De arbeidersraden in de theorie van de Nederlands-Duitse communistische linkerzijde, deel 1

Door Philippe Bourrinet

Opgedragen aan Serge Bricianier (1923-1997), radencommunist

D’Arbeidersraden worde’ eenmaal het wezen
Van de geheele menschheid op de aarde.
Zooals in bloemen in een groote gaarde
Het hoogste zonnelicht samengelezen.
Zij zijn het hoogste van de al-gemeenschap,
Zij zijn het verwerpen van de alleenschap,
Dáárin elke man, vrouw en teeder kind
Alleen zijn eenig doel, de Menschheid, vindt.

De Arbeidersraden zijn dus als het licht –
Zij zijn de vrede, de rust en het heil,
Zij zijn de waarheid en de bron der waarheid.

Zij zijn de vastheid en het Algeheel
Der menschheid, de knooppunten van den arbeid,
Zij zijn de zaligheid der menschheid, – o zij zijn het licht.

(Herman Gorter, De Arbeidersraad)1

Het doorslaggevende belang van de arbeidersraden voor de nieuwe arbeidersbeweging, geboren uit de puinhopen van de Eerste Wereldoorlog, werd al opgemerkt vóór de revolutionaire golf van 1917-1921, die deze organisaties deed ontstaan uit een enorme proletarische aardbeving in zo verschillende landen als Duitsland, Hongarije, Oostenrijk en Rusland. Het is in dit laatste land, waar in 1905 de eerste arbeidersraden verschenen, die de eindelijk ontdekte vorm scheen te worden van het eerste arbeiderszelfbestuur sinds de Commune van Parijs.

De bijdrage van de Nederlandse linkerzijde, of liever gezegd van Nederlands-Duitse linkerzijde, aan de theoretische discussie over de arbeidersraden bestaat niet alleen uit een simpele erkenning van deze vorm van revolutionaire activiteit van het proletariaat op weg naar zijn bevrijding. Zij houdt allereerst de erkenning in van de geestelijke factor, d.w.z. de factor van het bewustzijn, om de strijdvormen van het proletariaat leven in te blazen.

Op de eerste plaats zou het proletariaat, zonder filosofie van zijn actie, zichzelf niet kunnen bevrijden. De objectieve voorwaarden (die van de crisis), die van de organisatie (vakbonden en partij) van de leidende minderheden waren niet voldoende. Het ontbrak aan een noodzakelijke voorwaarde: de facto van de massa, bewogen door het bewustzijn van haar revolutionaire doel.

Daarom is de bijdrage van Dietzgen fundamenteel voor het het ontstaan van de communistische linkerzijde in Nederland, en de verdere ontwikkeling van de theorie van de arbeidersraden door Pannekoek.

1. Het klassebewustzijn

De invloed van Dietzgen

Voor de Nederlandse linkerzijde is de revolutie geen product van een ruwe materiële kracht, van het fysieke domein, maar in wezen een kwestie van ontwikkeling van de geest: ze is op de eerste plaats een overwinning van de geest voordat ze een materiële overwinning is.

Dit is de reden waarom haar tegenstanders haar vaak afschilderden als een “idealistische stroming”.

De Nederlandse linkerzijde was een Marxistische stroming die, zoals alle “radicalen”, bijvoorbeeld Rosa Luxemburg, het belang onderstreepte van de bewuste factor in de klassestrijd, een factor die zij — in de terminologie van die tijd — definieerde als een “geestelijke factor”.

De meester-denker van de Nederlandse Marxisten, gedurende hun eerste strijd tegen het revisionisme en het mechanistische van de vulgarisatoren van het Marxisme, was ongetwijfeld Joseph Dietzgen.

De socialistische filosoof Josef Dietzgen (1828-1888) was bij de publicatie van zijn boek Het wezen van de menselijke hoofdarbeid2 in 1869 onthaald als een van de ontdekkers van het dialectisch materialisme, naast Marx en Engels. In zijn beroemde boekje Ludwig Feuerbach en het einde van de klassieke Duitse filosofie (1888) begroette Engels de overeenkomst in methode tussen hem, Marx en Dietzgen:

“En deze materialistische dialectiek, die sinds jaren ons beste arbeidsmiddel en ons scherpste wapen was, werd merkwaardigerwijze, niet alleen door ons ontdekt, maar bovendien nog, onafhankelijk van ons en zelfs van Hegel, door een Duitse arbeider, Joseph Dietzgen.” 3

Joseph Dietzgen

Ondanks dit compliment van de auteur van de Anti-Dühring, vonden de filosofische werken van Dietzgen een zwakke weerklank bij de belangrijkste theoretici van de Tweede Internationale. Die zagen in Dietzgens filosofie als een bleke herhaling van Marx, in het ergste geval een verdachte uitwas van het idealisme. Franz Mehring zag er slechts een dialectiek in “verstoken van kennis”, en een zekere “verwarring”.4

Plechanov vond erin geen enkele nieuwe bijdrage aan de materialistische theorie en verwierp met minachting de “verwarring” van de theorie die hem te idealistisch leek, en een achteruitgang ten opzichte van de “materialisten” van de 18de eeuw. Hij meende bij Dietzgen een poging te bespeuren “om de tegenstelling tussen idealisme en materialisme te verzoenen”.5 Dit wantrouwen was gedeeltelijk te verklaren uit de brede weerklank die Dietzgen vond bij bepaalde idealistische individuen, die met de toestemming van de zoon van Dietzgen het zogenaamde “Dietzgenisme” probeerden uit te werken.6 In de theoretische strijd tegen de dwalingen van het “Dietzgenisme” en het “Machisme” (theorie van de natuurkundige Mach) zagen de Russische en Duitse linkse socialisten in Joseph Dietzgen de travestie van een neo-idealisme. Deze mening werd verre van gedeeld door Lenin en de massa van de bolsjewistische militanten7, die in Dietzgen, net als de Nederlandse linkerzijde, een “spirituele” leermeester zouden vinden tegenover een fatalistische en mechanistische visie die werd uitgedragen door het “historisch materialisme” dat de bewuste factor in de klassenstrijd onderschatte.

De belangstelling bij het Marxisme van de linkerzijde voor Dietzgen bestond niet alleen uit de materialistische kritiek op de speculatieve filosofie (Kant en Hegel), maar ook uit de verwerping van de vulgair-materialistische opvatting van de geest, als een afspiegeling van de materie. Dietzgen verwierp het rigide onderscheid dat de idealisten en de vulgair-materialisten van de 18de eeuw maakten tussen “geest” [Geist] en “materie” [Stoff]. De hersenen waren niet de eenvoudige externe opslagplaats van de zintuiglijke ervaring, maar vooral de plaats van de activiteit van het denken. De geestelijke arbeid van het denken gebeurde in de uitwerking van de zintuiglijke objecten in de vorm van concepten die worden verzameld tot een totaliteit en een onverbrekelijke eenheid. Vandaar een verwerping van het empirisme, dat net als het idealisme van mening is dat de materie eeuwig, onvergankelijk en onveranderlijk is. In werkelijkheid bestaat voor het dialectisch en historisch materialisme

de stof (…) in veranderingen. Het is de stof [‘stof’ betekent hier in het Nederlands en het Duits hetzelfde als ‘materie’; vertaler] die wisselt en slechts de wisseling is dat wat blijft.” 8

Hieruit volgt dat elke kennis relatief is; zij is alleen maar mogelijk binnen “gegeven beperkingen”. Tenslotte kan deze relatieve kennis van de materiële werkelijkheid alleen bestaan door een actieve tussenkomst van het bewustzijn. Dit bewustzijn, “geest” genoemd, gaat een dialectische relatie aan met de materie. Er bestaat een permanente wisselwerking tussen “geest” en “materie”:

“De geest is dingelijk, en de dingen zijn geestelijk. Geest en dingen zijn slechts in relaties werkelijk.” 9

De theorie van Dietzgen was niet in tegenspraak met die van Marx en Engels. Vaak, tegen de prijs van een onhandige terminologie, breide zij deze uit door een “wetenschap van de menselijke geest” te ontwikkelen. Deze “geest” was een complex van onlosmakelijk verbonden kwaliteiten: bewustzijn, onbewustheid, moraal, psychologie en rationaliteit. Vanuit revolutionair oogpunt werd de bijdrage van Dietzgen gekenmerkt door het benadrukken van drie punten:

a) het belang van de theorie als begrip en radicale transformatie van de werkelijkheid; en bijgevolg de verwerping van elk immediatistisch [onbemiddeld] en reductionistisch empirisme;

b) de relativiteit van de theorie die verandert met de ontwikkeling van de sociale “materie”;

c) de actieve rol van het bewustzijn in de werkelijkheid, waarvan het niet de weerspiegeling maar de inhoud zelf is.

Een dergelijke systematisering van de essentiële lessen van het Marxisme vormde in feite een instrument tegen elke reductie van het Marxisme tot een zuiver economisch fatalisme en tegen elke versteende vastlegging van de verworvenheden van de methode en de resultaten van het historisch materialisme.

Alle Nederlandse Tribunisten, Gorter, Pannekoek en Roland Holst waren enthousiast in het grondig bestuderen van Dietzgen, hem te becommentariëren en te vertalen10. Het benadrukken van de rol van de “geest” en het “spirituele” in de klassestrijd was een directe oproep tot de spontaniteit van de arbeiders om het rigide kader van de sociaal-democratische en vakbewegingsbureaucratie te doorbreken. Het was een directe oproep tot de strijd tegen de revisionistische twijfels en het fatalisme dat het kapitalisme als “eeuwig” en “onvergankelijk” beschouwde, net als de materie. Het was vooral een oproep tot energie en enthousiasme van de arbeidersklasse in haar strijd tegen het bestaande systeem, een strijd die bewustzijn vereist, opofferingsgezindheid, kortom morele en intellectuele kwaliteiten. Deze oproep tot een nieuwe proletarische ethiek vonden de Nederlandse Marxisten in de werken van Dietzgen, of meenden ze daar te vinden.11 Door de kritiek op het traditionele burgerlijke materialisme en het gesimplificeerde en gevulgariseerde Marxisme ontwikkelden de Nederlandse theoretici in feite een nieuwe vorm van proletarische “moraal”en het klassebewustzijn. Dietzgen onthulde voor hen slechts de betekenis van het Marxisme, waarvan de begrippen door de reformistische visie waren vervalst.

Bij de Nederlandse linkerzijde liep de interpretatie van de rol van de “geest” in de klassenstrijd echter uiteen. De interpretatie van Dietzgen door Roland Holst was niets minder dan idealisme, een mengeling van geestdrift en moraal, een religieuze visie die het gebruik van geweld in de strijd tegen het kapitalisme minimaliseerde.12 Gorter, veel “materialistischer”, was meer voluntaristisch en geïnspireerd door een meer op de wil gerichte interpretatie, op de subjectieve, zogezegd “geestelijke” voorwaarden:

“De geest moet gerevolutioneerd worden. Het vooroordeel, de lafheid moeten worden uitgeroeid. Dit is het allerbelangrijkste, de geestelijke propaganda. Kennis, geestelijke macht, is het allereerste, het hoogstnodige. Alleen kennis geeft een goede organisatie, goede vakbeweging, de juiste politiek, en daardoor verbeteringen in economische en politieke zin.” 13

En Gorter, soms gekwalificeerd als idealist en “illuminist” 14, zorgde ervoor vooral strijdbare inhoud te geven aan de “geestelijke” factor, door elk fatalisme uit te sluiten:

“De maatschappelijke macht die ons stuwt is geen dood fatum, geen logge klomp materie. Het is de maatschappij, een levende kracht … Wij maken de geschiedenis niet uit vrijen wil. Maar ….. wij maken ze.” 15

Voor Pannekoek daarentegen resulteert de geestelijke factor in de ontwikkeling van de theorie. Deze is evengoed een methode voor economie van het denken, in “zuivere” kennis, als een bewuste en rationele kennis, waarvan de rol is

“de wil te onttrekken aan de zeer krachtige, directe, instinctieve impuls, en deze ondergeschikt te maken aan bewuste en rationele kennis. Het theoretische inzicht stelt de arbeider in staat te ontsnappen aan de invloed van het onmiddellijke en beperkte belang ten gunste van het algemene proletarische klassenbelang, om zijn handelen te laten bepalen door het langetermijnbelang van het socialisme”.16

Voor Pannekoek past de rol van de “geest” in de wetenschap van de geest, wat betekent de ontwikkeling van kritische en wetenschappelijke wapens tegen de burgerlijke ideologie.

Het begrip van het klassebewustzijn bij de Nederlandse linkerzijde

De macht van het proletariaat berust volgens de Marxistische linkerzijde niet alleen op zijn aantal (concentratie) en zijn economisch betekenis. Het wordt een klasse voor zichzelf (op zichzelf en voor zichzelf) als het zich niet alleen bewust wordt van zijn kracht, maar ook van zijn eigen belangen en doel. Het is het bewustzijn dat de arbeidersklasse in de geschiedenis doet bestaan. Elk bewustzijn is zelfbewustzijn :

“Alleen dankzij haar klassenbewustzijn verandert het grote aantal in een aantal voor de klasse zelf en wordt zij zich ervan bewust van de macht van haar onvervangbaarheid voor de productie; en kan zij die macht inzetten voor haar eigen doeleinden en belangen. Alleen door het klassenbewustzijn kan dit anders dode enorme en gespierde lichaam levensvatbaar maken en in staat tot actie.” 17

Op klassieke wijze, in de Marxistische beweging, analyseerden Pannekoek en de stroming van de Nederlandse linkerzijde de verschillende niveaus van klassebewustzijn, in hun historische dimensie. In het begin is er geen volledig klassenbewustzijn of klassenbewustzijn dat met een bepaalde kenmerkende positie in het productieproces correspondeert [“zugerechnet ist”] om opnieuw de formulering van Lukács te gebruiken18 — zo geconditioneerd en ideaal als het zou zijn als het tot rijpheid was gekomen. De primitieve vorm van het klassebewustzijn, essentieel voor de strijd, ligt in “het instinct van de massa’s” of “het klasseinstinct”. Terwijl hij aantoonde dat dit instinct, dat verschijnt in de spontane actie, bestaat uit een “handelen, ingegeven door het onmiddellijke gevoel, in tegenstelling tot het handelen gebaseerd op een intelligente reflectie”, bevestigde Pannekoek dat

“[Wanneer Marx’ materialistische opvatting van de geschiedenis benadrukt dat de klassensituatie en de klassenbelangen het handelen van mensen bepalen, is de bemiddelaar daarbij het instinctieve klassengevoel dat door de economische situatie wordt bepaald. Uit hun klassensituatie groeit in de proletarische massa’s de vijandschap tegen het kapitaal en het inzicht in de middelen en doelstellingen van hun bevrijdingsstrijd. In die zin is] het instinct van de massa’s de hefboom [is] van de politieke en revolutionaire ontwikkeling van de mensheid”.19

Op een enigszins Soreliaanse manier had dit rationeel onvermogen de schijn van een verheerlijking van “het onfeilbare instinct van de klasse”. Maar zo was het niet. Voor Pannekoek was dit instinct het ongepolijste “onmiddellijke klassebewustzijn” dat nog niet zijn politieke en socialistische vorm had aangenomen. In haar polemiek tegen de Kautskyistische revisionisten inzake de spontane acties van de massa’s, onderstreepte de Nederlandse linkerzijde vaak “het gezonde en zekere” klasse-instinct. Dit was in feite het klassebelang van de arbeiders, dat verlamd werd door de gebureaucratiseerde apparaten van de vakbonden en de partij.

Het Nederlandse Marxisme, dat vaak is geassocieerd met de spontaneïstische stroming20, vereerde niet de spontaniteit: het klassebewustzijn had niets “spontaans”; het gaf zich niet, zoals Sorel, over aan een “mystiek” van de irrationele actie. Door te benadrukken dat dit klassebewustzijn geen sociale groepspsychologie, noch een individueel bewustzijn was, gaf het Nederlandse Marxisme een definitie die zeer ver verwijderd was van het spontaneïsme:

  • Het bewustzijn in het proletariaat is een collectieve wil, georganiseerd als een lichaam; zijn vorm is noodzakelijkerwijs de organisatie die eenheid en samenhang geeft aan de uitgebuite klasse:
    “De organisatie is het samenvoegen van de voorheen gefragmenteerde individuen tot een eenheid. Terwijl voorheen de wil van elk individu onafhankelijk van al het andere gericht was, betekent de organisatie de eenheid, dezelfde richting van alle individuele wilsrichtingen. Zolang de krachten van de afzonderlijke atomen in alle richtingen zijn gericht, heffen zij elkaar op en is hun collectieve effect nul.” 21
  • Dit bewustzijn was geen zuivere weerspiegeling van de economische strijd van het proletariaat. Het nam een politieke vorm aan, waarvan de meest uitgewerkte en hoogste uitdrukking de socialistische theorie was, die het proletariaat in staat stelde het “instinctieve” en nog onbewuste stadium van strijd te overstijgen om het stadium van de doordachte actie te bereiken, dat zich richt op het communistische doel:
    “Het cultiveren van de theorie, de wetenschappelijke basis van het socialisme, zal het meest bijdragen om de beweging een rustige, zekere koers te geven, om haar om te zetten van een onbewuste impuls in de bewuste daad van bewuste mensen.”22

Aan deze organisatie en deze theorie, die hij soms “kennis” noemt, voegde Pannekoek de vrijwillig aanvaarde discipline toe, als cement van het bewustzijn.

Zoals we zien, stond deze opvatting van de Nederlandse Marxistische linkerzijde haaks op die van Lenin in Wat te doen? uit 1903, volgens welke het bewustzijn van buitenaf werd ingebracht door “burgerlijke intellectuelen”. Ze week evenzeer af van de spontaneïstische anti-organisatie en anti-politieke stroming. Het stond voor de Nederlandse linkerzijde buiten twijfel dat het klassebewustzijn twee onlosmakelijke dimensies had: de theoretische diepgang van de “kennis” (het kwalitatieve aspect), verzameld door de historische ervaring, en de verspreiding ervan in de massa (de omzetting van kwaliteit in kwantiteit). Daarom benadrukten de Nederlandse en Duitse Marxisten het doorslaggevende belang van de massastakingen, tegelijkertijd “spontaan” en “georganiseerd”, voor de massale ontwikkeling van het klassebewustzijn.

Dit standpunt lag in de lijn met de theorie van Marx over het bewustzijn.23 Na 1905 en de eerste Russische revolutie verschilde dit (tot 1917), in tegenstelling tot wat het schijnt, weinig van dat van Lenin, die toen schreef dat “klasseninstinct”, “spontaniteit” en socialistische opvoeding van het proletariaat onlosmakelijk met elkaar verbonden waren:

“De arbeidersklasse is instinctief en spontaan sociaal-demokratisch en meer dan 10 jaar activiteit van de sociaal-democratie heeft al veel gedaan om deze spontaniteit om te zetten in een bewuste houding.” 24

In de Marxistische linkerzijde van vóór 1914 bestond nog een echte overeenstemming van opvatting in de kwestie van het klassebewustzijn.

(Wordt vervolgd)

Noten

1 Herman Gorter, De arbeidersraad.

2 Joseph Dietzgen, Het wezen van de menselijke hoofdarbeid, (1869), Vertaling door Gorter (1903).

3 Friedrich Engels, Ludwig Feuerbach en het einde van de klassieke Duitse filosofie. Dietzgen was geen eenvoudige arbeider, maar een ambachtsman, een meesterlooier met een eigen bedrijf.

4 Franz Mehring, Die Neue Zeit, 29 okt. 1909, in Gesammelte Werke, Dietz, 1961, Bd.13, blz. 212-213.

5 Plekhanov, Œuvres philosophiques, t. 3, Moscou, 1981, p. 100-116: « Joseph Dietzgen », 1907.

6 Pannekoek zelf protesteerde tegen de pretentie van de zoon van Dietzgen en anderen om een “Dietzgenistische” theorie te vormen, “minder rigide” en uiteindelijk meer “idealistisch” dan “het engeestige Marxisme”. In een artikel van 12.11.1910 “Dietzgenismus und Marxismus” in de Bremer Bürgerzeitung; herdruk in Bock, “Pannekoek in der Vorkriegssozialdemokratie”, Jahrbuch Arbeiterbewegung. Theorie und Geschichte, 3, Frankfurt/Main, 1975, blz. 130. Pannekoek verwierp het idee om Marx tegenover Dietzgen te stellen: “Niet ‘Dietzgenisme’ of ‘eng Marxisme’, maar Marx en Dietzgen, dat zal hier het standpunt van het proletariaat zijn…. Er bestaat maar één Marxisme, de wetenschap van Marx van de maatschappij en de mensheid, waarin de bijdragen van Dietzgen passen als een noodzakelijk en belangrijk deel.”

7 Lenin schreef in Materialisme en Empiriokriticisme (1909) : “in deze arbeider-filosoof, die op zijn manier het dialectische materialisme heeft ontdekt, is zeer veel groots!”. In deze richting stelde Pannekoek in 1910 de bolsjewieken tegenover Plechanov; deze laatste was de uitdrukking van een mechanistisch en fatalistisch Marxisme: “… Tegenover de bolsjewieken, die de theorie van Dietzgen, als theorie van de activiteit van de menselijke geest, tegenover het fatalistisch Marxisme stelden, oefende Plekhanov een scherpte maar ongefundeerde kritiek uit.” (Idem, blz. 129). Deze lofzang op de bolsjewieken in 1910 is te vergelijken met het latere standpunt van Pannekoek over de bolsjewieken en Lenin in 1938.

8 Joseph Dietzgen, Het wezen van de menselijke hoofdarbeid. Het wezen der dingen.

9 Joseph Dietzgen, Het wezen van de menselijke hoofdarbeid. Het reine verstand of het denkvermogen in het algemeen.

10 Dietzgen, Het wezen van de menselijke hoofdarbeid, in het Nederlands vertaald door Gorter. Josef Dietzgen werd becommentarieerd door Pannekoek in een inleiding van 1903, “Die Stellung und Bedeutung von J. Dietzgens philosophischen Arbeiten “ (aaap.be); en door Henriëtte Roland Holst, De philosophie van Dietzgen en hare beteekenis voor het proletariaat, Wakker en Co., 1910. Dit laatste werk was een lange synthetische samenvatting van de teksten van Dietzgen. Het legde veel nadruk op de “moraal”van Dietzgen, en viel terzijde Plechanov aan (blz. 65).

11 Dietzgen, Het wezen van de menselijke hoofdarbeid, onder de titel “Praktisch Verstand” of Moraal: “Ook geldt onze strijd niet de zedelijkheid, zelfs niet eens een bepaalden vorm van haar, maar slechts de arrogantie, die haar bepaalde vorm tot de absolute moraal, tot zedelijkheid in het algemeen maakt.” [citaat naar de uitgave van Daad & Gedachte; cursivering naar Dietzgen,a, 1930]

12 Deze minimalisering van het klassegeweld als materiële factor komt vaak voor in twee belangrijke teksten van Roland Holst: De strijdmiddelen der sociale revolutie, Amsterdam, 1918; De revolutionaire massen-aktie, Rotterdam, 1918. Voor haar betekent massa-actie geen “geweld”; zij gebruikt vaak de term “geestelijk geweld”.

13 Gorter, Het historisch materialisme, Amsterdam, 1909, PL-herdruk, blz. 111.

14 Programme communiste nrs. 53-54, okt. 1971-maart 1972, “Gorter, Lénine et la Gauche”. Onder de mystieke en stinkende term “illuminisme” verstaat de “Bordigistische” stroming het aanhangen van de ideeënstroom van de eeuw der “Verlichting” (Aufklärung). In feite haalt de “Bordigistische” stroming om polemische redenen Gramsci en Gorter-Pannekoek systematisch door elkaar.

15 Gorter, idem blz.109/110. De Duitse vertaling Der historische Materialismus, Stuttgart, 1909 bevatte een zeer lovend voorwoord van Kautsky.

16 Pannekoek, Die taktischen Differenzen in der Arbeiterbewegung, Hamburg, 1909, blz. 131/132.

17 Idem, blz. 16/17.

18 Lukács, Geschichte und Klassenbewuβtsein.Sammlung Luchterhand, 1968, blz. 126 (62).

19 Pannekoek, in de Bremer Bürgerzeitung, 24.8.1912, Der Instinkt der Massen; herdruk door Bock (Hans Manfred), in Jahrbuch 3, “Die Linke in der Sozialdemokratie”, 1975, p. 137-140.

20 Dat is het standpunt van de uiterst “Leninistische” stroming, vooral vertegenwoordigd door de volgelingen van Bordiga.

21 Pannekoek, Massenaktion und Revolution, I. Die Macht der Bourgeoisie und des Proletariats, in Die Neue Zeit, XXX/2, 1911-1912.

22 Pannekoek, Die taktischen Differenzen in der Arbeiterbewegung, Hamburg, 1909, blz. 132.

23 Marx, De Duitse Ideologie: “Zowel voor het ontstaan van het communistisch bewustzijn op massale schaal, als voor het welslagen van de zaak zelf is een massale verandering van de mensen nodig, een verandering die alleen in een praktische beweging, in een revolutie plaats kan vinden.” En Marx stelt voorafgaand: de arbeidersklasse is een klasse “waaruit het bewustzijn ontstaat van de noodzaak van een fundamentele revolutie, het communistisch bewustzijn [dat zich natuurlijk ook onder de andere klassen kan ontwikkelen op grond van de aanschouwing van de positie van deze klasse].” (idem, Voorwaarden voor de revolutie).

24 Lenin, “Über die Reorganisation der Partei”, 1905, Lenin Werke, Bd. 10, blz. 16.

Bron

Philippe Bourrinet, Les conseils ouvriers, dans la théorie de la gauche communiste germano-hollandaise (1999-2023),
Aan de vertaalde versie toegevoegde fragmenten tussen vierkante haken.

De arbeidersraden in de theorie van de Nederlands-Duitse communistische linkerzijde, deel 1

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s