De inter-imperialistische oorlog in Oekraïne

Van Luxemburg, Pannekoek, Gorter en Lenin tot ‘Radencommunisme’

Door Fredo Corvo

English, German, Spanish

Inhoud

De escalatie van de oorlog in Oekraïne door de Russische invasie heeft in het ‘democratische Westen’ onder degenen die zich ‘links’ noemen, geleid tot allerlei stellingnames, die als een verrassing kunnen overkomen. Over het algemeen volgt ‘links’ klakkeloos de standpunten van de massa- en ‘sociale’ media: veroordeling van de Russische invasie als een aanval, een daad van agressie tegen Oekraïne. Oekraïne wordt voorgesteld als een zich vormende natie, een prille democratie. Vanzelfsprekend moet de heldhaftige verdedigingsstrijd van deze David tegenover de brute Goliath door ons worden gesteund, met hulppakketten voor de vluchtelingen en uiteindelijk met wapenleveranties.1 Naarmate de oorlog vordert, komen tegenstrijdigheden naar voren waarover mensen zich vragen gaan stellen, onder andere:

  • de staat van de Oekraïne verdedigt zijn nationale zelfstandigheid, maar is tegen nationale zelfstandigheid van de afgescheiden Russisch sprekende gebieden, en het komt zelfs voor dat Russisch sprekende Oekraïners wordt bemoeilijkt hun taal te spreken.
  • Poetin strijdt tegen het fascisme van de Oekraïne, maar gedraagt zich als een fascist en heeft in het Westen fascistische bewonderaars. Er blijkt een fascistisch bataljon opgenomen te zijn in het leger van de Oekraïne.
  • Rusland stuurt dienstplichtigen op een zogenaamde vredesmissie. Oekraïne scheidt ‘weerbare’ mannen van hun vrouwen en kinderen die de oorlog ontvluchten.
  • China steunt Rusland in de Veiligheidsraad van de VN, de Verenigde Staten en de landen van de NAVO en de EU steunen Oekraïne niet alleen financieel maar ook met wapens en militaire instructeurs.
  • Poetin hoopte met de oorlog Zelinski te vervangen door een pro-Russische president. Biden versprak zich en verklapte zo dat hij hoopt dat deze oorlog zal leiden tot het vervangen van Poetin door een pro-Amerikaanse president.

Dit soort tegenstrijdige feiten leidt tot vragen. De oorlogspropaganda aan beide kanten wentelt zich in kronkels om te antwoorden. Zo ook bij links in het Westen.

Het arbeiderisme en de huidige oorlog

De verrassing voor hun eigen aansluiting bij wat in feite democratische oorlogspropaganda is, is het grootst en misschien het meest eerlijk bij het deel van de linksen die in hun doorgedreven arbeiderisme of zelfs populisme geen expliciete theoretische wortels meer hebben in de oude arbeidersbeweging. Deze tendensen gaan uit van wat arbeiders, of het (gewone) volk, op een bepaald moment denken en doen, ook al is dat onder de verpletterende invloed van de burgerlijke ideologie en met name van de kapitalistische realiteit van uitbuiting en onderdrukking, in dit geval ook nog die van een gruwelijke oorlog. Door met hun politieke stellingnames realistisch aan te sluiten bij dit alledaagse bewustzijn, zijn ze niet in staat om de inzichten naar voren te brengen die volgen uit het begrip van de arbeidersklasse als een klasse met een historische toekomst, die een nieuwe productiewijze in zich draagt, en een maatschappij zonder oorlog, geweld en zonder staat, het communisme. De revolutionairen die dat wel doen, verwijten ze ‘sektarisme’. In het kleine en kleinburgerlijke Nederland komen dergelijke linksen niet voor, en in Vlaanderen ook niet, voor zover bekend. Maar in Engeland zijn dat Angry Workers of the World, in Duitsland Wildcat, Kosmoprolet en Communaut. Deze groepen organiseren zich – net als degenen die zij sekten noemen – als microscopisch kleine minderheidsorganisaties. Terwijl de sekten een programmatische basis hebben waarin ze hun lessen van voorbij klassenstrijd samenvatten, organiseren de arbeideristen zich op basis van enkele vage standpunten, soms geheel zonder standpunten. De lessen die door de Communistische Linkerzijdes2 zijn getrokken uit de Eerste en de Tweede Wereldoorlog, uit de Koude Oorlog en de zogenaamde nationale bevrijdingsoorlogen en andere regionale oorlogen die rechtstreeks of door tussenliggende staten worden uitgevochten door imperialistische machten, zijn hen onbekend, en ze willen er ook niet over nadenken. Met het uitbreken van de oorlog in de Oekraïne stonden ze sprakeloos, of ze brachten burgerlijke onzin naar voren, en vaak waren ze onderling verdeeld, als ze het al aandurfden een interne discussie aan te gaan. Het falen van met name deze arbeideristische groepen om een duidelijk standpunt over de huidige oorlog naar voren te brengen, is een voorbode van eenzelfde falen in een voorrevolutionaire situatie waarin een aanzienlijke minderheid van strijdbare en klassenbewuste arbeiders zich zelfstandig organiseert en van de revolutionairen een duidelijke stellingname verlangt.

Burgerlijk links neemt deel aan de oorlog

Dit artikel gaat niet in op de links-burgerlijke organisaties die voorkomen uit de oude arbeidersbeweging, de sociaal-democratie en het bolsjewisme in al zijn vormen (Stalinisme, Maoïsme, Trotskisme). In dit kader volstaat de opmerking dat zij alle terugvallen op hun stellingname voor het ene of het andere kamp in de Eerste Wereldoorlog (Sociaal-Democratie) en/of in de Tweede Wereldoorlog (Sociaal-Democratie aan de geallieerde kant, Bolsjewisme aan de kant van de Sowjet-Unie). De verdediging van de Sowjet-Unie in 1939-1945 werd gerechtvaardigd met de mythe dat deze socialistisch of een gebureaucratiseerde arbeidersstaat zou zijn. Sinds de Chinese Volksrepubliek zich in de jaren 1960 losmaakte van Rusland, daarna aansluiting zocht bij de Verenigde Staten, en nu weer bij Rusland, sinds de implosie van de Sowjet-Unie en haar imperialistische blok, hebben de organisaties die hun ideologische wortels hebben in het bolsjewisme naar hartenlust gegrabbeld in de vele koerswendingen van de Komintern onder het mom van Lenins zelfbeschikkingsrecht der naties en Lenins theorie van het Imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme. En ook nu vallen Stalinisten, Maoïsten en Trotskisten terug op deze ideologische erfenis van het bolsjewisme om ofwel de kant te kiezen van Oekraïne, ofwel van Rusland, ofwel een plekje ergens in de loopgraven tussen beide. Lenins Verzamelde Werken zijn voor deze farizeeërs, net als destijds de werken van Marx en Engels dit waren voor de Kautsky’s en Cunows, de schatkamer waaruit zij naar willekeur naar citaten kunnen vissen waarmee zij de arbeiders kunnen aanzetten om deel te nemen aan deze zoveelste inter-imperialistisch slachting.

Proletarisch internationalisme in de Eerste Wereldoorlog

De steun van links aan Oekraïne of juist aan Rusland gaat voorbij aan Lenins werkelijke houding in de Eerste Wereldoorlog, die van het proletarisch internationalisme tegen elke deelname aan die oorlog. In zijn praktische politiek in 1914-1918 stond Lenin grotendeels op hetzelfde standpunt als de andere linkse socialisten, die zich later communisten noemden, Luxemburg, Liebknecht, Rühle, Bordiga, Pankhurst, Pannekoek en Gorter3. Losjes geformuleerd komt deze houding, die bekend werd als proletarisch internationalisme, neer op het volgende:

  • Met de voltooide verdeling van de wereld in kapitalistische invloedssferen tussen de koloniserende landen, is de Eerste Wereldoorlog een definitief keerpunt in de geschiedenis van het kapitalisme.
  • Alle landen die direct deelnemen aan de oorlog – of indirect (vanuit ‘neutraliteit’ zoals Nederland en Zwitserland, of openlijk als leverancier van kredieten en/of wapens, zoals de V.S. tot april 1917) – handelen uit imperialistische overwegingen, dat wil zeggen ze streven ernaar het maximale te halen uit de kapitalistische herverdeling van de wereld die het resultaat is van de oorlog.
  • De ‘vaderlandsverdediging’ waartoe de meeste partijen van de Tweede Internationale oproepen is slechts de leuze waarmee zij de arbeiders van verschillende landen oproepen elkaar af te slachten voor belangen van het kapitaal.
  • Voor de arbeidersklasse van alle landen geldt:
    – de vijand staat in eigen land,
    – (klasse-)oorlog aan de (inter-imperialistische) oorlog,
    – geen klassenvrede maar voortzetting van de arbeidersstrijd tot de revolutie,
    – ook al leidt dit tot nederlaag van het ‘eigen’ land in de oorlog (revolutionair defaitisme),
    – omvorming van de imperialistische oorlog tot de proletarische wereldrevolutie.

Het verschil tussen Lenin en de andere linkse socialisten, de latere communisten, waarvan een deel zou behoren tot de communistische linkerzijde, was dat Lenin zijn proletarisch internationalisme beperkte tot de Eerste Wereldoorlog. Voor de anderen was de Eerste Wereldoorlog een historisch omslagpunt die een einde maakte aan elke mogelijkheid van nationale oorlogen.

Imperialisme, woord met meerdere betekenissen

Waarom zouden we de term imperialisme nog verder gebruiken, nu ervan zoveel misbruik wordt gemaakt? Dat beweren immers sommige zich Marxistisch noemende tendensen en theoretici. Voor het omzeilen van het woord imperialisme bestaan uiteenlopende redenen, waarop hier niet nader wordt ingegaan. Het punt is dat door de term, het woord, niet te gebruiken, de theoretische en daarmee uiterst praktische verschillen tussen verschillende inhoudelijke betekenissen van het imperialisme onduidelijk blijven. Op die inhoudelijke verschillen zullen we moeten ingaan om het probleem van de huidige oorlog in Oekraïne – en de oorlogen die er op zullen volgen – te benaderen vanuit het standpunt van de arbeidersklasse. Het beroep dat deze woord-weigeraars doen op het woordenboek voor een definitie, die ze niet aanvaarden, hun verwijzing naar de oorsprongen van het woord, van Grieken en Romeinen tot Hobsons Imperialism (1902) kunnen geen rechtvaardiging leveren voor het omzeilen van de verschillende specifieke betekenissen van het woord. Vooral vanwege de betekenis die imperialisme had voor Lenin en andere Marxisten die in 1914-1918 vasthielden aan een ander begrip: het proletarisch internationalisme, dat toen en nu wordt vermeden, verguisd of vervalst.

Maar moeten we dan niet terug naar Marx, die naar het schijnt het woord imperialisme niet gebruikte, maar wel de term oorlog? Dat is heel goed mogelijk. En als we niet opnieuw het wiel willen uitvinden, dan maken we daarbij gebruik van de felle polemieken in de Eerste Wereldoorlog tussen aan de ene kant de sociaal-democraten die de oorlog van hun eigen bourgeoisie steunden met Marx-citaten en aan de andere kant degenen zich beriepen op Marx en die stelden ‘de vijand staat in eigen land’. Ja, dan zijn we terug bij het imperialisme, dat in periode van de Eerste Wereldoorlog specifieke betekenissen kreeg. In al de betekenissen die de tegenstanders van de ‘vaderlandsverdediging’ het imperialisme gaven, is een algemeen gedeelde opvatting te vinden van de ontwikkeling van het kapitalisme sinds Marx.

Marx bracht naar voren dat concurrentie “de bestaansvorm van het kapitaal” is, en hoe meer het kapitalisme zich ontwikkelt, des te meer de concurrentie zich moet ontwikkelen. Marx slaat de spijker op zijn kop in zijn kritiek op Proudhon, als hij zegt dat het kapitaal zich reproduceert in concurrentie, in monopolievorming en concurrentie tussen monopolies.4 Na Marx heeft de internationale ontwikkeling van het kapitalisme een punt bereikt waarop het imperialisme noodzakelijk is. Het is de politiek is die alle staten en kapitalen moeten volgen. Tegelijkertijd, en niet toevallig, wordt het kapitalisme dan gekenmerkt door het grootkapitaal. Het grootkapitaal concurreert noodzakelijkerwijs op grote schaal en met grote middelen. Daarom geeft het militarisme uitdrukking aan de gevestigde en onomkeerbare tendens van het ontwikkelde kapitalisme om altijd te concurreren, zich aan te passen aan de concurrentie door te zoeken naar strategieën waarmee het probeert een betere positie in te nemen dan de concurrenten. Alleen al de titel van Lenins hoofdwerk Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme (1916) geeft aan dat hij het op dit punt eens was met Luxemburg, Gorter en Pannekoek.

Lenin, zo zullen we zien, blijft echter vanuit zijn standpunt van het recht der naties op zelfbeschikking vasthouden aan de mogelijkheid dat in bepaalde omstandigheden sprake is van “imperialistische landen” en “overheerste landen”. Daarmee blijft de mogelijkheid open van steun aan burgerlijke fracties. Zijn tegenstrever binnen de Russische sociaal-democratie, Rosa Luxemburg, wees het bestaan van een dergelijk recht der naties af, juist omdat het de arbeiders overleverde aan hun eigen bourgeoisie. Haar standpunt werd na de revolutie in Rusland op tragische wijze bevestigd door de geschiedenis van Polen en Oekraïne.

Rosa Luxemburg en het imperialisme

De destijds uitzondelijke stellingname van Rosa Luxemburg ten aanzien van het vraagstuk van de nationale oorlog en het recht der naties op zelfbeschikking, werd gevoed door haar overtuiging dat de gangbare opvattingen in de Russische, de Poolse en de Duitse sociaal-democratie op dit punt achterhaald waren door de kapitalistische ontwikkeling. In haar disseratie De industriële ontwikkeling van Polen (1893) toonde ze aan dat Polen in economisch opzicht een integraal onderdeel van het Tsaristische Russische rijk was geworden dank zij de grote Russische afzetmarkt. Buiten het Russische rijk had het kapitalisme in Polen, en daarmee de arbeidersstrijd, geen toekomst. Daarmee onderbouwde ze haar weigering om de onafhankelijkheid te steunen van een nationale staat Polen,5 die destijds door andere sociaal-demokraten werd verdedigd met een verwijzing naar de standpunten van Marx en Engels.6 Liebnecht, Kautsky en Plechanov argumenteerden dat Marx een onafhankelijk Polen en een sterk Turkije wensten om Rusland te verzwakken. Daarmee maakten deze Marxisten van het orthodoxe Centrum van de partij wat voor Marx een historisch beperkte stellingname was, tot een onveranderlijke leerstelling.7 Ernstiger nog was de orthodoxe gelijkstelling van proletarisch en burgerlijke belangen in het nationaliteitenvraagstuk. Uit de pas na Luxemburgs dood verschenen briefwisseling tussen Marx en Engels, blijkt dat hun opvatting over Polen inderdaad ingegeven werd door strategische en dus veranderlijke overwegingen. Zo schreef Engels aan Marx op 23-5-1851:

Des te meer ik nadenk over deze geschiedenis, hou duidelijker me wordt dat de Polen une nation foutue zijn [een achterhaalde natie], die alleen zo lang als middel te gebruiken zijn, tot Rusland zelf in de agrarische revolutie meegesleurd is. Vanaf dat moment heeft Polen asoluut geen raison d’être [geen bestaansreden] meer.8

Luxemburg hield het gangbare standpunt dat dat proletarisch internationalisme slechts mogelijk was op basis van de Poolse nationale onafhankelijkheid voor achterhaald door de industriële ontwikkeling van zowel Rusland als Polen en door de mogelijkheid van sociale revolutie die daaruit volgde. De ‘Russische’, en tegelijkertijd ‘Poolse’ revolutie met haar massastakingen en arbeidersraden van 1905 heeft Luxemburg in het gelijk gesteld. Hierdoor aangemoedigd, zette Luxemburg zich aan het werk om haar stelling uit te breiden tot de historische achterhaaldheid van nationale oorlogen die een stimulans konden geven aan de ontwikkeling van het kapitalisme op wereldschaal. Ze ontwikkelde een imperialismetheorie en tevens theorie van de crisis van de accumulatie van het kapitaal die de historische achterhaaldheid van de kapitalistische productiewijze en daarmee de komst van een periode van sociale revolutie aankondigde.

Rosa Luxemburg had al in de strijd tegen het revisionisme gewezen op het belang van het uitbreiden van de wereldmarkt voor het voortzetten van de groeifase van het kapitalisme. Vervolgens heeft zij dit idee aangegrepen voor de uitwerking van een theorie van de accumulatie van het kapitaal om tot een beter begrip te komen van de fase van de sociale revolutie. 9 Luxemburgs imperialisme-theorie gaat uit van de volgende uitspraken van Marx en Engels in het Manifest der Communistische Partij (1848):

De behoefte aan een steeds uitgebreider afzet van haar producten jaagt de bourgeoisie over de hele aardbol. Overal moet zij zich innestelen, overal haar huis bouwen, overal verbintenissen aanknopen.
De bourgeoisie heeft door haar exploitatie van de wereldmarkt de productie en consumptie van alle landen kosmopolitisch gemaakt. Zij heeft tot groot verdriet van de reactionairen aan de industrie de nationale bodem onder de voeten weggetrokken. De eeuwenoude nationale industrieën zijn vernietigd en worden nog dagelijks vernietigd. Zij worden verdrongen door nieuwe industrieën (…)
Waardoor overwint de bourgeoisie de crisissen? Aan de ene kant door de gedwongen vernietiging van een massa productiekrachten; aan de andere kant door de verovering van nieuwe markten, en de nog grondiger exploitatie van oude markten. Waardoor dus? Doordat zij alzijdiger en geweldiger crisissen voorbereidt en de middelen om de crisissen te voorkomen, vermindert.
10

Dit aspect van de ontwikkeling van het kapitaal op lange termijn en in wereldhistorisch perspectief komt in Het Kapitaal slechts naar voren wanneer Marx ingaat op de revolutie. Het Kapitaal analyseert de inherente tegenstellingen van het kapitalisme, en nauwelijks de wijze waarop deze tijdelijk overwonnen kunnen worden door de uitbreiding van de kapitalistische wereldmarkt:

In de beschrijving van het zakelijk worden van de productieverhoudingen en hun verzelfstandiging tegenover de productie-agenten gaan we niet in op de wijze waarop de verbanden door de wereldmarkt, zijn conjuncturen, de beweging van de marktprijzen, de afwisseling van prosperiteit en crisis, hen als oppermachtige, hen willoos beheersende natuurwetten verschijnen en zich tegenover hen als blinde noodzaak opwerpen. Daarom niet omdat de werkelijke beweging van de concurrentie buiten onze opzet valt en wij van plan zijn slechts de interne organisatie van de kapitalistische productiewijze zogezegd in haar ideale doorsnede te schetsen. 11

Luxemburg heeft daarentegen in 1913 in Die Akkumulation des Kapitals het imperialisme, de uitbreiding van het kapitalisme over niet-kapitalistische gebieden, juist centraal gesteld. Daarom moest zij allereerst de theoretische vooronderstellingen van Het Kapitaal verduidelijken:

Wij hebben gezien dat Marx concludeert en bewust als theoretische vooronderstelling van zijn analyse in alle drie banden van Het Kapitaal uitgaat van de algemene heerschappij van de kapitalistische productiewijze die in zichzelf voldoende basis heeft (…). Deze vooronderstelling is een theoretische noodgreep – in werkelijkheid bestond en bestaat nergens een op zichzelf baserende kapitalistische maatschappij met exclusieve heerschappij van de kapitalistische productie.12

Rosa Luxemburg bekritiseert Marx’ abstractie van de wereldmarkt, waar deze een belemmering vormt voor, zo zegt ze in het voorwoord bij Die Akkumulation, de beschrijving van de objectieve historische beperking van de kapitalistische productie en de praktijk van de tegenwoordige imperialistische politiek en haar economische wortels. Daartoe concentreert ze zich op de reproductie van het totaal-maatschappelijke kapitaal op hoger niveau in band II van Het Kapitaal. Ik laat deze ingewikkelde (en omstreden!) economische materie hier terzijde om me te richten op de belangrijkste sociale, politieke en historische aspecten van Luxemburgs imperialisme-theorie:

Op het moment dat Marx’ schema van de uitgebreide reproductie beantwoord aan de werkelijkheid, toont het de afloop, de historische grens van de kapitalistische accumulatie aan, dus het einde van de kapitalistische productie. (…) Daaruit volgt de tegenstrijdige beweging van de laatste, imperialistische fase als de slotperiode van de historische ontwikkelingsbaan van het kapitalisme. (Idem blz. 364).

Rosa Luxemburg schrijft in 1913, één jaar voor het uitbreken van de Wereldoorlog Daarmee is niet gezegd dat dit eindpunt pedant bereikt moet worden. Alleen al de tendens tot dit eindpunt van de kapitalistische ontwikkeling uit zich in vormen die de slotfase van het kapitalisme tot een periode van rampen maken.” (Idem blz. 392). Ze voorspelt niet een objectief einde van het kapitalisme zodat de arbeidersklasse met gekruiste armen zou kunnen afwachten. De rampen die het kapitaal met zich meebrengt zou ”de rebellie van de internationale arbeidersklasse tegen de heerschappij van het kapitaal noodzakelijk maken, zelfs voordat zij economisch op haar natuurlijke zelfgeschapen grens is gestoten.” (Idem blz. 411).

Vijf jaar later, nadat Eerste Wereldoorlog ongekende slachtingen had aangericht en terwijl Europa in puin lag, moet Rosa Luxemburg vaststellen dat de burgerlijke klassenheerschappij haar bestaansrecht heeft verspeeld. 13 In het partijprogramma van de Spartakusbund, midden in de Duitse Revolutie, verwijst Rosa Luxemburg naar een passage in het Communistisch Manifest:

Boven de ineenstortende muren van de kapitalistische maatschappij gloeien als een vurig menetekel de woorden van het Communistisch Manifest: Socialisme of ondergang in het barbarendom!14

Nu is deze uitspraak nergens letterlijk terug te vinden in het Communistisch Manifest. Marx en Engels schrijven: “De maatschappij vindt zich plotseling teruggezet in een toestand van ogenblikkelijke barbaarsheid”, veroorzaakt door de periodieke handelscrises. Marx en Engels geven ook aan – zie boven – dat deze crises in het kapitalisme kunnen worden overwonnen door uitbreiding van het kapitalisme op wereldschaal. Rosa Luxemburg concludeert daaruit dat zodra de tegenstelling tussen productiekrachten en –verhoudingen er een op wereldschaal is geworden, deze tegenstelling onoplosbaar is geworden. De progressieve periode van het kapitalisme is dan voorbij en de periode van de sociale revolutie is aangebroken:

De wereldoorlog heeft de maatschappij voor het alternatief geplaatst: ofwel voortduren van het kapitalisme, nieuwe oorlogen en spoedige ondergang in de chaos en anarchie of afschaffing van de kapitalistische uitbuiting.
Met het einde van de wereldoorlog heeft de burgerlijke klassenheerschappij haar bestaansrecht verspeeld. Ze is niet meer in staat de maatschappij uit de afschuwelijke economische ineenstorting te leiden die de imperialistische orgie heeft achtergelaten. (…)
Alleen de wereldrevolutie van het proletariaat kan in deze chaos orde scheppen (…). (Idem blz. 442/443).

Na de op instigatie van de SPD-regering gepleegde moorden op Luxemburg en Liebknecht in 1919 komt de partijleiding in handen van Paul Levi. In 1920 wordt de meerderheid van de KPD(S) vanwege haar standpunten tegen deelname aan verkiezingen en tegen tot staatsorgaan geworden vakbeweging door de minderheid (!) uit de partij gestoten. De uitgestoten meerderheid vormt de KAPD, en haalt in haar oprichtingsprogramma Rosa Luxemburgs uitspraak Socialisme of barbarendom aan en maakt uitdrukkelijk de Eerste Wereldoorlog tot grens tussen de progressieve periode en de periode van de sociale revolutie:

Tegenwoordig betreft het niet een in een conjunctuurcyclus optredende economische crisis die eigen is aan de kapitalistische productiewijze. Het is de crisis van het kapitalisme zelf die zich als een menetekel van de burgerlijke maatschappij aankondigt (…) 15

Maar Marx had in het Manifest slechts gesproken van een periode van sociale revolutie in verband met de periodieke crises.

In de Duitse en Hollandse Communistische Linkerzijde hanteerde men verschillende economische verklaring het aanbreken van deze historische omslag van het imperialisme, die van de verzadiging van de markten van Luxemburg of die van de daling van de winstvoet van Grossmann/Mattick. Daarmee werd het imperialisme gekoppeld het bestaan van een verval- of neergangsperiode van het kapitalisme, die ook die van de sociale revolutie zou zijn. Deze koppeling werd algemeen gedeeld door de Komintern en de Italiaanse Communistische Linkerzijde.

  • De enige uitzondering was Anton Pannekoek. Pannekoek zich altijd heeft verzet tegen het idee van een mechanische of puur economische ineenstorting van het kapitalisme. Daartoe haalde hij de theoretische onderbouwing van zowel de crisistheorie van Luxemburg als de latere van Grossmann/Mattick onderuit. Pannekoek verwachtte dat het kapitalisme zich uit elke periodieke crisis kon redden. Een einde zou pas bereikt worden met het uitputten van de grondstoffen, of “waarschijnlijker” het ontbreken van een industrieel reserveleger bij de kapitalistische ontwikkeling van Azië. Beide verschijnselen hebben zich niet voorgedaan; wel de al door Pannekoek aangeklaagde vernietiging van de natuur.16 Ook kende het imperialisme volgens Pannekoek geen economische oorzaken. Volgens hem was het imperialisme het resultaat van de dominantie van het grootkapitaal in ijzer en staal, gecombineerd met de macht van de banken, opgelegd aan gehele kapitaal.17
    Pannekoek koppelt op die manier het tijdperk van het imperialisme los van het bestaan van een vervalperiode van het kapitalisme, en/of het aanbreken van een langdurige periode van sociale revolutie. Opgemerkt dient te worden dat het kapitalisme tot nu toe niet ten onder is gegaan aan verzadiging van de wereldmarkt, noch aan de tendentiële daling van de winstvoet.

Maar laten we terugkeren naar het onderwerp van dit artikel. Luxemburgs opvatting van imperialisme komt duidelijk naar voren in Richtlijnen over de taak van de Internationale Sociaaldemocratie. 1915-1916:

IX. Het imperialisme als de laatste fase en hoogste ontplooiing van de politieke wereldheerschappij van het kapitaal is de gemeenschappelijke doodsvijand van het proletariaat van alle landen. Maar het deelt met de vroegere fasen van het kapitalisme het lot de krachten van zijn doodsvijand in dezelfde mate te versterken als het zichzelf ontplooit. Het bespoedigt de concentratie van het kapitaal, de onderwerping van de middenstand, de uitbreiding van het proletariaat, wekt het groeiende verzet der massa’s en leidt aldus tot de intensieve verscherping van de klassentegenstellingen. Tegen het imperialisme moet de proletarische klassenstrijd in vredestijd zowel als in oorlogstijd in de eerste plaats geconcentreerd worden. De strijd tegen hem is voor het internationale proletariaat tevens de strijd om de politieke macht in de staat, de beslissende worsteling tussen socialisme en kapitalisme. Het socialistische einddoel wordt door het internationale proletariaat slechts verwezenlijkt doordat het tegen het imperialisme over de gehele linie front maakt en de leuze “Oorlog aan de oorlog” onder het gebruik van zijn volle kracht en de uiterste offervaardigheid tot richtlijn van zijn praktische politiek maakt.18

Lenin en Luxemburg waren het globaal eens in de karakterisering van het imperialisme als de laatste fase en hoogste ontplooiing van de politieke wereldheerschappij van het kapitaal. Maar Lenin bleef vasthouden aan de theoretische mogelijkheid van nationale oorlogen. Dit komt terug in zijn kritiek op Luxemburgs stelling 5 van dezelfde Richtlijnen in het volgende fragment, waarin duidelijk zijn opvatting naar voren komt dat sommige landen imperialistisch zijn, en andere – in bepaalde omstandigheden – niet:

De eerste van Junius’ onjuiste vooronderstellingen is te vinden in stelling nr. 5 van de Internationale Groep: “In het tijdperk (era) van dit ongebreidelde imperialisme kunnen er geen nationale oorlogen meer zijn. Nationale belangen dienen slechts als een instrument van misleiding, om de massa’s van het werkende volk in dienst te stellen van hun doodsvijand, het imperialisme….” Dit postulaat is het einde van stelling nr. 5, waarvan het eerste deel gewijd is aan de beschrijving van de huidige oorlog als een imperialistische oorlog. De afwijzing van nationale oorlogen in het algemeen kan ofwel een vergissing zijn, ofwel een toevallige over-accentuering van het volkomen correcte idee dat de huidige oorlog een imperialistische oorlog is en geen nationale oorlog. Maar aangezien het tegendeel waar kan zijn, aangezien verschillende sociaal-democraten ten onrechte alle nationale oorlogen verwerpen omdat de huidige oorlog ten onrechte als een nationale oorlog wordt voorgesteld, zijn wij verplicht deze vergissing aan te pakken.

Junius heeft volkomen gelijk wanneer hij de beslissende invloed van de “imperialistische achtergrond” van de huidige oorlog benadrukt, wanneer hij zegt dat achter Servië Rusland staat, “achter het Servische nationalisme staat het Russische imperialisme”; dat zelfs als een land als Nederland zou deelnemen aan de huidige oorlog, ook dit een imperialistische oorlog zou voeren, omdat, ten eerste, Nederland haar koloniën zou verdedigen, en, ten tweede, het een bondgenoot zou zijn van een van de imperialistische coalities. Dit is onbetwistbaar met betrekking tot de huidige oorlog. En wanneer Junius bijzondere nadruk legt op wat voor hem het belangrijkste punt is: de strijd tegen het “fantoom van de nationale oorlog, dat op het ogenblik de sociaal-democratische politiek beheerst” (p. 81, Junius’ pamflet), kunnen we niet anders dan instemmen met zijn redenering, die juist en zeer toepasselijk is.

Maar het zou een vergissing zijn deze waarheid te overdrijven; af te wijken van de marxistische regel om concreet te zijn; de beoordeling van de huidige oorlog toe te passen op alle oorlogen die onder het imperialisme mogelijk zijn; de nationale bewegingen tegen het imperialisme uit het oog te verliezen. Het enige argument dat kan worden gebruikt ter verdediging van de stelling: “er kunnen geen nationale oorlogen meer zijn”, is dat de wereld is verdeeld onder een handvol “grote” imperialistische mogendheden, en dat daarom elke oorlog, ook al begint hij als een nationale oorlog, wordt omgezet in een imperialistische oorlog en de belangen raakt van een van de imperialistische machten of coalities (p. 81 van Junius’ pamflet).19

Dit argument, dat de wereld vanaf de Eerste Wereldoorlog is verdeeld in invloedssferen van kapitalistische staten, is inderdaad een vitaal onderdeel van de opvatting van zowel Rosa Luxemburg, als van Gorter en Pannekoek, dat het imperialisme een politiek van alle staten is. Lenin houdt daarentegen de theoretische mogelijkheid open dat bepaalde naties in hun nationale bevrijdingsstrijd kunnen ontsnappen aan deze verdeling van de wereld door het imperialisme.

Anton Pannekoek en het imperialisme

Pannekoeks opvatting van het imperialisme is te vinden in De ineenstorting van de Internationale, in het Nederlands verschenen in augustus 1914, met vertalingen in het Duits en het Engels. Het was de allereerste tekst van de voormalige linkse oppositie binnen de sociaal-democratie. In deel III van dit artikel omschrijft Pannekoek het imperialisme als “de politiek en de ideologie van het moderne grootkapitalisme” die de gehele bourgeoisie hebben veroverd en tot diep in de arbeidersklasse zijn invloed doen gelden.20

Lenin nam enthousiast kennis van het artikel, niet zozeer vanwege Pannekoeks opvatting van het imperialisme, maar omdat het de dood van de Tweede Internationale en de noodzaak van een nieuwe, een Derde Internationale naar voren bracht. Lenin schreef over Pannekoeks artikel op 27-10-1914 aan Schljapnikow:

Zijn woorden dat het ‘geen betekenis meer heeft’, wanneer nu de ‘leiders’ van de door de opportunisten en door Kautsky ten dode gebrachte Internationale bijeenkomen, en proberen de breuk te ‘lijmen’ – deze woorden zijn de e n i g e socialistische woorden. Dat is de waarheid. Bitter, maar de waarheid. En de arbeiders hebben nu meer dan ooit de waarheid nodig, de hele waarheid, en geen smerige diplomatie, geen lichtvaardig ‘aaneenplakken’, geen verdekken van het kwaad door gummiresoluties. 21

Opvallend genoeg spreekt Lenin in deze brief verder alleen van het ‘verraad’ van Kautsky, van Troelstra, met hun overgang naar de “vaderlandsverdediging”. Pannekoek gaat in zijn artikel daarentegen in op de oorzaken van dit “verraad” door de leiders, de achterhaaldheid van de parlementaire en vakbondstactieken, op de nieuwe tactieken van de massabewegingen, de noodzaak van het zelf optreden van de massa’s:

De nu aanbrekende periode in de arbeidersbeweging zal de periode van de massa’s en haar acties zijn. Uit de nieuwe kapitalistische wereld, die uit de oorlog zal ontstaan, met haar geweldiger ontwikkeling, haar fellere klassentegenstellingen, haar zwaardere druk op de massa’s moet deze strijd opkomen. Misschien zal eerst de bourgeoisie nog pochend zegepralen, zal het proletariaat machtelozer, het socialisme zwakker schijnen dan tevoren, evenals toen na 1871 de toen nieuwe methode uit klein begin hier en daar moest opgroeien; misschien ook zal dadelijk de nieuwe strijd, spontaan en half onbewust, uit de oorlogsellende opkomen. Maar zeker zal het proletariaat opnieuw de strijd beginnen, anders, forser, met nieuwer wetenschap en inzicht, in reusachtiger bewegingen het kapitalisme ondermijnend. Dan zal de nieuwe Internationale opkomen, vaster, dieper, geweldiger, socialistischer dan die, welke nu ineenstortte. Op de puinhopen, hoog boven de vlammen van de verschrikkelijke wereldbrand, heffen wij, revolutionaire sociaaldemocraten, de banier van het nieuwe, komende internationalisme omhoog.22

Dit verschil tussen Lenin en Pannekoek zou in 1920 tot uitbarsting komen in de strijd van de KAPD voor massa-actie tegen de ‘leiders-tactieken’ die de bolsjewieken via de Derde Internationale oplegden aan de aangesloten communistische partijen van andere landen. Deze leiders-tactieken gingen uit van het voortzetting van de oude sociaal-democratische strijdmiddelen, maar dan onder andere, onder bolsjewistische leiding.

In de Engelse versie van hetzelfde artikel De ineenstorting van de Internationale dat Pannekoek publiceerde in het New Yorkse tijdschrift The New Review, is in hetzelfde deel III een wat andere versie van zijn omschrijving van het imperialisme te vinden. Imperialisme is hier de politiek en de theorieën die de geest en het karakter van het moderne kapitalisme samenvatten. Dan volgt net als in de Nederlandse versie een beschrijving van wat we ook wel kolonialisme noemen, waarvan de ontwikkeling uitloopt op de volgende situatie:

Elke regering streeft ernaar een zo groot mogelijk deel van de aarde te veroveren of te controleren voor haar bourgeoisie, zodat zij in staat is de belangen van haar kapitaal daar te beschermen. Elke regering streeft er daarom naar om de grootst mogelijke hoeveelheid wereldmacht te verkrijgen en bewapent zich tegen de anderen om zijn eisen zoveel mogelijk gewicht te geven en de anderen te dwingen haar aanspraken te erkennen. Zo zien we elke Europese natie er naar streven om het middelpunt te worden van een wereldrijk bestaande uit kolonies en invloedssferen. Deze politiek van “imperialisme” beheerst tegenwoordig in meer of mindere mate, het politieke leven van van alle naties en de mentale houding van de bourgeoisie.23

Pannekoek laat na om uit te leggen dat de Europese naties in hun afzonderlijke streven naar een koloniaal imperium, uiteindelijk in 1914 met elkaar in Europa zelf een inter-imperialistische oorlog aangingen. Lenin zal ingestemd hebben met de bewering dat het imperialisme een politiek is van het groot-kapitaal en van de Europese naties. Pannekoek gaat niet in op de vraag die Lenin zich stelde, of bepaalde naties konden ontsnappen aan de imperialistische politiek. Het was Herman Gorter die op dit belangrijke punt meer duidelijkheid schiep.

Herman Gorter en het imperialisme

In het eerste hoofdstuk van zijn in 1914 in Nederland verschenen brochure Het imperialisme, de wereldoorlog en de sociaaldemocratie, schetst Gorter hoe uit het kolonialisme zich het imperialisme ontwikkelt.

In tegenstelling tot de vroegere koloniale politiek, die het voornamelijk om de handel te doen was, wil het moderne kapitalisme ook export van kapitaal en van productiemiddelen om de vreemde landen kapitalistisch te exploiteren, d.w.z. om de bodem te onteigenen en de inwoners tot proletariërs te maken. Dit maakt de politieke beheersing van die landen noodzakelijk.
Het eerste ontwaken van het nieuwe imperialisme, zijn eerste daad, was de bezetting van Egypte door Engeland. Daarna kwam de oorlog van Japan tegen China, Japan verovert Korea, van Amerika tegen Spanje, Amerika neemt Cuba en de Filippijnen, die van de Engelsen tegen de Boeren, de expedities van Europa tegen China, de oorlog van Japan tegen Rusland.
Intussen was de wereld verdeeld. Er bleef zo goed als geen vrij land meer over zelfs in Afrika niet.
Toen barstten achter elkaar de crisissen los. De mogendheden wilde elkaars bezit.

Gorter wijst er op dat alle grote staten die deelnemen aan verovering en beheersing van de koloniën en van de zee, met elkaar verbonden hebben gesloten die in de Wereldoorlog tegenover elkaar staan. Dat betekent dat het onzin is om te spreken van een verdedigingsoorlog zoals alle burgerlijke en sociaaldemocratische partijen en bladen doen om hun eigen deelname aan de oorlog mooier te doen voorkomen als het is. 24

Lenin ontving in Zwitserland kort na het verschijnen van Het Imperialisme … een exemplaar, dat hij met een Duits-Nederlands woordenboek probeerde te begrijpen. Volgens zijn eigen zeggen was dat voor 30 tot 40% geslaagd. In mei 1915 schreef Lenin:

Duizend keer gelijk heeft de Marxist Gorter wanneer hij in zijn in Nederland verschenen brochure Het imperialisme, de wereldoorlog en de sociaaldemocratie de “radicalen” van het slag Kautsky vergelijkt met de liberalen van het jaar 1848, die in woorden dapper, maar in hun daden verraders waren.25

Net als ten aanzien van Pannekoeks artikel De ineenstorting van de Internationale, is Lenin’s enthousiasme vooral te verklaren uit de veroordeling door Pannekoek en Gorter van het “verraad” van Kautsky en soortgelijke leiders. Een veroordeling waaraan Gorter’s brochure vele pagina’s besteedt, evenals als overigens aan de revolutionaire massa-actie die Gorter stelt tegenover de leiderspolitiek:

De revolutionaire massa-actie “betekent dat de massa eindelijk ontwaken gaat. Het betekent dat zij zonder leiders, of zonder veel betekenis der leiders gaat handelen. Het betekent dat wij een stap doen zo groot als de arbeidersklasse nog nimmer deed. Het betekent dat wij zeer dicht ons einddoel naderen.
Er is geen andere weg voor het proletariaat naar het socialisme.
De massa moet zelf gaan handelen, moet komen. De ontwikkeling van het kapitalisme tot trust, grootbank en imperialistisch parlement en regering wil het. Het kan niet anders.
En de massa is dan ook al gekomen in de laatste tientallen jaren, sinds het imperialisme kwam.
In Zweden, in Noorwegen, in Denemarken, in Engeland, in Holland, Frankrijk en België, in Italië en Spanje, in Oostenrijk en Rusland heeft het proletariaat zelf, door algemene en massastakingen, door protest en demonstratie en dwangstakingen, door economische en politieke stakingen, door stakingen van gehele arbeidersbevolkingen en van gedeelten daarvan, getoond dat het de nieuwe ontwikkeling heeft gevoeld.” 26

Het duurt tot 1916 voordat Lenin in een voetnoot bij het artikel De socialistische revolutie en het recht der naties op zelfbeschikking kritiek op Gorter uitoefent omdat deze in zijn ‘prachtige’ Imperialisme-brochure het principe van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren afwijst:

In enkele kleine staten, die buiten de oorlog van 1914-1916 zijn gebleven, bv. in Holland, Zwitserland, buit de burgerij krachtdadig de leuze van de “zelfbeschikking der naties” uit om het deelnemen aan de imperialistische oorlog te rechtvaardigen. Dit is een der motieven, die de sociaaldemocratie van zulke landen naar het afwijzen van de zelfbeschikking der naties drijven. De juiste proletarische politiek, namelijk het afwijzen van de “vaderlandsverdediging” in de imperialistische oorlog, verdedigen zij met ondeugdelijke argumenten. Dit loopt in de theorie uit op een verdraaiing van het marxisme en in de praktijk op een soort van klein-nationale bekrompenheid: het vergeten van de naties met honderden miljoenen aan bevolking, die door de naties der “grote mogendheden” in slavernij worden gehouden. Kameraad Gorter heeft ongelijk, als hij in zijn uitstekende brochure: “Het Imperialisme, de Wereldoorlog en de Sociaaldemocratie” het beginsel van de zelfbeschikking der naties afwijst, maar hij past het op juiste wijze toe, als hij de onmiddellijke “politieke en nationale onafhankelijkheid” van Nederlands-Indië eist en de Hollandse opportunisten ontmaskert, die weigeren deze eis te stellen en ervoor te strijden. 27

Hierbij moet worden opgemerkt dat Gorter met de eis van onafhankelijkheid van Holland, niet het proletariaat van Nederlands-Indië opriep om zijn ‘eigen’ nationale bourgeoisie te steunen. De latere geschiedenis heeft ook aangetoond dat Soekarno als de leider van de nationale zelfbeschikking van Indonesië in de Tweede Wereldoorlog imperialistische politiek bedreef door de kant van Japan te kiezen, dat tijdens zijn bezetting van Indonesië de uitbuiting en onderdrukking van de Indonesische proletariërs en arme boeren intensiveerde.

In hetzelfde artikel, in stelling 6, onderscheidt Lenin drie typen van landen ten opzichte van het zelfbeschikkingsrecht der naties:

  1. De voornaamste kapitalistische landen van West-Europa en de Verenigde Staten van Amerika. Hier zijn de burgerlijk vooruitstrevende nationale bewegingen reeds lang geleden afgesloten.
  2. Oost-Europa: Oostenrijk, de Balkan en in het bijzonder Rusland. Hier heeft juist de 20-ste eeuw in het bijzonder de burgerlijk-democratische nationale bewegingen ontwikkeld en de nationale strijd verscherpt.
  3. De half-koloniale land en als China, Perzië, Turkije en alle koloniën met een gezamenlijke bevolking van ongeveer duizend miljoen. Hier zijn de burgerlijk-democratische bewegingen gedeeltelijk nauwelijks begonnen, gedeeltelijk verre van voltooid.

Dit onderscheid speelt echter geen rol in Lenins houding in de Eerste Wereldoorlog; Lenin wil slechts een theoretische mogelijkheid openhouden die volgens Gorter door de ontwikkeling van het imperialisme gepasseerd is. Dat wil niet zeggen dat Gorter, ontkent dat in Oost-Europa nationale bewegingen aanwezig zijn, of dat in de half- of geheel koloniale landen nationale bevrijdingsbewegingen kunnen ontstaan. Evenmin beweert Gorter dat in alle landen de doeleinden van de burgerlijke revolutie zijn bereikt. Het punt is, zoals we al gezien hebben in de door Lenin aangegeven in zijn kritiek op Junius/Luxemburg: dat de wereld is verdeeld onder een handvol “grote” imperialistische mogendheden, en dat daarom elke oorlog, ook al begint hij als een nationale oorlog, wordt omgezet in een imperialistische oorlog en de belangen raakt van een van de imperialistische machten of coalities.

In Gorters woorden:

(…) het imperialisme op, het streven van alle machtige naties om hun gebied uit te breiden. Het imperialisme dat, schijnbaar met nationale tendens, schijnbaar een strijd voerend tegen het proletariaat van zijn natie, inderdaad doordat alle staten imperialistisch zijn, alle elkaar bekampen en alle strijden om de wereldmacht, als een geheel strijd voert tegen het gehele proletariaat.
En als antwoord daarop, op die eerste gezamenlijke actie van het wereldkapitaal tegen het wereldproletariaat, moet nu de eerste internationale actie van het proletariaat beginnen.28 (
Vet door F.C.)

Lenin wilde de mogelijkheid van nationale zelfbeschikking open houden met het idee het Russische Tsarisme te verzwakken dat zijn rijk regeerde als een volkerengevangenis. Daarnaast beschouwden Lenin en Trotski de revolutie in Rusland als een burgerlijke revolutie voltrokken door het proletariaat, of beter gezegd, de partij van het proletariaat. Ze ontleenden dit idee aan uitlatingen van Marx over de revolutie van 1848 in Duitsland, o.a. in het Communistisch Manifest.29

Inmiddels zijn we ruim 100 jaar verder. Na de Eerste Wereldoorlog volgden – zoals Pannekoek en Gorter voorspelden – een Tweede. Daarna zagen we de Koude Oorlog en de proxy-oorlogen die grote mogendheden sindsdien met elkaar voeren via andere landen en nationale bevrijdingsbewegingen. Elke zogenaamde ‘nationale’ oorlog, elke nationale bevrijdingsoorlog, is gebleken een inter-imperialistische oorlog te zijn die grote mogendheden met elkaar voeren via kleinere staten en bewegingen die staten willen worden. Laatste beginnen al voor de open strijd uitbarst om hun ‘volk’, en vooral de arbeidersklasse, ondergeschikt te maken aan het nationale kapitaal, van het heffen van belastingen tot militarisering en de dood. Niet pas tijdens het verloop van de strijd, al bij voorbaat verzekeren zij zich van de financiële en militaire steun van grotere staten in ruil voor het dienen van hun onmiddellijke en toekomstige belangen. Ook dat is imperialistische politiek, het imperialisme van de ‘onderdrukte naties’, de aanpassing aan de verdeling van de wereld in kapitalistische invloedssferen en het streven om in elke conflict de eigen kapitalistische belangen veilig te stellen. Het imperialisme is de politiek van alle staten en van alle staten in oprichting, en niet slechts van bepaalde overheersende staten. Het zijn vooral de Trotskisten, Stalinisten en Maoïsten die ondanks een eeuw aan ervaring met het arbeidersvijandige karakter van de ‘onderdrukte naties’ vasthouden aan Lenins talloze onderscheidingen in onderdrukkende landen en onderdrukte naties, in imperialistische en niet-imperialistische landen.

Maar ook degenen die hun theorie baseren niet op dit linksburgerlijke ‘Leninisme’, of die zich zelfs uitdrukkelijk anti-Leninistisch noemen en tegelijkertijd uit willen gaan van wat arbeiders of het (gewone) volk op een bepaald moment denken en doen, moeten zich ten aanzien van de huidige oorlog in Oekraïne in allerlei bochten wringen in een poging om te bepalen welk land de agressor is, en welk zich verdedigt, welk volk recht heeft op zelfbeschikking en welk niet, en wat deze zelfbeschikking met zich meebrengt, wat de diplomatieke, financiële, militaire steun betekent van niet direct in de oorlog betrokken landen, vooral ook de politiek van het ‘eigen’ land, wat annexatie betekent, wat neutraliteit is, zelfs wat vrede inhoudt. Ook deze individuen en groepen zijn toegankelijk voor allerlei ‘concrete’ en subtiele analyses van verschillen tussen landen. Ze vinden misschien een internationalistische stellingname op basis van de standpunten Luxemburg, Pannekoek en Gorter in de Eerste Wereldoorlog ‘simplistisch’. Dat geldt vooral voor arbeideristische groepen Duitsland, het land van de ‘aanschouwende’ theorie en de ‘kritische kritiek’. Degenen die dit bezwaar van simplisme maken, verwijs ik kortheidshalve naar de eveneens uiterst concrete en subtiele analyses die Gorter in zijn brochure maakte van de imperialistische politiek van allerlei landen in de Eerste Wereldoorlog. Op deze plaats wil ik de lezer niet overladens met een weergave daarvan.

Lenin en het imperialisme als hoogste stadium

Voor Lenin ontbrak het de bolsjewiki aan een theorie van het imperialisme die twee verschillende doelen kon dienen:

  1. Een afwijzing van de vaderlandsverdediging in de Eerste Wereldoorlog
  2. Het gebruik van het zelfbeschikkingsrecht der naties specifiek ter verzwakking van het Tsarisme, algemeen de verzwakking van de grootmachten.

Met dit doel schreef Lenin in het voorjaar van 1916 in Zwitserland Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme. Een populaire verhandeling. Het verscheen pas medio 1917 in boekvorm in Petersburg. Bij het schrijven hield Lenin rekening met de Tsaristische censuur, zodat in deze tekst geen duidelijke uitspraken zijn te vinden over de Wereldoorlog. Hij onderbouwt zijn standpunten voornamelijk met uitspraken van burgerlijke theoretici over de tendens tot de vorming van kartels en monopolies. De daaruit voortgekomen absolute tegenoverstelling van een periode van vrijheidslievend privé-kapitalisme en een daarop volgend stadium van overheersend en parasitair monopoliekapitalisme, probeert Lenin tevergeefs af en toe te relativeren. Dat houdt hem echter niet af van een ‘dialectische’ tovertruc waarmee Lenin – overigens geheel onbewust – tegemoet komt aan derde, een in de toekomst gelegen doel van het bolsjewisme:

  1. Het staatmonopolistisch kapitalisme als grondslag van het ‘socialisme’, in feite staatskapitalisme onder leiding van de partij.

In hoofdstuk VII is als samenvatting van het voorafgaande de volgende formulering te vinden die dit derde doel dient:

Het wordingsproces van het imperialisme bestond uit een rechtstreeks voortzetten en ontwikkelen van de fundamentele hoedanigheden van het kapitalisme. Maar dit werd eerst kapitalistisch imperialisme op een bepaalde, zeer hoge trap van zijn ontwikkeling, toen enige van zijn fundamentele hoedanigheden in hun tegendeel omsloegen, en zich overal kentekenen voordeden van een overgangsperiode van het kapitalisme naar een hogere sociaal-economische formatie. Het economisch fundamentele in dit proces is de aflossing van de kapitalistische vrije concurrentie door het kapitalistische monopolisme.

Zoals later Jan Appel heeft aangetoond in zijn kritiek op Lenins Staat en Revolutie, heeft Lenin zijn staatskapitalistische opvattingen ontleend aan het reformisme in de Duitse sociaal-democratie, vooral de theorie van Hilferding.30 In Het imperialisme als hoogste stadium wordt verwijst Lenin herhaaldelijk naar Hilferding.31

In hoofdstuk VII wil Lenin vervolgens

“een definitie van het imperialisme geven, die de volgende vijf fundamentele kenmerken omvat:
1. Een concentratie van productie en kapitaal, die zo’n hoge trap van ontwikkeling heeft bereikt, dat zij monopolies voortbrengt die een beslissende rol in het economische leven spelen;

2. het samensmelten van bank- en industrieel kapitaal en het, op grondslag van dit “financierskapitaal” ontstaan van een financiersoligarchie;

3. de kapitaalexport krijgt in vergelijking met de warenexport, een bijzonder grote betekenis;

4. er vormen zich internationale monopolistische verbonden van kapitalisten, die de wereld onder elkaar verdelen, en

5. de territoriale verdeling van de wereld tussen de grootste kapitalistische mogendheden is voltooid.

Imperialisme is kapitalisme dat een ontwikkelingsstadium heeft bereikt, waarin de monopolies en het financierskapitaal heersen, de kapitaalexport een enorme betekenis heeft gekregen, de verdeling van de wereld tussen de internationale trusts is begonnen, en de territoriale verdeling van de aarde tussen de grootste kapitalistische landen is voltooid.”

Let wel, Lenin zegt in punt 5 dat de territoriale verdeling van de wereld is voltooid. Eerder gaf hij toe dat dit het doorslaggevende argument was voor Luxemburgs stelling: “er kunnen geen nationale oorlogen meer zijn”.32

Tevens merkt Lenin op dat dit een economische definitie is, die hij verderop zal aanvullen tot een historische definitie.33 Dat gebeurt in hoofdstuk VIII waar Lenin stelt

Een van de tekortkomingen van de marxist Hilferding is dat hij in deze kwestie een stap achteruit heeft gedaan, vergeleken bij de niet-marxist Hobson. Wij doelen op het parasitaire karakter van het imperialisme. (…) Het begrip “renteniersstaat”, of woekerstaat wordt daarom een gangbare uitdrukking in de economische literatuur over het imperialisme. De wereld is verdeeld in een handvol woekerstaten en een reusachtige meerderheid schuldenaarsstaten.34

Terwijl Hilferding de functie van het financierskapitaal in het kapitalisme van zijn tijd beschreef, voegde Lenin daaraan Hobsons negatieve waardering toe. Dat hij daarbij het monopolie-kapitalisme beschrijft in termen van haar ‘smerig-joodse verschijningsvorm’ – iets wat Marx aan Feuerbach verweet 35 – stoort Lenin in het geheel niet. Dit soort kwalificaties viel immers goed in het grotendeels antisemitische Rusland. We zien in het gebruik van termen als ‘woeker’ en ‘parasitair’ dat Lenin tegemoet wil komen aan de “reusachtige meerderheid schuldenaarsstaten”, zoals hij dat in hoofdstuk IX uitwerkt in formuleringen die door de Tsaristische censuur zouden komen. In hoofdstuk X heet het samenvattend:

Het monopolisme en de oligarchie, het streven naar heerschappij (in plaats van naar vrijheid), de uitbuiting van een steeds groter aantal kleine of zwakke naties door een handvol rijkste en machtigste naties — zijn de typische verschijnselen die ons nopen, het imperialisme als parasitair of verrottend kapitalisme te definiëren. Steeds duidelijker treedt aan de dag dat het imperialisme de tendentie heeft “renteniersstaten”, woekerstaten te doen ontstaan…

Uiteindelijk kan Lenin in hoofdstuk X zijn visionaire kijk op de plaats van het imperialisme in de geschiedenis, het stervend kapitalisme, tevens de staatskapitalistische ontwikkeling van de Sovjet-Unie, onthullen:

Wij hebben gezien dat het imperialisme economisch niets anders is dan monopolistisch kapitalisme. Dit bepaalt reeds de plaats van het imperialisme in de geschiedenis, want het monopolisme dat zich op de bodem van vrije concurrentie en uit vrije concurrentie ontwikkelt, vormt een brug tussen het kapitalisme en een hogere sociaal-economische formatie. (…)
Uit alles wat hierboven over het economische wezen van het imperialisme is gezegd, volgt dat wij dit moeten determineren als overgangskapitalisme, of juister als stervend kapitalisme. Buitengewoon leerzaam in dit opzicht is dat de burgerlijke economen die het nieuwste kapitalisme beschrijven, bij voorkeur woorden gebruiken als “verstrengeling”, “vrij van geïsoleerdheid” enz., de banken zijn “instellingen die naar taak en ontwikkeling geen zuiver privaat economisch karakter dragen, maar steeds meer uitgroeien boven de sfeer van zuiver privaatrechtelijke reglementering”. En dezelfde Riesser aan wie de laatste woorden zijn ontleend, verklaart met het ernstigste gezicht van de wereld, dat de “voorspelling” van het marxisme over de “vermaatschappelijking” zich “niet heeft verwerkelijkt”! (…)
Wanneer een groot bedrijf tot een reuzenonderneming wordt en planmatig, aan de hand van nauwkeurig geanalyseerde massa’s gegevens, de toevoer organiseert van de grondstoffen die het nodig heeft om twee derden of driekwart van een bevolking van tientallen miljoenen te kunnen voorzien; wanneer het transport van deze grondstoffen naar de — soms honderden en duizenden kilometers van elkaar liggende — voor de productie gunstigste punten wordt georganiseerd; wanneer vanuit één centrum de opeenvolgende bewerkingen van deze grondstoffen worden geregeld, tot en met de productie van een reeks uiteenlopende fabrikaten; wanneer de verdeling van deze producten onder honderden miljoenen verbruikers volgens één plan geschiedt (de afzet van petroleum in Amerika en Duitsland door de Amerikaanse “Standard Oil” trust), dan is het duidelijk, dat wij met vermaatschappelijking van de productie te doen hebben, en geenszins domweg met een “verstrengeling”. Dan is het ook duidelijk dat de privaat economische en de particuliere eigendomsverhoudingen nog slechts een bolster zijn, die niet meer overeenkomt met de inhoud en die onvermijdelijk in ontbinding moet overgaan, indien de ontbolstering kunstmatig wordt tegengehouden. Deze bolster kan betrekkelijk lang in staat van ontbinding blijven verkeren (indien de genezing van het opportunistische abces zich in het ergste geval voortsleept), maar zal toch onvermijdelijk wegvallen.36

Lenin presenteert hier een imperialisme-theorie die ondanks de door hem toegegeven verdeling van de wereld in kapitalistische invloedssferen een geheel willekeurig onderscheid mogelijk maakt tussen de ‘eigenlijke’ imperialistische landen en de door deze onderdrukte landen. Zoals gebruikelijk in zijn tijd, koppelt Lenin imperialisme aan een veronderstelde verval- of ondergangsperiode van het kapitalisme. Door productie en distributie als reeds gesocialiseerd te beschouwen in de kartels en monopolies (en de hier om redenen van censuur niet genoemde oorlogseconomie van vooral Duitsland), volstaat een beperkte socialisatie, door het vervangen van het private eigendom aan productiemiddelen door staatseigendom, om een begin te maken met een verondersteld socialisme:

… het socialisme is niets anders dan het staatskapitalistische monopolie dat ten bate van het gehele volk wordt toegepast en daardoor heeft opgehouden een kapitalistisch monopolie te zijn.37

De binnen- en buitenlandse politiek van de Sovjet-Unie en de ‘onderdrukte naties’

In haar postuum verschenen tekst De Russische Revolutie, wees Luxemburg op de rampzalige gevolgen van het recht op afscheiding van onder het Tsarisme onderdrukte naties. In plaats van zich te gedragen als trouwe bondgenoten van de revolutie in Rusland, zoals Lenin c.s. verwachtten, verbonden zij zich als doodsvijand van deze revolutie met het Duitse imperialisme. Het zelfbeschikkingsrecht der naties leverde de arbeiders van o.a. Polen en Oekraïne over aan hun eigen bourgeoisie.38 Vervolgens probeerden de bolsjewieken Polen door een militaire actie van het Rode Leger terug te winnen voor ‘hun’ Rusland. Dat mislukte. In het geval van Oekraïne lukte dat wel. Stalin zou vanaf 7-11-1917 als Volkscommissaris van Nationaliteiten met harde hand vele onafhankelijk verklaarde ‘naties’ binden aan Rusland, overigens met instemming van Lenin en Trotski.

De contrarevolutie omsingeling van het revolutionaire Rusland met een ring van kleine staten geregeerd door ultrarechts, was het eerste resultaat van het recht der naties. Om slechts een voorbeeld te noemen: het nationaal onafhankelijke Polen werd geregeerd door Józef Piłsudski, een voormalige partijgenoot van Luxemburg die tegenover haar stond in zijn stellingname voor de nationale afhankelijkheid van Polen.

Toen de bolsjewieken rond 1920 begrepen dat de Sovjet-Unie niet door een proletarische revolutie in Duitsland uit haar isolement gehaald kon worden, begonnen ze samenwerking te zoeken met de Duitse generaals. Karl Radek was tijdens de arbeidersopstand in het Ruhrgebied tegen de Kapp-putsch vanuit de gevangenis in Duitsland begonnen met het aangaan van contacten. Waarschijnlijk met instemming van Moskou, sloot de KPD zich aan bij de Akkoorden van Bielefeld, die het Rode Leger ontwapenden dat arbeiders in het Roergebied hadden gevormd. Duizenden revolutionaire arbeiders werden vervolgens afgeslacht door de Reichswehr en de Freikorpse, waaruit later het nationaalsocialisme zou ontstaan.

Voortaan pasten de bolsjewieken het recht der naties op zelfbeschikking en het onderscheid tussen imperialistische en onderdrukte landen naar willekeur toe in elke wending van de buitenlandse politiek van Rusland. Hun aanvankelijke afwijzing van het Hamburgse ‘nationaal-bolsjewisme’ dat een samenwerking met de Duitse generaals en de Sowjet-Unie ter verdediging van Duitsland tegen Frankrijk en Engeland voorstond, maakte plaats voor de aanvaarding daarvan. Plotseling ontdekte de Komintern dat het Verdrag van Versailles Duitsland tot een schulden-natie had gemaakt, onderdrukt door imperialisme van Frankrijk en Engeland. De KAPD en de GIC hebben dit verraad van het proletarisch internationalisme door de Komintern en de daarbij aangesloten communistische partijen uitgebreid gedocumenteerd. Een samenvatting voor het geval Duitsland tot aan het Hitler-Stalin Pact in de Tweede Wereldoorlog is o.a. te vinden in Rusland en de grote nederlaag van de Duitse arbeidersklasse in 1933.39

De heroriëntatie van de Russische buitenlandse politiek op het Oosten sinds 1923, is te vinden in De ontwikkeling van de buitenlandse politiek van de Sovjet-Unie.40 Deze politiek had rampzalige gevolgen voor de communisten en de revolutionaire arbeiders van China, die in 1927 massaal werden afgeslacht door de burgerlijke Kwo-Min-Tang die Moskou hen als bondgenoot had opgedrongen. Zie in bovengenoemde tekst, deel 2, de hoofdstukken Koerswisseling naar het Oosten en De afslachting van de Chinese arbeiders-revolutie.

Op het einde van de jaren 1930 stonden de GIC voor de vraag welke houding in te nemen ten opzichte van de naderende Tweede Wereldoorlog: Moeten de Europese arbeiders Rusland verdedigen? 41 Het beantwoorden van die vraag confronteerde de GIC met zijn eigen (volgens mij foutieve)42 opvatting dat de revolutie in Rusland een burgerlijke revolutie was, vergelijkbaar met de Franse Revolutie van 1792, ook al was het met enkele verschillen. In opvallende overeenstemming met Lenins opvatting in Imperialisme, het hoogste stadium, stelde de GIC dat Rusland werd …

uitgebuit door de Tsarenregering als agent van het West-Europesche kapitaal. De Russische revolutie was tegelijk een afwerpen van het schuldenjuk van dit kapitaal. Lenin en de Bolsjewiki kenden het grootkapitaal voornamelijk als een vreemde volken uitbuitend koloniaal kapitaal; daarom ging hun sympathie uit naar al die andere op dezelfde wijze uitgeplunderde volken van Azië en riepen zij deze – Perzië, China, Indië – tot strijd tegen het onderdrukkende, vooral het Engelse kapitaal op. Zo werd Rusland de voorhoede van een wereldstrijd van de koloniale of half-koloniale volken van Azië tegen het Europese koloniale kapitaal. Met deze strijd werd de strijd van de West-Europese en Amerikaanse arbeiders voor het communisme vereenzelvigd.

Tegenover deze identificatie van de strijd van de arbeiders in het Westen, en die van de arbeiders en uitgeplunderde volken in het Oosten, bracht de GIC de verschillen in karakter en doel naar voren:

  • Vernietiging van het kapitalisme en opheffing van elke uitbuiting tegenover het verjagen van het vreemde kapitalisme, om zelf uitbuiters te worden zelf de vruchten van de uitbuiting te plukken.
  • Het perfectioneren van de hoge stand van de productietechniek in de meest ontwikkelde landen door een zelforganisatie van de producerende mensen staat tegenover een eerste begin met de nieuwe techniek in de armoedige primitieve productie in bevrijde koloniale landen.
  • De overwinning van de arbeiders betekent een samensmelting van de productie en de producerende mensen tot een internationale wereldeenheid.
    Overwinningen van de Aziatische volken in hun strijd tegen het wereldkapitaal betekenen overwinningen van het nationalisme, stichting van nieuwe nationale staten.

Uit deze verschillen trok de GIC de volgende conclusie:

De arbeiders hebben al hun krachten nodig voor de eigen taak, hun eigen bevrijding en daarmee zullen ze tenslotte aan de bevrijding van de gehele wereld de grootste dienst bewijzen. Veel meer, dan wanneer zij zouden trachten, in het Oosten nieuwe uitbuitersklassen te helpen opkweken of ondersteunen.

De GIC weigerde in de Tweede Wereldoorlog partij te kiezen voor Rusland, of welk ander kamp dan ook. Dat was een van de belangrijkste redenen waarom vele ex-leden van de bij de Duitse inval in 1940 opgeheven GIC zich aansloten bij het eveneens proletarisch-internationalistische Marx-Lenin-Luxemburg Front.

Conclusie

Lenin heeft in de Eerste Wereldoorlog een proletarisch internationalistisch standpunt kunnen innemen door aanvankelijk tegenover Luxemburg te erkennen dat alle aan deze oorlog deelnemende en neutrale landen gemotiveerd werden door het veilig stellen van hun aandeel in een reeds kapitalistisch verdeelde wereld. Daarbij maakt hij het voorbehoud dat in andere situaties het recht der naties op zelfbeschikking nog steeds van toepassing kan zijn. In 1916 weet Lenin in Imperialisme, het hoogste stadium het recht op zelfbeschikking te redden met een vulgariserende uitleg van de rol van het financierskapitaal. De wereld zou zijn te verdelen in imperialistische en niet-imperialistische landen. Daarbij slaagt hij er tegelijkertijd in om het kapitalisme als in verval voor te stellen en het staatsmonopolistisch kapitalisme als socialisatie van de productiemiddelen, die slechts vragen om een bolsjewistische regering om voor socialistisch door te gaan.

Daarentegen hebben de KAPD en de GIC, en hun theoretici Gorter en Pannekoek, elk met hun eigen zwakheden, vastgehouden aan het standpunt dat de Eerste Wereldoorlog het omslagpunt was naar het imperialisme als de blijvende politiek van alle staten – ook staten in oprichting – om hun eigen arbeidersklasse in te zetten in de bloedige strijd voor de herverdeling van de wereld. Imperialisme is het zoeken van alle grotere en kelinere nationale kapitalen naar een manier om de best mogelijke ruimte voor zichzelf te scheppen, op de enige manier waarop dit mogelijk is in een kapitalistisch verdeelde wereld, namelijk door het aangaan van economische en militaire bondgenootschappen met andere, kleinere of grotere nationale kapitalen.

Lenins theorie van het imperialisme kan worden gebruikt – en is ook gebruikt – om zowel Rusland, als Oekraïne, zowel Oekraïne als de afgesplitste Donbas-republieken, zowel de VS als de NAVO- en EU landen, zowel China als Rusland, kortom alle landen te verdedigen als slachtoffer van het imperialisme of wel als zelf imperialistisch.

De imperialisme-theorie van de Duits-Nederlandse communistische linkerzijde, waarvoor Gorter in zijn brochure van 1914 de grondslag legde, maakt het mogelijk om het proletarisch internationalisme sinds de Eerste Wereldoorlog eenduidig toe te passen op de slachting die nu zich dagelijks in Oekraïne voltrekt:

  • De oorlog in Oekraïne het resultaat van de verdeling van de wereld in kapitalistische invloedssferen.
  • Rusland en Oekraïne nemen direct deel aan de oorlog. Alle andere landen nemen indirect deel. De machtigste landen op de achtergrond zijn de Verenigde Staten en China, die zich als ondergaande en opkomende economische wereldmacht wapenen voor een Derde Wereldoorlog. Alle landen, ook de minder machtige, zijn imperialistisch. Ze proberen het maximale te halen uit de kapitalistische herverdeling van de wereld die het resultaat is van deze oorlog in Oekraïne en de interimperialistische oorlogen die er op zullen volgen.
  • De ‘verdediging van het eigen volk‘ waartoe zowel Rusland als Oekraïne oproepen is slechts de leuze waarmee zij de arbeiders van hun landen oproepen elkaar af te slachten voor belangen van het kapitaal.
  • Voor de arbeidersklasse van alle landen geldt: de vijand staat in eigen land, (klasse-)oorlog aan de (inter-imperialistische) oorlog, geen klassenvrede maar voortzetting van de arbeidersstrijd tot de revolutie, ook al leidt dit tot nederlaag van het ‘eigen’ land in de oorlog (revolutionair defaitisme), omvorming van de imperialistische oorlog tot de proletarische wereldrevolutie.

Amsterdam, 8-4-2022

Nawoord

Na de publicatie van bovenstaand artikel kreeg ik een reactie op het fragment waar in de tekst staat dat er sinds WO1 geen ‘nationale oorlogen’ zijn geweest. Dit fragment kan verkeerd worden opgevat als een ontkenning van de realiteit van de vorming van nieuwe nationale staten. Uiteraard zijn er sinds 1914 wel degelijk nieuwe staten ontstaan. Het punt is dat deze staten zijn gevormd in de allesbepalende en onomkeerbare context van het kapitalistisch imperialisme. Geen van deze nieuwe staten vertegenwoordigde wat er gebeurde in de periode vóór 1914: in nationale oorlogen werden de belangen van het zich ontwikkelende kapitalisme tegenover de pre-kapitalistische verhoudingen van het verleden gesteld.
Een nationale oorlog is een oorlog voor de verdediging van een natie of voor haar historische opkomst. In de imperialistische periode verloor een nationale oorlog niet zijn nationale kenmerken, maar deze werden bepaald door het imperialistische karakter van de kapitalistische overheersing van de wereld.
Wanneer na de Eerste Wereldoorlog naties de overwinning behaalden in een nationale oorlog (en zelfs in schermutselingen en pacten, het waren niet allemaal uitsluitend oorlogen), was wat won niet het kapitalisme over het voor-kapitalistische verleden, maar de ene burgerlijke partij tegen de andere, alles binnen het kapitalistische imperialisme.
Het kan verwarrend zijn te verklaren dat er na de Eerste Wereldoorlog geen nationale oorlogen zijn geweest. Het sociaal-historische karakter ervan is veranderd omdat het imperialisme die verandering onherroepelijk heeft bepaald.
Omdat het bolsjewisme dit niet begreep, veroordeelde het zichzelf tot de beruchte Leninistische politiek van het verdedigen van een of andere nationalistische bourgeoisie, die het beschreef als progressief en niet-imperialistisch – anti-imperialistisch was de term die zij bedachten – maar Rosa, Gorter en Pannekoek hadden het bij het rechte eind. Bordiga en co. niet, ze namen een paar stappen vooruit, maar het kostte hen veel tijd om het duidelijker te zien, in een poging om een excuus te vinden voor Lenin en co.

F.C. 9-5-2022

Noten

1 Om de lezer niet onnodig te vermoeien, blijft het verdere gebruik van aanhalingstekens grotendeels achterwege.

2 De Communistische Linkerzijdes bestonden uit de vroege oppositie binnen de communistische partijen en binnen de Communistische Internationale, die al snel werd beheerst door de buitenlandse politieke belangen van de Bolsjewistische regering van Rusland. De meest belangrijke Linkerzijdes waren die van Italië, ook wel Bordigisten genoemd, en die van Duitsland/Nederland (KAPD, Gorter en Pannekoek). De laatstgenoemde Linkerzijde bracht een theorie van het imperialisme naar voren die belangrijk verschilt van die van Lenin. De Italiaanse Linkerzijde sloot meer aan bij Lenin, en is ook langer in de Komintern gebleven dan de KAPD.

3 Het gaat mijn kennis en belangstelling te boven om zo diep in te gaan op alle fijne details – zo niet de kronkels – van Lenins standpunten als sommige kameraden in Italië doen, die geconfronteerd worden met twijfels en zelfs klasseverraad binnen het Bordigisme. Zie bijvoorbeeld Circolo Internazionalista “coalizione operaia”. Zie voor een weerwoord in Anibal, Critical evaluation of the text of the Circolo internazionalista “coalizione operaia.”

4 Karl Marx, De armoede van de filosofie. Tweede hoofdstuk: De metafysica van de politieke economie.

5 Peter Nettl, Rosa Luxemburg (1965), Kapitel II, S. 113.

6 Met dank aan Anibal verwijs ik als voorbeeld naar Engels’ brief aan Kautsky 7-2-1882, MEW, Bd. 35, S. 269. Zie vertaling in het engels.

7 Peter Nettl, Rosa Luxemburg (1965), Anhang 2, Die nationale Frage, S. 813/814.

8 MEW, Bd, 27, S. 266. Aangehaald door Peter Nettl, Rosa Luxemburg (1965), Anhang 2, Die nationale Frage, S. 810. Aldaar meerdere aanwijzingen voor de strategische benadering van met name Engels.

9 Het onderdeel over de imperialisme-theorie van Rosa Luxemburg is ontleend aan mijn tekst van 2016 over Fasen in de ontwikkeling van het kapitalisme. Fragmenten waarin ik mij uitspreek voor de theorie van het verval van het kapitalisme zijn geschrapt. Ik hou deze opvatting nu als onhoudbaar en van begin af aan onjuist. Zie Er komt een einde aan het kapitalisme. Maar hoe?

10 Karl Marx & Friedrich Engels, Het Communistisch Manifest.

11 Het Kapitaal band III, vertaald uit MEW Bd. 25, S. 839, einde hfdst. 48.

12 Luxemburg, R. Gesammelte Werke Band 5, Berlin 1975, blz. 297.

13 Luxemburg, R. Gesammelte Werke Band 4, Berlin 1974, blz. 443.

14 Idem.

15 Programma van de “Kommunistische Arbeiter-Partei Deutschlands” (KAPD) mei 1920.

16 Anton Pannekoek, Verwoesting van de natuur (1909).

17 Anton Pannekoek, De ekonomische noodzakelijkheid van het imperialisme (1916), p. 14/15. Zie meer uitgebreid Pannekoeks verwerping van meerdere economische crisistheorieen Pannekoek, De ineenstortingstheorie van het kapitalisme (1934).

18 Aanhangsel bij Junius, De crisis der sociaaldemocratie.

19 Lenin, The Junius Pamphlet (1916).

20 Anton Pannekoek, De ineenstorting van de Internationale (1914), p. 5.

21 Lenin Werke Bd. 35, blz.143, Berlin 1979. Lenin Collected Works, vol. 15, Moscow, 1966, p. 168.

22 Idem p. 9/10.

23 Anton Pannekoek, The downfall of the International, in The New Review, p. 11/12. Pannekoek spreekt hier niet van een noodzaak van kapitaalexport.

24 Herman Gorter, Het imperialisme, de wereldoorlog en de sociaaldemocratie (1914), Hoofdstuk 1. In totaal verschenen drie drukken van deze versie. Een Duitse vertaling door Pannekoek werd door Gorter afgewezen omdat Pannekoek ervan te veel zijn eigen brochure zou hebben gemaakt. Augusta de Wit zou toen de eerste in het Duits (1915) verschenen en vrij slechte vertaling hebben verzorgd. Een vertaling van het Duits naar het Engels door International Socialist Review werd door Gorter afgekeurd. Mogelijk is deze versie verschenen op marxists.org. De versie waarnaar Gorters biograaf De Liagre Böhl verwijst, verscheen na de oorlog, in 1919 in München. (Bron: SUN-uitgave, p. 127/131). Deze laatste Duitse vertaling is correct en is onlangs opnieuw uitgegeven.

25 Lenin, Die Sophismen der Sozialchauvinisten (1915). Lenin Werke, Bd. 21, p. 176.

26 Gorter, idem, hoofdstuk 7.

27 Lenin, Die sozialistische Revolution und das Selbstbestimmungsrecht. Thesen (Vorbote 1916). Lenin Werke, Bd. 22, p. 153. Online te raadplegen in Nederlandse vertaling op marxistst.org.

28 Herman Gorter, Het imperialisme, de wereldoorlog en de sociaaldemocratie. Hoofdstuk 10.

29 Dit idee van de ‘permanente revolutie’ heb ik bekritiseerd in De fatale mythe van de burgerlijke revolutie in Rusland.

30 GIC, Marxisme en staatscommunisme. Het afsterven van de staat. Overigens heeft Pannekoek als voor 1917 de staats- en gemeentekapitalistische tendenzen van het het reformisme herhaaldelijk bekritiseerd, zie Staatsmonopolie en Socialisme (1911).

31 De kritiek op Lenins boek beperkt zich vanaf hier verder tot zijn theorie van het imperialisme. Voor een meer uitgebreide kritiek zie Anibal & materia, Teorías del derrumbe del capitalismo. Ilusiones de derrumbe y derrumbe de ilusiones….. Voor een engelstalig uittreksel zie Lenin’s errors and mistakes developed on capitalist imperialism.

32 Lenin, The Junius Pamphlet (1916).

33 Lenin, Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme. Een populaire verhandeling, hfdst. VII.

34 Idem, hfdst. VIII.

35 Karl Marx, Stellingen over Feuerbach, stelling 1.

36 Idem, hfdst. X.

37 Lenin, De dreigende catastrofe en hoe die te bestrijden, (Lenin Werke, Bd. 25, S. 369).

38 Rosa Luxemburg, De Russische Revolutie (1918). De hier relevante citaten zijn door de GIC weergegeven in het artikel De ideologie van het nationalisme, Radencommunisme, november 1939. Zie ook het onlangs onder verantwoording van Thomas Köningshofen uitgegeven boek Radencommunisme 1938 tot 1940. p. 336.

39 Verschenen in Radencommunisme, juni 1939. Zie ook het onlangs onder verantwoording van Thomas Köningshofen uitgegeven boek Radencommunisme 1938 tot 1940. p. 240.

40 Verschenen in P.I.C., 9e jg., no. 4, maart 1936, no. 1 en 2. Zie Persdienst van de Groepen van Internationale Communisten 1928-1938. Een Duitse vertaling verscheen als „Die Entwicklung der russischen Außenpolitik von 1917-1935“ / [Marxistisk Arbejder Politik, Dänemark]. – In: Internationale Rätekorrespondenz : Theoretisches und Diskussionsorgan für die Rätebewegung.  – Ausg[abe]. der Gruppe Int[ernationaler]. Kommunisten, Holland. – 1935, Nr. 13 (Oktober). Onlangs verscheen een een heruitgave van de gehele  Internationale Rätekorrespondenz 1934-1937 / Gruppe Internationaler Kommunisten (Holland).

41 Februari 1939 verschenen in Radencommunisme 1938 tot 1940 p. 155.

42 Zie F.C., De fatale mythe van de burgerlijke revolutie in Rusland.

De inter-imperialistische oorlog in Oekraïne

Een gedachte over “De inter-imperialistische oorlog in Oekraïne

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s