Wat de arbeidersklasse is en wat ze kan zijn

Wat zijn arbeiders? Arbeiders zijn leden van de arbeidersklasse. De termen arbeider en klasse klinken hopeloos ouderwets. Dat geldt zeker voor de term proletariaat die hetzelfde betekent als arbeiderklasse. Arbeidersklasse is inderdaad een historisch begrip. Voor een omschrijving van dit historische begrip is het zinvol om een onderscheid te maken tussen de arbeidersklasse op zichzelf en de arbeidersklasse voor zichzelf.

De arbeidersklasse op zichzelf is op de eerste plaats een objectief gegeven, los van de ideeën die arbeiders van zichzelf hebben, van hun plaats in de maatschappij en van hun relatie tot andere klassen of de staat. Deze ideeën komen wel kort aan de orde bij de ideologieën en bij de ontwikkeling van het arbeidersbewustzijn wanneer de arbeidersklasse voor zichzelf opkomt.

Loonarbeid en kapitaal

Vanaf de 16de eeuw ontstonden buiten de steden in o.a. de Nederlanden manufacturen, met name in de lakenproductie, waar loonarbeid regel was. Door de loonarbeid ontwikkelden zich binnen de bestaande grotendeels feodale en ambachtelijke samenleving nieuwe verhoudingen, productieverhoudingen tussen mensen waarin de markt en het spel van vraag en aanbod een beslissende rol speelden. Van deze verhoudingen tussen een klasse van loonarbeiders en een klasse van industriële ondernemers, geven we enkele kenmerken die nog steeds ten grondslag liggen aan het huidige arbeidsrecht:

  • de arbeider stelt zich in ruil voor een loonbedrag gedurende bepaalde arbeidstijd ter beschikking van de ‘werkgever’;
  • de ‘werkgever’ krijgt de zeggenschap over de arbeid die de ‘werknemer’ in arbeidstijd verricht, d.w.z. hij mag dwingende aanwijzingen geven die de werknemer moet opvolgen;
  • de werkgever beschikt over de volledige resultaten van de arbeid die hij in loondienst laat verrichten, dus over het produkt of de dienst en de opbrengst daarvan in geld;
  • over de hoogte van het loonbedrag en de lengte van de arbeidsdag kunnen arbeiders en ondernemers vrij onderhandelen.

De bepaling van loon en arbeidstijd en andere arbeidsvoorwaarden, stelt de arbeiders voor het vraagstuk van de vereniging tot een eenheid die in staat is zich te verzetten tegen het streven van de ondernemers om de loonkosten steeds verder te verlagen. Het kapitaal zorgt onder andere door de vorming van een industrieel reserveleger (nu vooral bestaande uit migranten) voor een druk op de lonen. Dit stelt de arbeiders voor de uitdaging om zich in de strijd te verenigen met deze nieuwe lagen van hun klasse.

In plaats van een statische definitie

Arbeiders zijn dus die delen van de bevolking die bij gebrek aan kapitaal of productiemiddelen voor hun bestaan afhankelijk zijn van loonarbeid. Degenen die geen werk vinden of die door hun leeftijd of b.v. ziekte niet kunnen werken, zijn ook arbeiders. 

Bij een historisch en dynamisch begrip als dat van de arbeidersklasse, is het moeilijk om een eenduidige grens te trekken waarmee bepaald zou kunnen worden wie wel en wie niet tot de arbeidersklasse behoort. We bespreken hier enkele grensgevallen. 

Sinds het kapitaal belastingen en premieheffingen in toenemende mate ontwijkt door arbeiders in loondienst te vervangen door free-lancers of ZZP-ers, beschouwen we deze ook als arbeiders, ook al ontvangen ze geen loon in de strikte zin van de arbeidswetgeving. Anderzijds, niet iedereen in loondienst behoort daarmee tot de arbeidersklasse. Degenen die de wetmatigheden van het kapitaal helpen voltrekken zijn geen arbeiders. Directeuren-eigenaars van bedrijven met werknemers zijn meestal zelf ook in loondienst maar het zijn geen arbeiders. Topmanagers die in bedrijven de wetmatigheden van het kapitaal helpen voltrekken en topfunctionarissen van de staat en het repressieapparaat zijn ook geen arbeiders, ook al krijgen ze een salaris uitbetaald en bezitten ze geen kapitaal. Het bezit van aandelen omdat ze een gokje wagen op de beurs, maakt niet dat arbeiders kapitalisten genoemd kunnen worden. Ook niet als ze verplicht of vrijwillig aangesloten zijn bij een beleggingsfonds of pensioenfonds dat aandelen in het kapitaal bezit.

Vervreemding

In loonarbeid treedt een aantal vormen van ontmenselijking van de arbeider op die men vervreemding noemt. De overdracht van zeggenschap over zijn arbeid aan de ondernemer, brengt op zich al een scheiding van hoofd- en handarbeid met zich mee. Deze scheiding wordt door de kapitalistische ontwikkeling uiteindelijk zo ver doorgedreven dat de handarbeid teruggebracht wordt tot enkele simpele en gemakkelijk door het kapitaal te controleren handelingen. Deze ongeschoolde arbeid wordt vervolgens gemechaniseerd, geautomatiseerd en gerobotiseerd zodra dat de individuele ondernemer een besparing op de arbeidskosten oplevert. Aan de andere kant kan de ondernemer niet in eigen persoon alle van de handarbeid afgesplitste hoofdarbeid uitvoeren. Dit heeft geleid tot het ontstaan van allerlei soorten hoofdarbeid in loondienst binnen en naast de hiërarchie van functies binnen het bedrijf, zoals afdelingsbazen en ingenieurs. Ook binnen de hoofdarbeid leidt verdergaande arbeidsdeling tot versimpeling van de arbeid, mechanisering, automatisering en robotisering. Naarmate de voor een bepaalde arbeid vereiste scholing en opleiding langduriger is, zijn de loonkosten ook hoger. Het kapitaal is in wezen internationaal en zoekt voor het doen uitvoeren van elke arbeid landen op waar de gewenste arbeidskwalificaties tegen de laagste kosten beschikbaar zijn. Daarmee is de arbeidersklasse in wezen een internationale klasse.

De kapitalistische ontwikkelingen van de arbeidsdeling op basis van de loonarbeid deed zich het eerst voor in de industrie, maar later ook in de dienstverlening. Voor de arbeiders betekent het dat de individuele arbeid wordt ervaren als iets wat gedeeltelijk buiten henzelf als menselijk persoon gebeurt, waarvan zij de totale samenhang met de arbeid van andere arbeiders niet kunnen overzien, laat staan beheersen. De arbeiders hebben evenmin inzicht in, en al helemaal geen greep op het resultaat van hun arbeid in de vorm van een product of dienst en de consumptie daarvan voor menselijk gebruik en daarmee de voorziening in menselijke behoeften. Tegenover de arbeiders staan de machines, installaties en andere kapitaalsinvesteringen als een vreemde hen beheersende macht, nauwelijks herkenbaar als voortgebracht in de uitbuiting van loonarbeid. De vervreemding van de arbeid komt treffend naar voren in de tegenstelling tussen arbeidstijd en ‘vrije’ tijd en meer in het algemeen tussen productie en consumptie, tussen winststreven en maatschappelijke behoeftenbevrediging.

Door de vervreemding zijn de arbeiders beperkt in hun ontwikkeling als mens.Tegelijkertijd zijn in de vervreemding alle schijnbaar onoplosbare tegenstellingen van de kapitalistische maatschappij in hun kern aanwezig. Dit geeft aan dat de arbeidersklasse objectief gezien de sleutel is voor het oplossen van deze tegenstellingen. We komen hierop terug wanneer we de arbeidersklasse voor zich bespreken.

Het kapitaal

Op basis van de loonarbeid heeft het kapitaal zich tot een enorme onpersoonlijke macht ontwikkeld. Met schijnbaar objectieve en noodzakelijke wetmatigheden dringen deze economische wetmatigheden van het kapitaal zich op aan de arbeiders en de maatschappij als geheel, inclusief de ondernemers en managers die deze wetmatigheden voltrekken. Met name in de economische crisis verschijnt de allesvernietigende kracht van het kapitaal en daarmee ook de historische noodzaak van het omwentelen van de maatschappelijke verhoudingen tussen mensen die de kapitalistische maatschappij uitmaken.

Twee economische wetmatigheden die tot crisis leiden

Voor het kapitaal is uiteindelijk winststreven absoluut noodzakelijk om te kunnen voortbestaan. De winst komt voort uit de loonarbeid die maakt dat de arbeiders meer aan waarde produceren dan dat zij in loon uitbetaald krijgen en dus kunnen consumeren. Hieruit volgen twee met elkaar samenhangende wetmatigheden die uiteindelijk tot zware economische crisissen leiden:

  • Individuele kapitalen passen mechanisering, automatisering en robotisering toe om te besparen op de inzet van arbeid in het productieproces. Op den duur leidt dat tot een toename van de investeringen in machines e.d ten koste van de investeringen in arbeid, terwijl de meerwaarde ten opzichte van de totale investeringen afneemt. Dat verschijnt onvermijdelijk als een dalende winstvoet.
  • Het kapitalisme kan niet voldoende afzetmogelijkheden vinden bij zijn eigen arbeiders of kapitalistenklasse. Aanvankelijk  wordt dit probleem opgelost met het veroveren van steeds meer voorkapitalistische markten en met het produceren van productiemiddelen (machines e.d.) die uiteindelijk weer moeilijk afzetbare  consumptiegoederen produceren. Begin van de 20ste eeuw zaten de kapitalische landen elkaar  steeds meer in de weg tijdens de imperialistische verovering van de wereld en ontbrandde een interimperialistische oorlog, de Eerste Wereldoorlog. Sindsdien worden op enorme schaal vernietigingsmiddelen (wapens) geproduceerd in plaats van productiemiddelen en consumptiegoederen. 

Beide economische wetmatigheden gaan elk in op een ander aspect van de crisis. Beide zien echter als diepere oorzaak van de crisis het voortbestaan van loonarbeid in een periode dat deze historisch achterhaald is.

Arbeiders in de kapitalistische maatschappij

Nadat het kapitaal steeds meer economische macht veroverde op de landadel en de stedelijke ambachtslieden, kon het in de burgerlijke revoluties ook de politieke staatsmacht veroveren. Vanaf dat moment kon het kapitaal zijn economie en de burgerlijke maatschappijvorm ruim baan geven. Kapitaal en arbeid vormen de belangrijkste klassen in de burgerlijke maatschappij. Om de arbeidersklasse in economisch, sociaal en politiek opzicht te overheersen zet het kapitaal de staat en zijn burgerlijke ideologie in.

De staat heeft als functie om de strijd tussen de klassen binnen de perken van de heersende maatschappijvorm te houden. Dat maakt de staat niet tot een neutrale instantie, ook al wekt de staat die indruk, maar juist tot het instrument waarmee de heersende klasse haar dictatuur over de overige klassen uitoefent. Dat geldt ook voor de burgerlijke staat, hoe democratisch en humaan hij zich ook voordoet, het is de staat van de burgerlijke klasse, van het kapitaal. De burgerlijke staatsmacht is een des te effectiever instrument voor het handhaven van de macht van het kapitaal, hoe meer in de arbeidersklasse illusies bestaan over de parlementaire democratie. Ook andere burgerlijke ideologieën helpen de arbeidersklasse te onderdrukken, met name als zij leiden tot een verdeling van de arbeidersklasse naar land, ‘volk’, beroepen en bedrijfstakken, religie, cultuur, geslacht, enz.

De arbeiders als revolutionaire klasse

In de burgerlijke revoluties vanaf de 17de eeuw speelden arbeiders een steeds belangrijkere rol. Daarbij gingen zij soms ook verder dan het behartigen van de belangen van het kapitaal en streden zij voor een eigen perspectief. Dat geldt met name voor de Europese revoluties van 1848 en de Parijse Commune van 1871.

Dat roept de vraag op welke de perspectieven zijn van een proletarische revolutie. De proletarische revolutie heeft volgende specifieke kenmerken:

  • zij kan alleen slagen als wereldwijde revolutie;
  • zij kan de burgerlijke staat niet veroveren maar slechts vernietigen;
  • zij leidt tot een dictatuur van proletariaat over de overige klassen, uitgeoefend door de arbeidersraden;
  • deze dictatuur is de meest democratische in de menselijke geschiedenis door het stelsel van algemene arbeidersvergaderingen die hun vertegenwoordigers  in de raden direct kiezen en naar wens onmiddellijk vervangen;
  • omdat de arbeidersklasse de eerste revolutionaire klasse is die geen uitbuitersklasse is en die zich op geen enkele economische macht kan baseren, maar juist een uitgebuite klasse is, is het doel van de proletarische revolutie het afschaffen van elke uitbuiting, van de vervreemding, van de loonarbeid en dus ook van het kapitaal.

Om zichzelf te bevrijden zijn de arbeiders na het vestigen van hun macht van de arbeidersraden genoodzaakt om de gehele maatschappij ingrijpend te veranderen van een schaarste-economie van vrije en gelijke producenten naar het volgroeide communisme waarin ieder ‘geeft naar vermogen en neemt naar behoefte’ en de arbeid, bevrijd van de ketenen van het winstprincipe en de schaarste, een middel tot menselijke zelfontplooiing is.

– Naschrift –

Bovenstaande tekst is allerminst volledig. Allerlei aanverwante onderwerpen zijn noodgedwongen slechts kort of niet behandeld.
Vragen, kanttekeningen, feedback en kritiek zijn welkom,
mail FredoCorvo@gmail.com.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s