BREXIT – een nieuw synoniem voor de crisis

 

Waar zijn de Britten mee bezig? Op 23 juni zullen ze in een referendum stemmen over de vraag of ze in de Europese Unie moeten blijven, waartoe zij sinds 1973 hebben behoord. Het komt zelden voor dat een huwelijk van meer dan veertig jaar ten einde komt, in het bijzonder door de beslissing van de partner die tweemaal een aanzoek moest doen. Natuurlijk, dit zijn relaties tussen landen, niet tussen mensen. Toch zal de Britse-Europese relatie er door worden beïnvloed, zelfs als de Britten “Blijf” stemmen in plaats van “Ga”, net alsof een van beide partners zou besluiten om voortaan in een aparte ruimte in hetzelfde huis te slapen. Om het besluit van de Britten nader te onderzoeken, bespreekt dit artikel een aantal belangrijke gebeurtenissen in de historische relatie en de ongebruikelijke positie van Groot-Britannië (GB) als Europese macht.norfield-large-web1

Veel schrijvers in GB hebben het besluit van het Britse premier David Cameron om een ​​referendum te houden over het EU-lidmaatschap beschouwd als zijn manier van omgaan met dissidenten in zijn Conservatieve Partij. Immers, het advies van de wereld van de Big Business, dat alle grote partijen in GB volgen, is grotendeels in het voordeel van de status quo, zelfs als veel conservatieven een hekel hebben aan de EU. Referenda over welk onderwerp dan ook, laat staan ​​over een belangrijke vraag van buitenlands beleid, worden ook zelden gehouden in GB. Meestal neemt het parlement de beslissingen en dit is ook een handige aanpak voor de heersende groepen. Het besluitvormende deel van het Parlement is gekozen door het publiek (het Lagerhuis), maar de gekozen kandidaten zijn bijna allemaal bepaald door de regerende partijen, die op hun beurt worden beïnvloed door de gevestigde belangengroepen en door lobbies van ondernemingen. Daarnaast is er het gemeenschappelijk kenmerk van de moderne democratie: in de algemene verkiezingen van 2015, werd de regerende Conservatieve Partij door amper een kwart van het volledige electoraat gekozen – slechts 37% van de 66% van de stemgerechtigden die hun stem uitbrachten.

Een referendum over het EU-lidmaatschap van Groot-Brittannië heeft het voordeel dat het een stemming is onder de bevolking[1]. Maar de reden waarom een ​​mogelijke Britse exit uit de Europese Unie is uitgegroeid tot een referendum, en niet wordt bepaald door de Moeder van alle Parlementen, is dat er een voldoende grote, hoewel nog steeds in de minderheid, dissidente mening heerst onder Britse elites die een voortgezet EU-lidmaatschap beschouwt als een slecht idee. Dus zal de beslissing worden geleid door de collectieve “wijsheid” van de massa – die op haar beurt wordt geleid door de vleierijen van de rivaliserende “Stay” of “Leave”-fracties. Elk van deze facties bevat, ironisch genoeg, zowel aanhangers van vakbondsrechten en voorstanders van ongebreidelde uitbuiting door de ondernemers.

Een belangrijke kwestie die in het referendum op het spel staat, is de positie van Europa in een door crisis geteisterde wereld. Het verliezen van GB, de tweede grootste economie van de EU  (goed voor 16% van haar Bruto Binnenlands Product) zou een klap zijn voor al lang bestaande Europese plannen om een ​​blok te vormen dat met de VS en anderen zou kunnen concurreren. Het zou een probleem toevoegen aan de vele zelf gegenereerde problemen van het Europese kapitalisme en het kan ook anderen aanmoedigen om richting uitgang te gaan, nadat GB een precedent zou hebben gegeven. Luitenant-Generaal Ben Hodges, hoofd van het Amerikaanse leger in Europa, heeft zelfs gezegd dat hij zich zorgen maakt over een mogelijk risico voor de NAVO: de EU kan beginnen af te takelen net op het moment dat het nodig is om “stand te houden tegen Rusland.” Maar mijn focus in dit artikel ligt op de grondgedachte achter de Britse stemming en dat komt neer op de vraag of het in het belang van het Verenigd Koninkrijk is om zijn huidige relatie met andere Europese landen te handhaven. Niemand zal suggereren dat op een “Leave”-uitkomst van de stemming er een ineenstorting van UK-EU handel en investeringen zou plaatsvinden. Deze zijn te uitgebreid om een ommekeer toe te staan. Maar niettemin is er een vraag waar de betere vooruitzichten liggen, in het EU-systeem of daarbuiten. Ik zal beoordelen hoe de Britse stem uit zou kunnen pakken, door eerst een historisch overzicht te geven van de Britse-Europese relaties.

 

Geschiedenis van de Britse-Europese relaties

 

Van de vertaler: In plaats van de uitgebreide historische analyse volledig weer te geven, volgt hier een samenvatting. Zie voor de volledige engelstalige tekst http://www.brooklynrail.org/2016/04/field-notes/brexit-a-new-crisis-acronym

Onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog was Churchill een voorstander van een verenigd Europa zonder deelname van GB, omdat hij sociale en politieke chaos op het Continent vreesde. GB oriënteerde zich op het herstel van  economische banden met zijn voormalige koloniën in de Commonwealth. Naarmate echter het politieke en economische belang van het Gemenebest afnam en dat van de  Europese Economische Gemeenschap (EEG) groeide, kregen de Britse kapitalisten meer en meer belangstelling om zaken te doen met het vasteland. Met name Frankrijk onder De Gaulle was beducht dat via GB de Verenigde Staten haar Europese project zou saboteren. Onder zowel Conservatieve als Labour-regeringen zocht GB toenadering. In de jaren ’70 was de economische en begrotingssituatie van de EEG-landen veel gunstiger dan die van GB. Hoewel met name de werkgevers zich ongerust maakten over het verlies aan politieke zeggenschap op langere termijn, gaven de economische voordelen op korte termijn de doorslag voor een verdere integratie van GB in het Europese project. Bij het tekenen in1992 van het Verdrag van Maastricht wist de Conservatieve regering van GB uitzondering te verkrijgen op EU-regels ten aanzien van sociale wetgeving en werkgelegenheid, later nog eens bevestigd door de Labour-regering van Tony Ben. Maar vooral werd vastgesteld dat GB niet verplicht was toe te treden tot de toekomstige Euro. Als tegenprestatie verklaarde GB zich akkoord met met Duitsland dat de EU Kroatië zou erkennen als politieke entiteit. Deze erkenning van een Duits politiek belang verergerde het conflict tussen Kroaten en Serviërs in het voormalige Joegoslavië. De daaropvolgende Joegoslavische burgeroorlog herinnert ons er aan dat de kosten van deals tussen grootmachten vaak worden betaald door anderen.

Een keerpunt kwam toen de Conservatieve regering in 1990 besloot zich om opportunistische redenen bij het Europese wisselkoersmechanisme (ERM) aan te sluiten. Het doel van de Britse regering was om de ERM te gebruiken om de waarde van het Britse pond te stabiliseren, en tegelijkertijd de binnenlandse rente te verlagen om de Britse economie te stimuleren. In minder dan twee jaar oefende een relatief zwakke Britse economie een neerwaartse druk uit op de waarde van het Pond Sterling in de ERM. De Duitse Mark ging daarentegen omhoog in de ERM onder invloed van de sterk groeiende Duitsland economie, die nog steeds werd opgevoerd door de hereniging van het westen en oosten van het land in 1990. De Britse regering moest uiteindelijk de rente verhogen en miljarden uit de Britse deviezenreserves gebruiken om een daling onder de ERM-limiet te voorkomen. De Sterling verliet de ERM in september 1992 en zakte in waarde, en de Britse rente kon weer omlaag. Niet lang daarna herstelde de Britse economie zich net als de waarde van het Pond Sterling. De politieke les was geleerd: Groot-Brittannië was beter af buiten een systeem gedomineerd door andere Europese landen. Deze gebeurtenissen temperden het enthousiasme van de pro-EU elites, en stimuleerden degenen die “eurosceptici” werden genoemd. Deze term omvat nu niet alleen hen die tegen een mogelijk lidmaatschap van de Euro zijn, die werd geïntroduceerd in 1999, maar ook hen die om meer fundamentele redenen tegen het Britse lidmaatschap van de de EU zijn. Niet langer bestaat deze laatste groep alleen uit degenen die terugverlangen naar het Britse Empire maar vooral uit de fracties van de bourgeoisie die menen dat ‘Europa’ niet zo’n goede economisch-politieke alliantie is voor het Britse kapitalisme.

— einde samenvatting door de vertaler van het overzicht Brits-Europese relaties  —

 

Beslissen om een ​​beslissing te vermijden

 

Tegen het midden van de jaren 1990, begonnen de Britse beleidsmakers te beseffen dat zij nog grotere problemen zou kunnen hebben met een door de EU in 1957 in het Verdrag van Rome gedane belofte, namelijk de doelstelling om een steeds hechtere unie te bereiken. De Britse regeringsstrategie was om deze “hechtere unie” die haar vrijheid van manoeuvre zou beperken, te vermijden. In de beginperiode van het Britse lidmaatschap van de EEG, leek dat geen groot probleem te zijn. Dergelijke politieke dromen komen meestal niet uit. Maar het werd wel degelijk een probleem in de nasleep van het Verdrag van Maastricht en de eenwording van West- en Oost-Duitsland. Dat was de reden waarom de Britse regering hard werkte om uitzonderingsposities in het Verdrag van Maastricht te krijgen. Maar er waren ook strategische problemen op langere termijn.

Als de grote continentale Europese landen zich zouden “verenigen”, zou dat  waarschijnlijk betekenen dat Duitsland de belangrijkste macht en beslissende kracht zou worden. Dat zou waarschijnlijk nog steeds het geval zijn als GB zou toetreden tot het Eurosysteem, aangezien het vermogen om een ​​tegenwicht te vormen in een alliantie met Frankrijk, of met andere landen, verre van zeker was, gezien de vele onderlinge rivaliteiten. Maar als GB niet zou toetreden tot het Eurosysteem, dan zouden de Euro-landen zich misschien nog meer zelfstandig ontwikkelen en de Britse belangen in handel en financiën uitdagen.

In een dergelijk dilemma schoot de klassieke Britse compromisdiplomatie te hulp onder de Labour-regering van 1997 – 2010. Er zou geen regelrechte afwijzing van de Euro komen, die de positie van GB als zijnde buiten het Europese project zou hebben gefixeerd. In plaats daarvan zou er een voorwaardelijke overeenkomst komen om zich aan te sluiten op een onbepaald moment in de toekomst. Dit werd door de Labour-regering samengevat in de “vijf economische testen” op de vraag of de toetreding tot de Euro in het belang van Groot-Brittannië zou zijn. Deze tests werden gesteld als een objectieve, neutrale beoordeling van de mogelijke economische kosten en baten, die na verloop van tijd kunnen veranderen en kunnen leiden tot een besluit zich bij het Eurosysteem aan te sluiten. Toch lieten ze voldoende ruimte voor een politiek oordeel, en het was duidelijk dat de fundamentele politieke beslissing “No” was.

 

 

Europese problemen in een wijdere wereld

 

De verplichtingen voor het lidmaatschap van de EU en van de Euro zijn verschillend, maar verwant. De EU is het totaal van achtentwintig landen, waarbinnen negentien landen lid zijn van het Euro-systeem. Van een pool van economische en politieke aantrekkingskracht tot aan de jaren 1990 – Oostenrijk, Zweden en Finland traden toe in 1995 – zijn er tegenwoordig maar weinig rijke landen die in de rij staan om lid te worden van de E.U. Dit is niet omdat de lijst van rijke landen in de regio is opgebruikt; Zwitserland en Noorwegen zijn nog steeds beschikbaar. Het is omdat alleen armere landen, zoals Turkije, Albanië en Servië, strategische politieke voordelen in het EU-lidmaatschap zien en ook gelden uit de ontwikkelingsprogramma’s van de EU. De rijkere Europese landen die geen EU-leden zijn willen een zekere mate van onafhankelijkheid in hun beleidsvorming behouden. Als ze nu ervoor zouden kiezen om tot de EU toe te treden zou dat betekenen dat ze zich op den duur bij het Euro-systeem zouden moeten aansluiten. Gezien de recente rampzalige economische geschiedenis, zou een dergelijk besluit net zo veel zin hebben als met je ogen dicht een zes-baans snelweg oversteken.

Economische problemen – stagnerende groei en hoge werkloosheid – hebben het anti-E.U. sentiment in vele landen versterkt. Dit heeft geleid tot meer steun voor nieuwe politieke partijen, zoals de Britse Independence Party, en langer bestaande partijen, zoals het Front National in Frankrijk. Om zich aan te passen aan deze nieuwe uitdagingen, zijn de gevestigde partijen in veel landen ook meer nationalistisch en anti-immigratie geworden. Een van de belangrijkste verkiezingsbeloften van Labour in de 2015-verkiezingen was meer ”controles op de immigratie.” In de armere landen, zijn anti-EU standpunten vaak de weerspiegeling van populaire frustratie over wat eens leek de hoop te zijn op een betere toekomst in de rijke mannen-club, een droom die werd verstoord door de economische crisis. De vluchtelingencrisis, met vele honderdduizenden mensen die proberen aan onrust in het Midden-Oosten, Noord-Azië en Afrika te ontsnappen, heeft bijgedragen aan de nationalistische stemming in Europa, vooral in die landen die rechtstreeks erdoor worden beïnvloed, zoals Griekenland en Hongarije.

Het is dit soort vooruitzicht voor Europa dat de Britse beleidsmakers in de afgelopen jaren ertoe heeft gebracht om hun aandacht op iets anders te leggen. Dit opent een meer niet-EU perspectief. Van bijzondere aandacht voor het Britse belang is China geweest. In het begin van 2015 was GB de eerste westerse machten die besloot zich bij de door China geleide Investeringsbank  voor Aziatische Infrastructuur aan te sluiten. Deze stap irriteerde de Amerikaanse regering, maar bracht een aantal andere Amerikaanse bondgenoten, van Europa tot Australië en Zuid-Korea, er toe om hetzelfde te doen. Groot-Brittannië heeft ook grote inspanningen gedaan om Chinese financiële instellingen aan te trekken en zo een stimulans te geven aan de effectenhandel van de Londense City. dat hield ook in dat het makkelijker werd gemaakt om Chinese banken te vestigen in Londen en in oktober 2014 de uitgifte mogelijk te maken van de eerste door een buitenlandse overheid gestelde staatsobligaties (uitgegeven in de Chinese munt Yuan). Daarnaast neemt Groot-Brittannië een voorhoedepositie in bij het aantrekken van binnenlandse Chinese directe investeringen en ook het opbouwen van  zaken in moslimlanden met ”sharia”-financiering. Zo laat GB verder zien dat het interessante perspectieven heeft buiten een stagnerende Europa.

 

 

De Britse’s Brexit stemming

 

Opiniepeilingen in GB worden behoedzaam geïnterpreteerd omdat ze de uitkomst van de Britse algemene verkiezingen van mei 2015 slecht hebben voorspeld. De meeste opiniepeilingen toonden een nek-aan-nek race tussen de Conservatieven en Labour, dat de kans leek te hebben om een soort van coalitieregering te vormen met de kleinere liberale partij of de Schotse nationalisten. Hoe dan ook, de Conservatieven wonnen een meerderheid. Volgens recente Britse opiniepeilingen over het Brexit-referendum ontlopen beide kampen elkaar nauwelijks, maar met de optie “Stay” meestal in de hoofdrol. Dan is het interessant om te zien dat bij weddenschappen waarbij daadwerkelijk geld wordt ingezet op het resultaat, in plaats van te reageren op een telefonische of online enquête, de kans dat de UK in de EU blijft, onlangs is geschat op ongeveer 70%, al is dit onderhevig aan variatie.

De meerderheid van de zakenwereld is dezelfde mening toegedaan als het  formele advies van de grote politieke partijen, met slechts een minderheid die het er niet mee eens is, dat het voor GB beter is om te blijven als lid van de EU, ondanks dat de meeste partijen klagen over de EU en veranderingen willen zien. Eind februari beweerde premier Cameron dat hij in langdurige nachtelijke onderhandelingen met zijn Europese collega’s relevante wijzigingen bereikt zou hebben om te voorkomen dat EU-regels de Britse “vrijheden”  zouden beperken. Zijn poging weerspiegelt een Britse houding van bezorgdheid dat toekomstige Europese politieke beslissingen zou kunnen werken tegen Britse belangen. Het grotere plaatje was dat hij vocht om te zorgen dat het Verenigd Koninkrijk niet zou worden gebonden om ook maar enige stap te volgen in de richting een politieke unie, en dat hij waarborgen zou hebben bereikt tegen financiële maatregelen betreffende de Londense City die zouden opgelegd kunnen worden door de landen van de Euro-groep (in feite Frankrijk en Duitsland).

Dat was een kwestie van grootmacht-strategie. Het kleinere, meer smerige plaatje, was gebaseerd op een enggeestig en gemeen vooroordeel tegen migranten uit de EU. Het bestond uit het beperken van arbeidsvoordelen voor nieuwkomers uit de EU tot maximaal vier jaar en het omlaag brengen van de kinderbijslag voor werknemers van wie de kinderen in het buitenland verblijven. Cameron had dit aanvankelijk willen doen voor alle migrerende werknemers, ongeveer een miljoen in het Verenigd Koninkrijk, maar werd geconfronteerd met tegenstand uit Oost-Europese landen, waar de meeste van de ontvangers van deze uitkeringen zich bevinden. Deze werknemers zijn vaak slecht betaald, waardoor het Britse kapitalisme in het verleden rijkelijk van hen heeft geprofiteerd. Het kapitaal is zowel nauw betrokken bij de openstelling van Oost-Europa voor uitbuiting als bij het aantrekken van goedkope arbeidskrachten, vaak hoogopgeleid, om tegen lage lonen in Groot-Brittannië te werken. Dit laat zien hoe zelfs een kapitalistisch beleid van de harde lijn, voor de ”vrije markt”, zich aanpast aan populaire anti-immigranten sentimenten. Dit is gebeurd ondanks dat de politieke agenda in Groot-Brittannië enigszins is gewijzigd van de problemen die de lage lonen voor de ’Poolse loodgieter’ zou kunnen veroorzaken voor de kansen op werk van de Britse werknemers, in de richting van het probleem van een ontevreden moslimbevolking.

Het immigratiebeleid van de Britse regering krijgt vaak klachten van bedrijven die werknemers van niet-E.U. landen willen aantrekken en die allerlei dure hindernissen moeten nemen om de betreffende werk-status te krijgen. Het beperkt ook het vermogen van de Britse onderwijsinstellingen, die steeds meer commercieel zijn geworden, steeds meer lijken op dure hotels voor buitenlandse toeristen, om studenten uit het voormalige het Engels-sprekende imperium aan te trekken. Maar er is toch een reden om dit restrictieve immigratiebeleid voort te zetten. Net als in andere grote landen bevordert dit nationale patriottische gevoelens – we zeggen dat we jou beschermen, zodat je voor ons zal vechten en ons zal steunen.

Het Brexit referendum is gebaseerd op het eigenbelang van de Britse heersende klasse. De stemming gaat niet over mensen die beslissen over hun toekomst; het gaat over de beste strategie voor het Britse bedrijfsleven in een problematische wereld. Het zal geen effect hebben op de uitbuiting van de gewone mensen hebben, behalve misschien op de specifieke vorm die deze aanneemt. Het Britse beleid, besloten door de verschillende Britse regeringen, is vooral goed geweest in het ondermijnen van de rechten van de arbeiders, dus het is vooral absurd om een ​​”Leave”-stem voor te stellen als soort progressieve beweging tegen het reactionaire Europees beleid – tegen bezuinigingen of iets dergelijks. Mijn visie op het referendum is dat van stemonthouding, en ik heb een stem. Dit is niet omdat ik denk dat de discussie niet relevant is. Integendeel, dit artikel is een bijdrage aan het debat. Geen van de “Stay” of “Leave”-opties die worden aangeboden in de stemming zijn een beter alternatief. Het is een waanidee om te beweren dat ze doen. Mijn visie in plaats daarvan is om een poging te wagen en het goede voorbeeld geven en te laten zien dat je niet hoeft te accepteren wat je wordt aangeboden.

6-4-2016 Tony Norfield in The Brooklyn Rail

TONY NORFIELD werkte bijna twintig jaar als effectenhandelaar bij banken van de Londense City en heeft een Ph.D. in de economie van de School of Oriental and African Studies, London University. Zijn nieuwe boek is The City: London en het Global Power of Finance, uitgegeven door Verso.

 

[1] *) Noot van de vertaler. Een directe stemming past in de democratische misleiding. Ongeacht de uitkomst van het referendum kan bij de eerste open crisisverschijnselen worden gezegd dat die het resultaat zijn van … de ‘keuze’ die ‘het volk’ heeft gemaakt in het referendum. In werkelijkheid is sprake van een Europese (EU) en zelfs wereldwijde (G20) coördinatie van het kapitaal om de aanvallen op de arbeidersklasse per land en gefaseerd te doen plaatsvinden. Eerst Griekenland, Spanje en Portugal (de schuld zijn te hoge pensioenen), op dit moment Frankrijk en Italië (de schuld is te hoge ontslagbescherming), straks Groot-Brittannië (schuld is de Brexit of de EU), daarna Skandinavië, Nederland en Duitsland (schuld zijn de andere EU-landen die ‘ons’ naar beneden hebben getrokken?). Fredo Corvo.

 

Advertenties
BREXIT – een nieuw synoniem voor de crisis

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s