorie van Mattick sr. bevestigde. [11]

 

Conclusie

Het is bij analyse van de crisisverschijnselen van het kapitalisme noodzakelijk om een onderscheid te maken naar de verschillende periodiciteit daarvan, hier gerangschikt van lang naar kort:

  • Het scharnierpunt tussen de progressieve, opgaande fase van het kapitalisme en de neergaande fase waarin het kapitalisme een rem vormt op de ontwikkeling van de porductiekrachten, en die dus tevens een fase is waarin zich de de noodzaak stelt van de sociale revolutie.
  • Diverse kortere periodes binnen zowel de progressieve als binnen neergaande fase van het kapitalisme, “…waarin telkens belangrijke bepalende factoren in een globale logica naar voren komen en die spelen in een gegeven tijdsbestek: het wilde kapitalisme, het Victoriaanse kapitalisme, het koloniale kapitalisme, enz. In de twintigste eeuw lopen na de dertig rampzalige jaren (1914-1945) en de dertig glorieuze jaren (1945-1975), nu de dertig zielige jaren van het neoliberalisme (1982-2016)” (Een marxistische analyse van de komende crisis deel II).
  • De handels- of conjunctuurcrises.

Een juist begrip van de crisisverschijnselen en van de economische politiek vraagt telkens om zowel het naar voren halen van het algemene als het unieke daarvan, en dus ook de plaatsing in de ruimere historische context.

Fredo Corvo 11-4-2016

 

Alle vragen zijn welkom op FredoCorvo@gmail.com of als Reactie op deze pagina, alwaar je ook kritische opmerkingen kan posten.

[1] Rosa Luxemburg Hervorming of revolutie? Amsterdam 2006. Zie ook Sozialreform oder Revolution of https://www.marxists.org/deutsch/archiv/luxemburg/1899/sozrefrev/kap1-2.htm.

[2] Marx “Voorwoord tot de bijdrage tot de politieke economie”: https://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1859/1859voorwoordbijdrage.htm

[3] https://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1848/manifest/manif1.htm.

[4] Luxemburg, R. Gesammelte Werke Band 4, Berlin 1974, blz. 443.

[5] Het Kapitaal band III, vertaald uit MEW Bd. 25, S. 839, einde hfdst. 48.

[6] Luxemburg, R. Gesammelte Werke Band 5, Berlin 1975, blz. 297.

[7] Luxemburg, R. Gesammelte Werke Band 4, Berlin 1974, blz. 443.

[8] Programma van de “Kommunistische Arbeiter-Partei Deutschlands” (KAPD) mei 1920.

[9] Die Revolution war für mich ein grosses Abenteur. isbn 978-3-89771-520-2, blz. 61 en 63.

[10] Mattick, P. Marx und Keynes, Räteverlag, 1973, blz.162/3.

[11] Mattick, P. Business as usual. Krise und Scheitern des Kapitalismus, Hamburg 2012. ISBN 978-3-86438-072-3.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s